日蘭辭典+

32 resultaten voor ‘gebruiken’
日蘭辭典 (trefwoord)
yakuji藥餌
(薬餌) zn. medicijn o.; geneesmiddel o. ¶ 藥餌に親しむ gewend zijn een middel te gebruiken .
yakuyō藥用
(薬用) zn. medicinaal gebruik o. ¶ 藥用にする als geneesmiddel gebruiken.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
yoru依る
i.w. (1) [依賴] vertrouwen op; afhangen van. (2) [基く] gegrond zijn op; overeenstemmen met; veroorzaakt zijn door. (3) [手段に] gebruik maken van. ¶ に依って op grond van; in overeenstemming met; vertrouwend op; volgens.
tsukaikonasu使いこなす
i.w. goed kunnen omspringen met.
shiyō使用
zn. gebruik o.; toepassing v.; aanwending v. ¶ 使用する gebruiken; toepassen; gebruik maken van. ¶ 使用法 gebruiksaanwijzing. ¶ 使用權 gebruiksrecht. ¶ 使用人 employé. ¶ 使用料 huur; vergoeding voor het gebruik. ¶ 使用者 gebruiker; huurder. ¶ 使用濟の gebruikt; afgewerkt.
tama玉、球、丸
zn. (1) [球] bal m.; bol m. (2) [彈丸] kogel m. (3) [寶玉] juweel o. ¶ の玉 dauwdruppel. ¶ 眼鏡の玉 lens. ¶ 玉に使ふ als lokmiddel gebruiken. ¶ 玉を投げる bal gooien.
hatarakasu働かす

i.w. gebruik maken van; i.w. laten werken; vervoegen (動詞を).

SUPPLEMENT (trefwoord)
reitō冷凍
(znw, suru-ww) het koelen of invriezen van voedingsmiddelen en dergelijke om bederf tegen te gaan; 冷凍する reitōsuru koelen; invriezen. ¶ 冷凍庫 reitōko vriezer; vriesvak. ¶ 冷凍 機 reitōki vriezer (specifiek de machine). ¶ 冷凍車 reitōsha koelwagen. ¶ 冷凍食品 reitō shokuhin diepvriesvoedsel; diepvriesproducten. ¶ 冷凍野菜 reitō yasai diepvriesgroenten. ¶ 冷凍食品は必ず解凍してから切って下さい。 Reitō shokuhin wa kanarazu kaitōshite kara kitte kudasai. Bevroren voedsel beslist pas snijden nadat het ontdooid is. (gebruiksaanwijzing) ¶ [Q] すみません凄くアホみたいな質問なんですけどいいですか・・・ 冷凍車っていつも冷凍機使う荷物ばかりじゃ無いですか? [A] ウチは常温で運ぶ荷物もありますよ [Q] Sumimasen, sugoku aho mitai na shitsumon nan desu kedo ii desu ka... Reitōsha tte itsumo reitōki tsukau nimotsu bakarai ja nai no desu ka? [A] Uchi wa jōon de hakobu nimotsu mo arumasu yo [Q] Neemt u me niet kwalijk, mag ik een vraag stellen die enorm stom lijkt? Vervoert de koelwagen altijd lading waarvoor de vriezer gebruikt wordt? [A] Wij hebben ook lading die op normale temperatuur vervoerd wordt. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebruiken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
用いる mochiiru (1) gebruiken; gebruik maken van; aanwenden; toepassen; benutten; in praktijk brengen; grijpen naar; zijn toevlucht nemen tot; (2) aannemen; in dienst nemen; aanstellen; benoemen; tewerkstellen; aan de bak laten komen
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen
突く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje; klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne; langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer; de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
使う tsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車; 風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法; 魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
運用する unyousuru aanwenden; gebruiken; hanteren; gebruik maken van; investeren; besteden; zich bedienen van; toepassen; in praktijk brengen; ten uitvoer brengen
生かす ikasu (1) iem. (in) het leven sparen; in het leven laten; laten leven; (2) weer tot leven wekken; brengen; bij iem. de levensgeesten weer opwekken; nieuw leven inblazen; levend maken; doen herleven; reanimeren; [習慣を] opnieuw invoeren; doen opleven; teruggrijpen op; (3) benutten; zich bedienen van; gebruik maken van; gebruiken; aanwenden; toepassen
頂く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
乗ずる jouzuru vermenigvuldigen; multipliceren; multipliëren; ; (1) instappen; instijgen; aan boord gaan; [馬に] bestijgen; (2) te baat nemen; gebruiken; aangrijpen; profiteren van; benutten; ingaan op; inspelen op; springen op; inpikken; gebruik maken van; munt slaan uit; verzilveren; een slaatje slaan uit; z'n slag slaan; voordeel halen uit; z'n voordeel doen met; [失策に] uitbuiten
使用する shiyousuru gebruiken; aanwenden; gebruik maken van; zich bedienen van; bezigen; opereren met; [金を] besteden
採る toru (1) [een bep. houding, allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken, methoden, personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid, politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
焚く taku (1) stoken; doen branden; [i.c.m. ストーブを] aansteken; [i.c.m. フラッシュ; ストロボを] gebruiken; [i.c.m. 火を] maken; (2) verbranden; in brand steken; in vlam zetten; (3) [badwater enz.] warmen; verwarmen; verhitten; heet; warm maken; [oneig.] klaarmaken; (4) [i.c.m. 香を] branden
奉る tatematsuru (1) laten aanbieden; doen geven; (2) sturen; afvaardigen; zenden; ; (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; ; […~] [hum. hulpwerkwoord]
利用する riyousuru (1) (nuttig) gebruiken; (tot zijn nut) aanwenden; benutten; toepassen; zich prevaleren van; gebruik maken van; zich bedienen van; [uitdr.] partij trekken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; employeren; in gebruik nemen; in gebruik stellen; (2) ten nutte maken; profiteren van; utiliseren; [de gelegenheid] waarnemen; uitbuiten; zijn voordeel doen met; voordeel trekken uit; profijt trekken van; ten eigen bate aanwenden; munt slaan uit; de vruchten plukken van; een slaatje slaan uit
採用する saiyousuru (1) aannemen; overnemen; adopteren; gebruiken; toepassen; aanwenden; ontlenen; (2) in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; [Belg.N.] aanwerven
供する kyousuru (1) offeren; opdragen; (2) aanbieden; aanreiken; voorleggen; bieden; verschaffen; voorzien van; ter beschikking stellen; (3) aanwenden; gebruiken; besteden; bezigen; toepassen; (4) op een maal vergasten; op een diner trakteren; op een gastmaal onthalen; regaleren
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
召し上がる meshiagaru gebruiken; nuttigen; tot zich nemen; eten; drinken; toetasten [formele variant van de ww. kuu 食う en nomu 飲む]
発動する hatsudousuru (1) in beweging brengen; zetten; in werking stellen; aan het werk zetten; inschakelen; op gang brengen; aan het rollen brengen; aanzetten; starten; (2) [jur.] uitoefenen; laten gelden; gebruiken; aanwenden; toepassen; inzetten; een beroep doen op; inroepen; (3) activeren; dynamiseren
振う furuu (1) [暴力を] plegen; gebruiken; aanwenden; laten gelden; [権力を] uitoefenen; hanteren; voeren; [刀を] zwaaien; wuiven; schudden; [手腕を] tentoonspreiden; demonstreren; aan de dag leggen; (2) [勇気を] scheppen; vatten; verzamelen; bij elkaar schrapen; ; gedijen; tieren; welvaren; bloeien; floreren; welvarend zijn; voorspoedig zijn; succes hebben; het goed doen
食す osu (1) [hon.] regeren; bestieren; besturen; leiden; (2) [hon.] eten; drinken; nuttigen; gebruiken; (3) [hon.] aantrekken; aandoen; zich uitdossen
愛飲する aiinsuru regelmatig ~ drinken; gebruiken; [een bep. drank] graag lusten; wel een glaasje ~ lusten; houden van een glas ~
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.41 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'gebruiken', strategie: exact). 
2005-2020