日蘭辭典+

45 resultaten voor ‘gelegenheid’
日蘭辭典 (trefwoord)
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
yarisugosu遣過ごす
(遣り過ごす) t.w. voor laten gaan; laten passeeren. ¶ 機會を遣過ごす gelegenheid laten voorbijgaan.
awayokubaあはよくば
(あわよくあ) bw. als het zoo uit komt; als er gelegenheid is.
tokoro處、所
(ところ) zn. (1) [場所] plaats v. (2) [住所] woonplaats v.; verblijfplaats v. (3) [位置] positie v. (4) [土地] streek v. (5) [] punt o. (6) [] ding o. (7) [] moment o. (8) [場合] gelegenheid v. ¶ hoewel. ¶ では voor zoover; in zooverre als. ¶ 僕の見るでは naar mijn oordeel; mijns inziens.
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
ba-ai場合

zn. geval (折) o.; gelegenheid (事情) v.; omstandigheid (狀態) v. ¶ 此の樣の場合には inzoon geval; bij zulk een gelegenheid. ¶ 必要の場合に in geval van nood. ¶ それは場合による dat hangt van de omstandigheden af. ¶ 場合に寄っては naargelang van omstandigheden.

matsu待つ
t.w. (1) [待つ] wachten; afwachten; i.w. wachten op. t.w. (2) [期待する] verwachten. i.w. (3) hopen op. ¶ 伏して待つ op wachten. ¶ 明日まで待つ tot morgen wachten. ¶ 好機を待つ gelegenheid afwachten. ¶ すこし待て wacht even. ¶ 待つ身は長い als men wacht, valt de tijd lang. ¶ 言を待たず onnoodig te zeggen ......; het spreekt van zelf dat...... ¶ ではお待ち申して居ります ik verwacht u dus.
kyō今日
bw. vandaag; heden; zn. de dag van heden m.; deze dag. ¶ 今日は何日ですか de hoeveelste is het vandaag? ¶ 今日から voortaan; in ’t vervolg. ¶ 今年の今日 vandaag voor een jaar. ¶ 今日今日なし een verzuimde gelegenheid komt niet terug.
jōzuru乘ずる
(乘じる、乗じる、乗ずる) t.w. (1) [かける] vermenigvuldigen. i.w. (2) [つけこむ] gebruik maken van; zich bedienen van; gelegenheid aangrijpen. ¶ に乘じて bij gelegenheid van; onder den invloed van. ¶ 六に六を乘ずると三十六となる zes-maal zes is zes en dertig; 6×6=36.
hyōshi拍子
zn. (1) [調子] maat v.; rhythme o.; rhythmus m.; tempo o. (2) [はずみ] gelegenheid v.; toevallige omstandigheid v.; ¶ 三拍子 driekwartsmaat. ¶ 拍子を合はせる maat houden. ¶ 拍子を合せて in de maat. ¶ 拍子拔け uit de maat. ¶ 拍子拔けをさす ontmoedigen. ¶ どうかして拍子で door een toevallige omstandigheid. ¶ ……する拍子に juist terwijl...... ¶ 拍子よき goed in de maat; glad; van een leien dakje. ¶ 萬事拍子よく行った het is alles vlot gegaan; alles is van een leien dakje gegaan. ¶ 拍子木 houten klappers.
kiai氣合
(気合) zn. (1) [好時機] recht oogenblik o.; gevoelens o.mv. (2) [氣分] aard m.; gemoed o. (3) [掛聲] gil m.; kreet m. ¶ 氣合術 mesmerisme; wilsopdringing.
kōjiki好時機
zn. goed moment n.; het juiste oogenblik o.; goede gelegenheid.
gishiki儀式

zn. ceremonie v.; plechtigheid v. ¶ 儀式のに bij plechtige gelegenheid. ¶ 儀式的 plechtig; officieel. ¶ 儀式係 ceremonie meester.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gelegenheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
飲み口 nomikuchi (1) smaak; aroma; smaakindruk; (2) sakeliefhebber; (3) gelegenheid; aanleiding om een dronk uit te brengen; (4) lip van een sake-kommetje; sake-kopje; (5) manier van sake drinken; drinkstijl; (6) [キセルの] mondstuk
suki (1) gat; opening; spleet; kier; speling; wat plaats; wat ruimte; plaatsruimte; (2) gaatje; vrij ogenblikje; (3) buitenkans(je); onbewaakt; geschikt; kwetsbaar ogenblik; gelegenheid; kans; opportuniteit
序で tsuide kans; gelegenheid; opportuniteit
番い tsugai [maatwoord voor groepen, ploegen]; ; (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid
都合 tsugou in totaal; alles bij elkaar; alles samen; alles erop en eraan; welgeteld; in summa; in toto; ; (1) geschiktheid; moment; gelegenheid; gemak; conveniëntie; voordeel; belang; (2) redenen; omstandigheden
un (1) lot; toeval; (2) geluk; voorspoed; fortuin; (3) kans; gelegenheid
具合 guai (1) staat; toestand; situatie; (2) gezondheidstoestand; (3) gelegenheid; goede gelegenheid; gepastheid; geschiktheid; (4) fatsoen; goede manieren; (5) manier; methode; wijze van doen; wijze van handelen
契機 keiki (1) kans; gelegenheid; geschikte omstandigheid; aanleiding; (2) (in de filosofie) moment
便 ben (1) gemak; gerief; conveniëntie; gelegenheid; gerieflijkheid; comfort; faciliteit; accommodatie; voorziening; (2) excreten; [i.h.b.] feces; poep; excrement; ontlasting; stoelgang; afgang; [med.] dejectie; [kindert.] bah
首尾 shubi (1) begin en einde; aanhef en slot; (2) ontwikkeling; gang; verloop; [i.h.b.] uitkomst; resultaat; (3) gelegenheid; (4) [Jap. letterk.] zestien-; twaalfdelig kettingvers
状態 joutai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
施設 shisetsu (1) instituut; instelling; inrichting; tehuis; gesticht; (2) voorziening; gelegenheid; faciliteit; installatie
setsu (1) tijd; gelegenheid; keer; (2) principes; beginselen; stelregels; (3) alinea; paragraaf; afdeling; [lit.t.] strofe; couplet; stanza; (4) [spraakk.] zinsnede; passus; (5) [bijb.] vers; (6) segment; geleding
seki [maatwoord voor zitplaatsen, plaatsen]; ; (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat
toki (1) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) toen; wanneer; ; (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus
tokoro (1) 11. [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (2) 12. een kwestie van …; in de orde van …; (3) 13. dat wat …; datgene wat …; (4) 14. waaraan; waarover; (5) 15. toen …; wanneer …; ; (1) [maatwoord voor plekken, stuks e.d.]; (2) 10. [maatwoord voor godheden, edellieden e.d.]; ; (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い; 強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid
tabi (1) keer; maal; gelegenheid; -werf; (2) elke keer (als; dat); iedere keer (als; dat); telkens (als; wanneer); telkenmale (als; dat)
ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
チャンス chansu kans; gelegenheid
機会 kikai kans; gelegenheid; aanleiding
機縁 kien (1) [boeddh.] aanleg voor en voorbeschiktheid tot de leer; (2) aanleiding; gelegenheid; kans; motief; oorzaak; karma
ki [maatwoord voor vliegtuigen]; ; (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel
切っ掛け kikkake (1) start; aanzet; begin; signaal; (2) kans; gelegenheid; aanleiding; (3) aanknopingspunt; hint; aanwijzing; houvast; spoor; [fig.] ingang
場合 baai (1) geval; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) omstandigheden; situatie
ba (1) plek; plaats; [i.h.b.] zitplaats; (2) ruimte; plaats; (3) omstandigheden; gelegenheid; (4) [ton., film] scène; (5) beursvloer; beurssessie; effectenhandel; effectenmarkt; (6) veld; terrein
ori ~ keer (toe)gevouwen; ; (1) gelegenheid; moment; keer; kans; (2) wanneer; (3) vouw
勝手 katte (1) keuken; (2) toestand waarin iem. verkeert; iems. omstandigheden; (3) gemak; gelegenheid; comfort; gerief; gerieflijkheid; voordeel; [i.h.b.] eigenbelang; (4) plaatselijke gesteldheid; lokale omstandigheden; inrichting; ; zelfzuchtig; egoïstisch; eigengerechtig; solistisch; eigengereid
便 bin [maatwoord voor verbindingen, lijnen]; ; (1) gelegenheid; opportuniteit; (2) post; brieven; [i.h.b.] postbestelling; (3) verbinding; dienst; lijn; [i.h.b.] vlucht
拍子 hyoushi [maatwoord voor maten, ritmes]; ; (1) [muz.] maat; ritme; tempo; (2) gelegenheid; moment; ogenblik
hima (1) vrij; ~ waarin niet gearbeid wordt; arbeidsloos; (2) [m.b.t. handel] slap; slapjes; slepend; stil; [van markt] traag; ; (1) vrijaf; vrij; vrije tijd; vrije uren; (2) tijd (om iets te doen); gelegenheid; kans; (3) vakantie; [i.h.b.] verlof; (4) verbreking; [i.h.b.] ontslag; [i.h.b.] scheiding; (5) slappe tijd; slapte [in handel]; komkommertijd [in nieuws]
hi (1) zon; daglicht; zonlicht; zonneschijn; zonnetje; [Barg.] lichterik; [uitdr.] vorstin des hemels; [uitdr.] vorstin van het licht; [veroud.] de grote toorts; (2) dag [i.t.t. nacht]; (3) etmaal; dag; dies; dagje; [veroud.] pond; (4) tijdstip; gelegenheid; dag; (5) datum
ashi 31. circa …; ongeveer …; ; (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) 10. [scheepv.] vaart; snelheid; (11) 11. [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) 12. [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) 13. [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) 14. [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) 15. aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) 16. [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) 17. vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) 18. transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) 19. geld; geldmiddelen; middelen; (20) 20. [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) 21. rente; interest; intrest; (22) 22. verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) 23. [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) 24. [食べ物の] houdbaarheid; (25) 25. [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) 26. [酒の] kwaliteit; karakter; (27) 27. [網目の] maaswijdte; (28) 28. [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) 29. poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) 30. prostituee; liefje
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.36 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'gelegenheid', strategie: exact). 
2005-2019