日蘭辭典+

8 resultaten voor ‘gras’
日蘭辭典 (trefwoord)
areru荒れる
i.w. (1) [荒廢する] vervallen; verlaten zijn; in verval zijn. (2) [暴れる] woest zijn; woeden; razen. (3) [粗雜] ruw worden; ruig worden. ¶ 草が生え茂る verwilderen; vol met onkruid zijn.
fumuふむ
(踏む) i.w. (1) [踏付ける] trappen op; t.w. (2) [評價] schatten. (3) [履む] vervullen; verrichten; i.w. voldoen aan. ¶ 芝生を踏むな trap niet op het gras. ¶ 私の踏んだでは naar mijn schatting. ¶ 約束を履む voldoen aan een belofte.
ogi
(オギ) riet o.
haeru生える
i.w. groeien; opkomen. ¶ 草の生えた庭 een tuin, begroeid met gras. ¶ 此は齒が生え掛かって居る dit kind krijgt tandjes.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gras>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
草叢 kusamura (1) gras; grasrijke plek; (2) grasrijke platteland; [Belg.N.] buiten; (3) [Barg.] schaamhaar; schaambeharing
kusa (1) gras; grasachtige plant; (2) kruid; geneeskrachtige plant; (3) onkruid
shiba (1) gras; gazon; graszode; zode; plag; plagge; (2) [plantk.] Zoysia japonica; (3) [mil.] bespieding vanuit het gras; (4) Shiba [=plaats in het oosten van Minato, Tokio]; (5) Shiba
芝生 shibafu gazon; [meton.] gras; grasperk; grasveld; grasmat; grasplein; [lit.t.] grastapijt; [uitdr., inform.] de groene deken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 4 treffers (zoekopdracht: 'gras', strategie: exact). 
2005-2020