日蘭辭典+

27 resultaten voor ‘groeien’
日蘭辭典 (trefwoord)
yasei野生
zn. wilde groei m. ¶ 野生の wild; in het wild groeiend. ¶ 野生動物 wilde dieren. ¶ 野生する in het wild groeien.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
futoru太る
i.w. (1) [肥る] dik worden. (2) [成長する] flink groeien. (3) [豐になる] rijk worden. ¶ 肥った dik. ¶ あの家の身代は近來大分太った die familie is in den laatsten tijd zeer vermogend geworden.
shigeru茂る
i.w. dichtbegroeid zijn; weelderig groeien.
seichō成長
zn. groei m. ¶ 成長する groeien; opgroeien.
haeru生える
i.w. groeien; opkomen. ¶ 草の生えた庭 een tuin, begroeid met gras. ¶ 此は齒が生え掛かって居る dit kind krijgt tandjes.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <groeien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
育つ sodatsu (1) opgroeien; groeien; groot; volwassen worden; wassen; tot wasdom komen; [veroud.] opwassen; (2) zich ontwikkelen; zich ontplooien; uitgroeien
増大する zoudaisuru doen toenemen; vergroten; groter maken; doen aangroeien; uitbreiden; vermeerderen; opvoeren; ; toenemen; groeien; aangroeien; aanwassen; stijgen; klimmen; oplopen; vermeerderen; groter worden
増加する zoukasuru toenemen; groeien; aangroeien; aanwassen; stijgen; klimmen; oplopen; aantikken; (zich) vermeerderen; groter worden
延びる nobiru (1) verlengd worden; geprolongeerd worden; uitgesteld worden; verdaagd worden; opgeschort worden; verschoven worden; verzet worden; (2) [m.b.t. de dagen enz.] lengen; [m.b.t. vergadering e.d.] uitlopen; langer duren; (3) zich uitstrekken [naar het noorden enz.]; reiken (tot); (4) vooruitgaan; beter worden; groeien; zich ontplooien; stijgen; toenemen; (5) zich (goed) laten uitsmeren; (goed) uitsmeren; (goed) smeren
伸びる nobiru (1) groeien; in lengte toenemen; rekken; strekken; [w.g.] uitrekken; (2) zich strekken; gestrekt raken; [van kreuken e.d.] vlak worden; glad worden; uitgestreken raken; (3) verslappen; verweken; murwen; (4) vooruitgaan; beter worden; groeien; zich ontplooien; stijgen; toenemen; (5) zich (goed) laten uitsmeren; (goed) uitsmeren; (goed) smeren; (6) uitgeteld raken; uitgevloerd raken; knock-out gaan; geradbraakt raken; uitgeput raken; afgesloofd raken; afgemat raken; de rek gaat eruit; bekaf raken; afgepeigerd raken; afgeknoedeld raken; murw raken; voor Pampus gaan liggen; tegen de vlakte gaan
出来る dekiru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voltooid worden; (2) gemaakt worden (van); vervaardigd worden (van); [m.b.t. gewassen] voortgebracht worden; [m.b.t. gerechten] op het menu staan; (3) zich ontplooien; groeien; (4) ontstaan; tot stand komen; zich vormen; opgericht worden; zich voordoen; (5) geboren worden; voortkomen; (6) kunnen; in staat zijn te; [form.] vermogen; mogelijk zijn; (7) goed zijn (in); knap zijn; onderlegd zijn; kundig zijn; capabel zijn; bedreven zijn; bekwaam zijn; [m.b.t. een taal] machtig zijn; (8) verkering krijgen; omgang krijgen; het aanleggen met
加える kuwaeru (1) [wisk.] optellen; bij elkaar tellen; (2) toevoegen; bijvoegen; (3) doen toenemen; meer laten worden; vermeerderen; verhogen; groeien; uitbreiden; (4) meerekenen; meetellen; incalculeren; (5) laten meedoen; laten deelnemen; (6) (een slag; schade; etc.) toedienen; (een belediging) naar het hoofd slingeren
加わる kuwawaru (1) toenemen; vermeerderen; groeien; aanwassen; groter worden; (2) deelnemen aan; participeren aan; zich voegen bij; meedoen met; zich aansluiten bij
生る naru (vrucht) dragen; (vruchten) voortbrengen; (vruchten) leveren; (vrucht) zetten; (in de vrucht) gaan staan; [m.b.t. fruit] groeien
成育する seiikusuru grootbrengen; opvoeden; [niet alg.] opbrengen; vormen; ontwikkelen; ; groeien; opgroeien; zich ontwikkelen
生育する seiikusuru grootbrengen; opvoeden; [niet alg.] opbrengen; ; (1) groeien; opgroeien; zich ontwikkelen; spruiten; (2) geboren en getogen zijn; grootgebracht zijn
成長する seichousuru (1) groeien; wassen; opgroeien; opschieten; opwassen; [veroud.] opgaan; (2) groeien; zich ontwikkelen; zich ontplooien
生長する seichousuru groeien; wassen; zich ontwikkelen; [veroud., m.b.t. vegetatie] opgaan
増す masu doen toenemen; aanwakkeren; verhogen; vergroten; vermeerderen; uitbreiden; opvoeren; opdrijven; ; (1) toenemen; groeien; aan [invloed, kracht enz.] winnen; meerderen; vermeerderen; aangroeien; stijgen; rijzen; [体重が] aankomen; (2) (nog) meer dan ~; boven ~ [in de constructie ~ ni mashite ~にまして of ~ ni mo mashite ~にもまして]
生える haeru (1) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; [arch.] opwassen; opkomen; ontstaan; [w.g.] ontgroeien; uitschieten; uitlopen; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [i.h.b.] begroeien; [i.h.b.] overgroeien; [i.h.b.] bedekken; (2) groeien; wassen; [van kiezen] doorkomen; [van tanden, baard enz.] krijgen
発育する hatsuikusuru groeien; zich ontwikkelen
発展する hattensuru (1) (zich) ontwikkelen; zich ontplooien; groeien; uitgroeien; expanderen; zich ontspinnen; [fig.] zich ontpoppen; (2) [uitdr.] de bloemetjes buitenzetten; het ervan nemen; aan de zwier gaan; aan de boemel gaan; aan de rol gaan; zwierbollen; pierewaaien; boemelen; rinkelrooien; zwieren; rollen; bambocheren
発達する hattatsusuru groeien; zich ontwikkelen; [i.h.b.] vooruitgaan; [i.h.b.] vorderen
殖える fueru (1) toenemen; aangroeien; groter worden; aanwassen; aanzwellen; meerderen; groeien; klimmen; stijgen; zich vermenigvuldigen; zich vermeerderen; zich opstapelen; oplopen; (2) zich voortplanten; zich vermenigvuldigen; zich reproduceren
増える fueru toenemen; aangroeien; groter worden; sterker worden; aanwassen; aanzwellen; [w.g.] aanzetten; aanwakkeren; meerderen; groeien; klimmen; stijgen; zich vermenigvuldigen; zich vermeerderen; zich opstapelen; zich uitbreiden; zich verheffen; oplopen; aantikken; incurreren; aantellen
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'groeien', strategie: exact). 
2005-2019