日蘭辭典+

37 resultaten voor ‘gezelschap’
日蘭辭典 (trefwoord)
akuyū惡友
(悪友) zn. slecht gezelschap o.
aite相手
zn. (1) [同僚] medewerker m.; makker; kameraad m. (2) [先方] tegenpartij v.; tegenstander m. ¶ 相手なき onvergelijkelijk; zonder weerga. ¶ 相手をする gezelschap houden. ¶ 相手方 (法) andere partij; partij ten andere.
tomo
zn. vriend m.; makker m.; kameraad m. ¶ とする te vriend houden. ¶ ......とになる bevriend worden met; vriendschap sluiten. ¶ reisgenoot; reismakker; reisgezelschap. ¶ お伴する begeleiden; gezelschap houden vergezellen.
dantai團體
(団体) zn. groep v.; lichaam o.; gezelschap o.; gemeenschap o. ¶ 團體乘車券 gezelschapsbiljet.
seken世間
zn. de wereld v.; het publiek o.; de menschen m.mv.; gezelschap o. ¶ 世間通 man van de wereld. ¶ 世間竝の gewoon; gebruikelijk; conventioneel. ¶ 世間話 babbeltje; praatje over koetjes en kalfjes. ¶ 世間の人が言ふ men zegt. ¶ 世間に voor de wereld; in het publiek. ¶ 世間嫌ひ walg van de wereld; menschenhaat. ¶ 世間竝 ’swerelds loop; gewone gang van zaken. ¶ 世間schijn; aanzien voor de wereld. ¶ 世間體を飾る den schijn ophouden. ¶ 渡る世間overal. ¶ 世間世間 laat de menschen toch praten!
shakō社交
zn. gezellig verkeer o.; sociale omgang m. ¶ 社交が上手 gezellig in den omgang. ¶ 社交的 gezellig; sociaal; maatschappelijk. ¶ 社交團 gezelschap. ¶ 社交術 kunst om zich gemakkelijk te bewegen; aangename omgangsvormen. ¶ 社交界 uitgaande kringen der hoogere standen. ¶ 社交期 het seizoen, waarin veel partijen gegeven worden. ¶ 社交性 gezellige neigingen; behoefte aan gezelligheid.
tsukiai附合
(付き合い、つき合い、付合い) zn. omgang m.; gezelligheid v.; gezelschap o. ¶ 附合上 voor de gezelligheid. ¶ 附合のよい gezellig; aangenaam in den omgang. ¶ 附合の惡い stug; stuursch.
ichiza一座
zn. (1) [滿座] het gezelschap o.; al de aanwezigen (同席者) m. & v.mv. (2) [藝人の] een gezelschap o.; een troep v. ¶ 一座する in gezelschap zijn met; samenkomen met.
ōichiza大一座
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gezelschap>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
随行 zuikou begeleiding; geleide; gezelschap
付き合い tsukiai (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; gemeenschap; relatie; gezelschap; vriendschap; anschluss; [i.h.b.] verkering; kennissen; kennissenkring; (2) [meegaan enz. uit] sociale beleefdheid
連れ tsure (1) gezelschap; (met)gezel; begeleider; (2) [no-term] tsure; tritagonist
群れ mure groep; menigte; drom; schare; gezelschap; bende; horde; troep; meute; kudde; drift; kolonie; roedel; school; toom; vlucht; zwerm; tros; stoet; hoop; pak; kluit; rist; [lit.t., scherts.] heer
一団 ichidan bende; groep; troep; gezelschap; kring; stel; partij; korps; [m.b.t. boeven] gang; [inform.] zootje
一群 ichigun groep; schare; schaar; gezelschap; troep; bende; kudde; [鳥の] vlucht; [犬の] meute
一座 ichiza (1) medeaanwezigheid; het medeaanzitten; (2) alle aanwezigen; aangezetenen; hele gezelschap; aanwezige mensen; (3) feestelijke bijeenkomst; partij; receptie; diner; feestmaal; banket; (4) troep acteurs; artiesten; gezelschap; groep; compagnie; kring; (5) één beeld; (6) één heiligdom; (7) één sessie; (8) één bundel kettingverzen; haiku's; (9) ereplaats; belangrijkste plaats
一行 ikkou gezelschap; groep; [i.h.b.] gevolg; consorten; [Belg.N., spreekt.] compagnie; [veroud., m.b.t. muz.; ton.] troep
kumi [maatwoord voor klassen, groepen]; ; (1) klas (in een school); (2) gezelschap; groep; ploeg; team; bende; (3) set; paar; pak; assortiment; (4) (in de boekdrukkunst) het letterzetten
gu (1) [maatwoord voor een set kledingstukken, ensembles, wapenrusting, stel instrumenten, schotels etenswaar]; (2) [maatwoord voor inrō, draagschrijnen]; (3) 10. [maatwoord voor draagstoelen]; (4) 11. [maatwoord voor zadels]; (5) 12. [maatwoord voor boogschuttershandschoenen]; (6) 13. [maatwoord voor bidsnoeren, paternosters]; (7) 14. [maatwoord voor kammen]; ; (1) a. assorteren; toerusten; equiperen; stofferen; (2) b. gereedschap; materiaal; instrumentarium; (3) c. omstandig verslag; gedetailleerd; ; (1) materiaal; gereedschap; gerei; uitrusting; [i.h.b.] boedel; uitzet; (2) [cul.] ingrediënt; (3) metgezel; partner; [i.h.b.] gezellin; gade; (4) [貴人の] gevolg; dienaar; gezelschap; [i.h.b.] gezelschapsheer; gezelschapsdame; (5) kledingstukken; (6) pastel; (7) [Jap.Barg.] gestolen geld; [Barg.] turf
仲間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
相伴 shouban (1) gezelschap; (2) deelachtigheid
tomo (1) vriend; gezel; -genoot; maat(je); kameraad; vrind; [veroud.] bestemaat; [in boektitel] gids voor ~; (2) gezelschap
同伴 douhan vergezelling; gezelschap; begeleiding; geleide
同伴者 douhansha begeleider; gezel; gezelschap; metgezel; partner; geleider
同行 doukou (1) het meegaan; het vergezellen; (2) gezelschap; groep; partij; troep; [Belg.N., spreekt.] compagnie; [inform.] complotje; (3) dezelfde bank; de bank waarvan sprake is
dan groep mensen; gezelschap; stel; troep; [i.h.b.] bende; [i.h.b.] gang
団体 dantai (1) groep; gezelschap; ploeg; korps; [sportt.] team; [sportt.] equipe; (2) organisatie; vereniging; corporatie; lichaam; associatie
退団 taidan het verlaten van een groep; gezelschap; ploeg; korps; [sportt.] team; organisatie; vereniging; groepering
za (1) zitplaats; plaats(je); zetel; troon; stoel; zitje; (2) (maatschappelijke) positie; (3) [verzameln.] gezelschap; aanwezigen; publiek; [Belg.N., spreekt.] compagnie
kyaku (1) gast; (2) bezoeker; (3) verblijvende; logé; (4) klant; (5) gezelschap
retsu (1) rij; gelid; reeks; sliert; file; queue; [Belg.N.] rang; (2) gezelschap; gelederen; groep
連中 renjuu (1) gezellen; metgezellen; maten; kameraden; groep; bende; volkje; partij; (2) [muz.; theat.] gezelschap; groep; formatie; [veroud.] troep; (3) [muz.; theat.] fan; vaste bezoeker; vast publiek
ren (1) a. op rijen staan; plaatsen; rijgen; opeenvolgen; betrekking hebben; (2) b. blijven duren; telkens herhalen; voortzetten; (3) c. gezelschap; bende; (4) d. bond; verbond; ; (1) [paardenloterij] quinella; (2) gezelschap; bende; coterie; partij; aanhang; [Belg.N.] compagnie; metgezellen; maten; kameraden; (3) [plantk.] tribus; ; en cie.; en co.; cum suis; [afk.] c.s.; ; (1) riem; [i.h.b.] 1.000 vel papier; [i.h.b.] 100 stuks karton; (2) [handelsmaat voor cellofaan: 500 m²]; (3) [maatwoord voor rijgsels, strengen, snoeren]; (4) [maatwoord voor risten (gedroogde) eetwaar]; (5) [maatwoord voor vlechtwerk]; (6) 10. [maatwoord voor haviken, valken]
パーティー paatii (1) fuif; party; partijtje; feestje; (2) groep; gezelschap; ploeg; (3) partij
伴侶 hanryo gezel; metgezel; compagnon; makker; deelgenoot; kameraad; partner; [verzameln.] gezelschap
kai (1) a. scheiding; afbakening; grens; (2) b. ruimte; sfeer; groep; gemeenschap; ; (1) omsloten ruimte; gebied; terrein; veld; domein; zone; sector; rijk; (2) vereniging; gezelschap; gemeenschap; kring; wereld; (3) grens; scheiding; (4) [boeddh.] dhātu; (5) liniëring; lijn [op papier]; (6) hulplijn; hulpstreep; (7) [biol.] Rijk; regnum; (8) [geol.] groep [lithostratigrafische eenheid]
アソシエーション asoshieeshon (1) vereniging; genootschap; gezelschap; bond; associatie; maatschappij; (2) [psych.] associatie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 28 treffers (zoekopdracht: 'gezelschap', strategie: exact). 
2005-2020