日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘geval’
日蘭辭典 (trefwoord)
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
ba-ai場合

zn. geval (折) o.; gelegenheid (事情) v.; omstandigheid (狀態) v. ¶ 此の樣の場合には inzoon geval; bij zulk een gelegenheid. ¶ 必要の場合に in geval van nood. ¶ それは場合による dat hangt van de omstandigheden af. ¶ 場合に寄っては naargelang van omstandigheden.

rei
zn. (1) [慣] gewoonte v.; gebruik o.; antecedent (前) o.; (2) [實] voorbeeld o.; illustratie v. (3) [場合] geval o. ¶ 前記の bovenstaand voorbeeld. ¶ に倣ふ voorbeeld volgen. ¶ に依っての如く zooals gewoonlijk. ¶ 引く voorbeeld aanhalen. ¶ なき nog nooit voorgekomen. ¶ gewoon; gebruikelijk. ¶ の人 de persoon in kwestie; de betrokken persoon.
dōshiteどうして
bw. (1) [如何樣にして] hoe?; op welke wijze. (2) [何故] waarom?; op welken grond? ¶ どうしてhoe het ook zij; in elk geval; wat men ook doet. ¶ どうしても………せぬ in geen geval; stellig niet.
izure何れ
vnw. (1) [どちら] welk. bw. (2) [何れにせよ] in elk geval; hoe het zij; vroeg of laat (早晚). ¶ 何れか een van beide. ¶ 孰れも beide; allebei. ¶ 孰れも……せず geen van beide. ¶ 何れか een dezer dagen. ¶ 何れ方面より見るも van welken kant wij het ook bezien......
hi

zn. (1) [太陽] zon v. (2) [一日] dag m. (3) [付] datum m. (4) [] tijd m. (5) [場合] geval o. ¶ が昇る de zon gaat op. ¶ 入る de zon gaat onder. ¶ にあたる in de zon zijn. ¶ に燒ける door de zon verbrand zijn. ¶ が暮れる het loopt tegen den avond. ¶ を暮らす den dag doorbrengen. ¶ に增し van dag tot dag; elken dag. ¶ 一日 met den dag. ¶ per dag. ¶ 有事のには in geval van nood.

hatashite果して

(果たして) bw. zooals te verwachten was; en inderdaad. ¶ 果して然らば in dat geval; als dat zoo is, dan.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geval>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
一件 ikken aangelegenheid; kwestie; zaak; geval
ken (1) [maatwoord voor gevallen van misdaad, ongevallen]; (2) [maatwoord voor faillissementen, schandalen, kwesties]; (3) [maatwoord voor aanvragen, bevragingen, aangiftes, petities]; (4) [maatwoord voor transacties]; (5) [maatwoord voor bezoeken aan een internetsite, treffers]; (6) [maatwoord voor agendapunten, onderwerpen]; (7) [maatwoord voor ingesproken boodschappen of ingestuurde berichten]; ; zaak; geval; aangelegenheid; affaire; kwestie; materie; casus
事件 jiken (1) incident; voorval; gebeurtenis; gebeuren; evenement; geval; affaire; kwestie; (2) [jur.] zaak; [Lat., jur.] res; affaire; [i.h.b.] schandaal
代物 shiromono (1) ding; geval; spul; [min.] mens; gast; kwibus; [Belg.N.] kwiet; (2) artikel; handelswaar; koopwaar; (3) voorwerp van waarde; (4) koopprijs; prijs; (5) prostituee; (6) knap huwbaar meisje
実例 jitsurei voorbeeld (ter adstructie); (concreet) geval; illustratie
事例 jirei (1) voorbeeld; geval; casus; (2) precedent; [Belg.N., niet alg.] voorgaande
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) 10. oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) 11. ervaring; ondervinding
toki (1) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) toen; wanneer; ; (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus
tokoro (1) 11. [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (2) 12. een kwestie van …; in de orde van …; (3) 13. dat wat …; datgene wat …; (4) 14. waaraan; waarover; (5) 15. toen …; wanneer …; ; (1) [maatwoord voor plekken, stuks e.d.]; (2) 10. [maatwoord voor godheden, edellieden e.d.]; ; (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い; 強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid
toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
dan (1) het feit (… te zijn); (2) fase; stadium; geval; moment; situatie; (3) 10. [~ではない; じゃない] mate; kwestie; ; (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte
kyoku (1) bureau; departement; afdeling; (2) (telefoon)centrale; (3) postkantoor; (4) televisiestation; radiostation; (5) spelletje go; (6) situatie; zaak; geval
奴; ヤツ yatsu [denigrerend of sympathiserend] hij; zij; ; (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval
rei [maatwoord voor voorbeelden, illustraties]; ; (1) a. gewoonte; gebruik; vaste gebeurtenis; (2) b. regel; voorschrift; (3) c. algemeen principe; (4) d. voorbeeld; model; ; (1) gewoonte; gebruik; praktijk; (2) usance; usantie; het obligaat-zijn; (3) waarvan; van wie gesproken wordt; iets bekends [onder gespreksgenoten]; (4) precedent; traditie; (5) voorbeeld; illustratie; geval; specimen; staaltje; proeve; exemplum; [afk.] vb.
場合 baai (1) geval; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) omstandigheden; situatie
hanashi (1) het praten; praat; praatje; praats; opmerking; zeggen; woord; woordje; gesprokene; [w.g.] spraak; [w.g.] zegsel; (2) gesprek; conversatie; onderhoud; babbel; propoost; [i.h.b.] overleg; (3) onderwerp (van gesprek); propoost; topic; (4) verhaal; vertelling; relaas; historie; story; geschiedenis; vertelsel; verslag; [w.g.] verhaling; (5) geklets; gebabbel; [veroud.] gesnap; gerucht; praatje; smoesje; [Bar.] kabielesementje; roddel; on-dits; spraak; (6) geval; affaire; kwestie; zaak [gebruikt als keishiki meishi 形式名詞]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'geval', strategie: exact). 
2005-2019