日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘hoogte’
日蘭辭典 (trefwoord)
areあれ
vnw. (1) [] hij (男); zij (女). (2) [事物] het; dat. ¶ あれzoo; zulk. ¶ 或程度迄 tot op zekere hoogte.
aru
(或る) sommig; zeker. ¶ 或程度迄 tot op zekere hoogte. ¶ 或日 op zekeren dag. ¶ 或人 sommige menschen; sommigen; iemand; zeker iemand.
akarui明るい
bn. (1) [明るい] licht; helder. ¶ に明るい goed op de hoogte van; bekwaam in. ¶ ......に明るい人 deskundige. (2) [潔白な] onschuldig.
akaruku明るく
bw. licht; helder; duidelijk. ¶ 明るくなる dagen (夜が明ける); (通曉する) op de hoogte komen van; bekwaam worden in. ¶ 明るくする licht maken. ¶ ランプを明るくする de lamp opdraaien.
yamayoi山醉
(山酔い) zn. hoogte ziekte v.
wataru渡る
t.w. (1) [越えて行く] overtrekken; oversteken. i.w. (2) [渡來する] ingevoerd worden. t.w. (3) [及ぶ] bereiken; i.w. zich uitstrekken. i.w. (4) [繼續] duren. (5) [通ずる] goed op de hoogte zijn van; zich thuisvoelen in. (6) [暮す] leven; t.w. doorbrengen. t.w. (7) [を] oversteken; doorwaden. ¶ 他人渡る in andere handen overgaan. ¶ 二時間に亙る twee uur duren. ¶ 河を渡る rivier oversteken. ¶ 支那から渡った品 een artikel, dat uit China komt.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hoogte>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ピッチpitchi (1) intensiteit; tempo; (2) [honkb.] worp; pitch; (3) [muz.] toonhoogte; hoogte; (4) regelmatige afstand; verhouding; [スクリューの] spoed; [歯車の] steek; (5) [bergsport] pitch [= afstand tussen twee zekeringspunten]; (6) [voetb.; hockey] terrein; sportterrein; veld; grasmat; (7) pek; (8) personal handyphone system; PHS
レベルreberu (1) niveau; peil; hoogte; plan; echelon; (2) horizontaal vlak; een waterpas vlak; (3) waterpas; waterpasinstrument
丘陵kyuuryou heuvel; hoogte; kop(je); boekit; [Ind.N.; soldatent.] tjot; [lit.t.; veroud.] kling
dai (1) hoog gebouw; toren; gebouw vanwaar men een mooi uitzicht heeft; belvedère; (2) [Jap.gesch.] censoraat; (3) [Chin.gesch.] ministerie; (4) plateau; plaat; blad; tafel; bank; onderstel; bed; onderstuk; verhoging; stellage; stander; standaard; statief; voetstuk; voet; steun; bok; schraag; ezel; sokkel; piëdestal; pedestal; basement; grondstuk; postament; platform; podium; optrede; estrade; [宝石の] montering; zetting; beslag; montuur; vatting; kas; (5) schenkblad; presenteerblad; dienblad; [meton.] etenswaar; maaltijd; (6) tableau van gerechten versierd met heilbrengende decoratie; (7) plat van geta waarop men loopt; (8) portier van een badhuis; badmeester; (9) draagbaar waarmee reizigers een rivier overgezet worden; (10) hoogvlakte; plateau; tafelland; hoogte; heuvel; (11) basis; grondslag; fundament; draagvlak; (12) [plantk.] onderstam (bij het enten); (13) kolf; handvat; (14) [scheepv.] langsligger; (15) [gokken] gespreide inzet; (16) [meetk.] afgeknotte piramide; kegel; (17) [meetk.] drager van een rechte; (18) [wisk.; functieleer] drager; (19) Dai [= hoogland op de Tōkaidō 東海道-route tussen Kanagawa 神奈川 en Hodogaya 程ケ谷]; (20) [maatwoord dat een vage leeftijds-; prijs- of tijdsaanduiding aangeeft] iets boven de …; tussen de … à …; iets meer dan …; een dikke …; in de …; [Belg.N.] kaap van …; (21) [maatwoord voor plateaus en meubelstukken]; (22) [maatwoord voor taarten en rond gebak]; (23) [maatwoord voor grote muziekinstrumenten]; (24) [maatwoord voor wagens; voertuigen; sleeën; liften]; (25) [maatwoord voor machines; apparaten; toestellen]; (26) [maatwoord voor gerechten in een kom; vaatwerk]; (27) [drukw.] [maatwoord voor katernen van 16 of 32 vellen]; (a) plateau; plaat; (b) basis; grondslag; (c) hoogvlakte; plateau; (d) hoogbouw; toren; (e) overheidsbureau; ministerie; hoge ambtenaar; (f) beleefdheidsterm voor de aangesprokene
天竺tenjiku (1) India; (2) hemel; (3) hoogte; top; (4) [verk.] soort ruwe katoenen stof van Indiase origine; (5) [prefix dat de uitlandse; niet-Japanse origine van het grondwoord aangeeft]; (6) te heet; te pikant
yama (1) berg; gebergte; beboste bergen; bergwoud; bergbos; [vliegert.] knots; (2) aardhoop; aardverhoging; terp; (kunstmatige) heuvel; ophoging; hoogte; [Mal.] boekit; (3) begraafplaats; kerkhof; tumulus; (keizerlijke) grafheuvel; grafterp; (4) mijn; kolenmijn; (5) hoop; stapel; tas; portie; [m.b.t. fruit] partij; [m.b.t. hooi] mijt; [m.b.t. steenslag] kits; [m.b.t. vlas] schelf; [m.b.t. slagroom] toef; zwelling (ten gevolge van een cauterisatiebehandeling); (6) top; bovendeel [bv. bol van een hoed; kop van een schroef; knop op een helm]; (7) hoogtepunt; climax; piek; uitschieter; spits; toppunt; apogeum; zenit; ontknoping [van een stuk]; apotheose; [m.b.t. vertoning] klapstuk; summum; culminatiepunt; keerpunt; uur van de waarheid; moment suprême; finest hour; momentum; beslissend ogenblik; het beste dat men kan doen; (8) wissel op de toekomst; speculatie; giswerk; gok [bv. op de gok blokken]; de sprong [wagen]; sprong in het duister; ongewisse; waagstuk; gissing; bluf; humbug; schijnvertoon; bombast; (9) hevigheid; intensiteit; ergheid; (10) massa; boel; bende; groot aantal; drom; menigte; (11) rots; toeverlaat; idool; voorbeeld; (12) praalwagen in de vorm van een berg; (13) valkuil om evers of herten te vangen; (14) lichtekooi; prostituee; (15) voorraadtekort [i.h.b. tekort aan levensmiddelen]; het uitverkocht zijn; het niet voorhanden zijn; (16) slangwoord voor "misdrijf"; (17) naam voor de Enryakuji 延暦寺 op de Hieizan 比叡山; [i.h.b.] de Hieizan; (18) [maatwoord voor bergen; en i.h.b. bergbossen en mijnen]; (19) [maatwoord voor een voorgeschotelde portie; stapeltje fruit enz.]; (a) berg-; wilde … [voorvoegsel aan een planten- of dierennaam dat aangeeft dat het de wilde variëteit of bergsoort van het grondwoord betreft]; (b) [schertsend; vrijwel betekenisloos achtervoegsel bij bepaalde werkwoorden en adjectieven; werd in de Edo-tijd onder bon-vivants gebruikt]
水準suijun (1) niveau; peil; standaard; hoogte; plan; [inform.] level; (2) waterpas
soku (a) peilen; de lengte; breedte; hoogte; diepte opnemen; (b) gissen; raden
程度teido (1) graad; mate; peil; hoogte; uitgebreidheid; omvang; niveau; standaard; stadium; (2) gepaste maat; juiste hoeveelheid; (3) ongeveer; in de orde van; zowat; zo'n; om en (na)bij
高さtakasa (1) hoogte; [muz.] toonhoogte; (2) [m.b.t. geluiden] sterkte; volume; (3) duurte; kostbaarheid
高原kougen plateau; tafelland; hoogland; hoogvlakte; hoogte
高台takadai hoogte; verhevenheid; heuvel; hoogland; plateau
高地kouchi hoogland; plateau; hoogte; heuvel; terreinverheffing; [Ind.N.] bovenland
高度koudo (1) hoogte; (2) sterkte; kracht; krachtigheid; intensiteit; (3) hoge mate; grote mate; hoog peil; (4) sterk; krachtig; intens; hevig; in hoge graad; in hoge mate; (5) geavanceerd; hoog ontwikkeld; gesofisticeerd; gesofistikeerd; (6) in hoge mate; in grote mate; in hoge graad; in een hoog peil
高所koushyo (1) hoogte; hoge plaats; verhevenheid; (2) [fig.] hoger plan; hoger niveau
taka (1) hoogte; omvang; grootte; aantal; hoeveelheid; (2) bedrag; som; (3) stijging; waardevermeerdering; (4) mate; niveau; (5) [Jap.gesch.] productieniveau; productiepeil; (6) afloop; einde; (7) hoog-
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.5 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'hoogte', strategie: exact). 
2005-2022