日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘gebruik maken van’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashimoto足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
jōzuru乘ずる
(乘じる、乗じる、乗ずる) t.w. (1) [かける] vermenigvuldigen. i.w. (2) [つけこむ] gebruik maken van; zich bedienen van; gelegenheid aangrijpen. ¶ に乘じて bij gelegenheid van; onder den invloed van. ¶ 六に六を乘ずると三十六となる zes-maal zes is zes en dertig; 6×6=36.
yoru依る
i.w. (1) [依賴] vertrouwen op; afhangen van. (2) [基く] gegrond zijn op; overeenstemmen met; veroorzaakt zijn door. (3) [手段に] gebruik maken van. ¶ に依って op grond van; in overeenstemming met; vertrouwend op; volgens.
hatarakasu働かす

i.w. gebruik maken van; i.w. laten werken; vervoegen (動詞を).

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus乗じる
私は好機に乗じた ik greep de kans aan; ik maakte gebruik van de goede gelegenheid.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebruik maken van>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
乗じるjoujiru (1) te baat nemen; gebruiken; aangrijpen; profiteren van; benutten; ingaan op; inspelen op; gebruik maken van; munt slaan uit; een slaatje slaan uit; z'n slag slaan; voordeel halen uit; z'n voordeel doen met; [失策に] uitbuiten; (2) vermenigvuldigen; (3) instappen; instijgen; aan boord gaan; [馬に] bestijgen
乗ずるjouzuru (1) instappen; instijgen; aan boord gaan; [馬に] bestijgen; (2) te baat nemen; gebruiken; aangrijpen; profiteren van; benutten; ingaan op; inspelen op; springen op; inpikken; gebruik maken van; munt slaan uit; verzilveren; een slaatje slaan uit; z'n slag slaan; voordeel halen uit; z'n voordeel doen met; [失策に] uitbuiten; (3) vermenigvuldigen; multipliceren; multipliëren
使う ; 遣うtsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車; 風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法; 魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
使用するshiyousuru gebruiken; aanwenden; gebruik maken van; zich bedienen van; bezigen; opereren met; [金を] besteden
利用するriyousuru (1) (nuttig) gebruiken; (tot zijn nut) aanwenden; benutten; toepassen; zich prevaleren van; gebruik maken van; zich bedienen van; [uitdr.] partij trekken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; employeren; in gebruik nemen; in gebruik stellen; (2) ten nutte maken; profiteren van; utiliseren; wel be­ste­den; [de gelegenheid] waarnemen; uitbuiten; zijn voordeel doen met; voordeel trekken uit; profijt trekken van; ten eigen bate aanwenden; munt slaan uit; de vruchten plukken van; een slaatje slaan uit
投ずるtouzuru (1) [敵軍に] zich overgeven; capituleren; zwichten; (2) [時流に] meegaan; meedoen; te baat nemen; gebruik maken van; aangrijpen; inspelen op; benutten; (3) [意気相~] passen; overeenkomen; overeenstemmen; op één lijn zitten; klikken; (4) [旅宿に] logeren; verblijven; doorbrengen; z'n intrek nemen; (5) [直球を] werpen; gooien; smijten; keilen; (6) [白票を] uitbrengen; deponeren; [獄に] ingooien; inwerpen; (7) [身を] zich werpen op; zich storten in; zich inzetten voor; zich wijden aan; [Belg.N.] zich smijten; (8) [影; 光を] tot ver vooruit werpen; (9) [資金を] verstrekken; investeren; besteden; beleggen; steken in; (10) [薬餌を] toedienen
採るtoru (1) [een bep. houding; allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken; methoden; personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid; politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
生かす ; 活かすikasu (1) iem. (in) het leven sparen; in het leven laten; laten leven; [魚を~] spenen; (2) weer tot leven wekken; brengen; bij iem. de levensgeesten weer opwekken; nieuw leven inblazen; levend maken; doen herleven; reanimeren; [習慣を] opnieuw invoeren; doen opleven; teruggrijpen op; (3) benutten; zich bedienen van; gebruik maken van; gebruiken; aanwenden; toepassen
用いるmochiiru (1) gebruiken; gebruik maken van; aanwenden; toepassen; benutten; in praktijk brengen; grijpen naar; zijn toevlucht nemen tot; (2) aannemen; in dienst nemen; aanstellen; benoemen; tewerkstellen; aan de bak laten komen
運用するunyousuru aanwenden; gebruiken; hanteren; gebruik maken van; investeren; besteden; zich bedienen van; toepassen; in praktijk brengen; ten uitvoer brengen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.63 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'gebruik maken van', strategie: exact). 
2005-2021