日蘭辭典+

46 resultaten voor ‘gezicht’
日蘭辭典 (trefwoord)
kao
(顔) zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; uiterlijk o. (2) [面目] eer v. (3) [面附] gelaatstrekken m. ¶ 知らない iemand, dien men niet kent; onbekende. ¶ 知らないをする doen alsof men iemand niet kent; doen alsof men van niets weet. ¶ が廣い veel kennissen hebben. ¶ 合はすがない niet onder de oogen durven komen. ¶ と相談する in den spiegel kijken. ¶ を洗ふ het gezicht wasschen. ¶ を出す zich vertoonen; tegenwoordig zijn. ¶ 顰める zuur gezicht trekken. ¶ 人のを立てる iemands goede naamredden. ¶ 判る ik zie het aan je gezicht!
aomuke-ni仰向けに
bw. met gezicht naar boven; op den rug liggend. ¶ 仰向になって游ぐ op den rug zwemmen. ¶ 仰向に倒れる achterover vallen.
tenbō展望
zn. uitzicht o.; gezicht o. ¶ 展望する uitzicht hebben; uitzien. ¶ 展望 periscoop. ¶ 展望 observatie wagen. ¶ 展望 uitkijktoren; observatorium.
koshiraeru拵へる
(拵える) t.w. (1) [造る] maken; bereiden; fabriceeren. (2) [建築] bouwen. (3) [捏造] verzinnen. (4) [發明] uitvinden. (5) [飾る] tooien; i.w. toilet maken. ¶ を拵へる gezicht opmaken; grimeeren; kamer optuigen. ¶ 口實を拵へる uitvlucht verzinnen. ¶ で拵へる waaruit wordt sake bereid?
menboku面目
zn (1) [名譽] waardigheid v.; eer v. (2) [顏色] gezicht o. ¶ 面目なる zijn familie tot eer strekken. ¶ 面目關する de eer is er mede gemoeid. ¶ 面目保つ zijn eer hoog houden; (俗) zijn figuur redden. ¶ 面目失ふ een gek figuur slaan; beschaamd staan. ¶ 面目改める een geheel ander aanzien krijgen.
hokori
(誇り) zn. trots m.; glorie v.; roem m. ¶ 誇顏 trotsch gezicht. ¶ 彼は我校の誇である hij is de trots van onze school; onze school is trotsch op hem.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
tsura
zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; aangezicht o. (2) [表面] oppervlakte v. ¶ からかひ面をする leelijke gezichten trekken.
ganbō顏貌
(顔貌) zn. uiterlijk o.; gezicht.
ongan溫顏
(温顔) zn. vriendelijk gezicht o.
gomensō御面相
(ご面相) zn. uiterlijk o.; gezicht o.
fushin不審
zn. (1) [疑問] twijfel m. (2) [嫌疑] verdenking v. ¶ 不審に思ふ vreemd vinden; verdacht vinden. ¶ 不審の念を起こす achterdocht opwekken. ¶  不審がる betwijfelen; in twijfel trekken. ¶ 不審さうな顏をする ongeloovig gezicht zetten.
SUPPLEMENT (trefwoord)
tariたり
Hulpwerkwoord van de schrijftaal of het klassiek Japans.
mizenrenyōshūshirentaiizenmeirei
たらたりたりたるたれたれ
たり sluit aan op de renyōkei. Het geeft de voltooiing van een handeling of een proces aan (modern -した) Geeft voortdurend effect van een voltooide handeling of proces (...heeft gedaan; -ている; -てある). (IT:95) たり is het schrijftaal equivalent van spreektaal た. Attributief: たる, predicatief: たり. ¶ 次にあらわれたるは女の顔《次にあらわれたのは女の顔》 het was het gezicht van een vrouw dat vervolgens verscheen ¶ あらわれたるは方屋黒タイツに空色《の》水着を着たデブさん wat is verschenen in de ring [is] Mevrouw dikzak gekleed in een hemelsblauw badpak en zwarte panties De attributieve vorm (たる) nominaliseert het voorafgaande zonder de tussenkomst van の (wat in het modern wel noodzakelijk is). (SEM:838)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gezicht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
展望 tenbou (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
zu [maatwoord voor tekeningen, schetsen]; ; (1) tekening; schets; figuur; illustratie; schema; [i.h.b.] kaart; [i.h.b.] grafiek; [i.h.b.] diagram; (2) schouwspel; aanblik; gezicht; (3) plannetje; intrige
面付き tsuratsuki (1) wang; koon; [Belg.N.] kaak; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gezicht; expressie; gelaat; trekken; gelaatstrekken
kei (1) a. uitzicht; schouwspel; (2) b. toestand; situatie; (3) c. groot; fortuinlijk; (4) d. iets extra's geven; (5) e. bewonderen; respecteren; ; (1) uitzicht; gezicht; landschap; tafereel; schouwspel; (2) [ton.] deel van een bedrijf; scène; toneel; episode; ; [maatwoord voor scènes]
景色 keshiki (1) landschap; natuurschoon; (2) zicht; uitzicht; gezicht
眺め nagame uitzicht; zicht; gezicht; vergezicht; aanblik
情景 joukei (1) stemming en natuurschoon; gemoeds- en natuurgesteldheid; (2) tafereel; schouwspel; gezicht; toestand; omstandigheid; situatie
視覚 shikaku gezicht; zicht
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
骨相 kossou (1) lichaamsbouw; lichaamsgestel; fysiek; (2) fysionomie; uiterlijk; gezicht; gelaatstrek; trek; schedelbouw; schedelstructuur
光景 koukei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
体面 taimen eer; aanzien; staat; prestige; [fig.] gezicht
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen, lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
眺望 choubou uitzicht; vergezicht; zicht; gezicht; panorama
sama (1) -elings; -waarts [drukt een richting, oriëntatie uit]; (2) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix; voorafgegaan door een naam; titel; status e.d.]; (3) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (4) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]; ; voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
men [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels, luiten, suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]; ; (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst., fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg., volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen, sport: kendō, honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]
面子 mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面皮 menpi (1) schaamteloosheid; onbeschaamdheid; (2) reputatie; eer; gezicht; (3) gevlei; vleierij; pluimstrijkerij; geflikflooi
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
目付き metsuki blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uitdrukking in de ogen
目; 眼 me (1) -ste; -de [ordinaal suffix]; (2) 10. [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken, toestanden e.d. markeert; het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (3) 11. -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden; drukt een mate, eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]; ; foei; ; (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg., volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud
フェイス feisu (1) gezicht; aangezicht; gelaat; (2) coupure; (3) [bergsport] steile wand; helling; kant; (4) [golf] clubface; vlak dat de bal raakt; (5) Faith; Face
風景 fuukei landschap; [i.h.b.] natuurlandschap; gezicht; uitzicht; vista; zicht
omote gezicht; gelaat; aangezicht
顔付き kaotsuki (1) gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken; [veroud., form.] aanschijn; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; expressie
kao gezicht; gelaat; aangezicht; [veroud., form.] aanschijn; [inform.] bakkes
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.41 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'gezicht', strategie: exact). 
2005-2019