日蘭辭典+

48 resultaten voor ‘houden’
日蘭辭典 (trefwoord)
amari餘り
(余り) zn. (1) [以上] meerdere o.; overmaat v. (2) [殘餘] rest v.; restant v.; overschot o.; teveel o. (3) [差額] saldo o. ¶ 悲しさの餘り overmaat van smart. ¶ 四十餘り over de veertig. ¶ 食事の餘り overblijfselen van eten. ¶ 餘りはお前にやる je mag de rest houden. (俗) laat maar zitten. ¶ 餘りの resteerend; waardeloos.
ji-suru持する
t.w. houden; handhaven; in acht nemen. ¶ 固く持する pal staan. ¶ 五戒を持する de vijf geboden in acht nemen.
ai
zn. liefde v. ¶ 愛する liefhebben; houden van; gehecht zijn aan.
kodomo子供
zn. kind o.; jongen (男) m.; meisje (女) o. ¶ 子供の時 kinderjaren; kindsheid; prille jeugd. ¶ 子供らしい kinderachtig. ¶ 子供の如き kinderlijk. ¶ 子供を産む een kind krijgen; bevallen. ¶ 子供なき kinderloos. ¶ 子供だまし iets om kinderen zoet te houden; kinderachtig troostmiddel. ¶ 子供好き liefde voor kinderen.
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
yakusuru扼する
t.w. beheerschen; in bedwang houden; i.w. de baas zijn over; Noot: In modern Japans: 扼す
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
yashinau養ふ
(養う) t.w. (1) [養育] verzorgen; grootbrengen; opvoeden. (2) [給養] onderhouden; i.w. in het onderhoud voorzien van; den kost verdienen voor. t.w. (3) [飼ふ] houden. i.w. (4) [飼養] eten geven; t.w. voeden. t.w. (5) [精神を] kweeken; cultiveeren. ¶ 病を養ふ herstellen; voor zijn gezondheid zorg dragen.
suki
(好き) zn. behagen o.; smaak m.; liefhebber (人) m. ¶ 好き iemand, die veel van katten houdt. ¶ 好きな geneigd tot; houden; geliefd; -zuchtig. ¶ 戰爭好きな oorlogzuchtig. ¶ 好きな人 geliefde; iemand van wien men veel houdt. ¶ 好きな樣に zoals men wil; naar verkiezen. ¶ 好き不好きは人の勝手 over smaak valt niet te twisten. ¶ 好きになる zich aangetrokken voelen tot; gaan houden van. ¶ 讀書が好き veel van lezen houden.
sake
zn. sake (日本語) v.; drank m. ¶ に耽る aan den drank zijn. ¶ 臭い naar drank stinken. ¶ 好きである veel van een glaasje houden.
shitagau從ふ
(従う) i.w. (1) [降服] gehoorzamen. t.w. (2) [追隨] volgen; i.w. meegaan met. t.w.(3) [隨行] vergezellen. (4) [從事] uitoefenen. ¶ 規則に從ふ voorschriften opvolgen; zich houden aan de regels. ¶ 大勢に從ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 硏究從ふ onderzoek houden. ¶ の説に從へば volgens uwe meening. ¶ 決定に從ひます ik onderwerp me aan uwe beslissing.
kakae抱へ
zn. (1) [抱くこと] omhelzing v. (2) [雇入] dienst m.; emplooi o. ¶ 抱への in dienst. ¶ 抱主 baas; meester. ¶ 抱車 eigen rijtuig. ¶ 抱醫 lijfarts. ¶ 抱入れる in dienst nemen. ¶ 抱へる in de armen houden; onder den arm houden; omhelzen; in dienst hebben; houden.
kau飼ふ
(飼う) t.w. houden; kweeken; fokken. ¶ 飼ふ een kat houden. ¶ 飼ふ geiten fokken.
tashinamu嗜む
i.w. (1) [好む] houden van; smaak hebben voor; gevoel hebben voor. (2) [愼み] zich weten te beheerschen; zich beschaafd gedragen; bescheiden zijn; zedig zijn.
kokoroeru心得る
t.w. (1) [會得する] weten; begrijpen; inzien. i.w. (2) [と思ふ] beschouwen als; houden voor. ¶ 心得ました ik heb u begrepen; ik zal er voor zorgen.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
daku抱く

t.w. in de armen houden; omarmen; omhelzen; uitbroeden (を).

SUPPLEMENT (trefwoord)
aisuru愛する
¶ あなたが好きAnata ga suki yo ♀ Ik hou van je. 君が好きKimi ga suki da ♂ Ik hou van je. ¶ あなただけを愛してる Anata dake wo aishite'ru ♀ Alleen jou heb ik lief! Ik houd alleen van jou! ¶ 君だけを愛してる Kimi dake wo aishite'ru ♂ Alleen jou heb ik lief! ik houd alleen van jou! ¶ 他のも愛してない Hoka no dare mo aishite'nai Er is niemand anders die ik liefheb.
pittariぴったり
(1) zonder tussenruimte; strak; nauw; naadloos; hermetisch. ¶ 全部ぴったり閉まってたのにどうやってそのに入ったんだろうMado wa zenbu pittari shimatte ta no ni, dō yatte sono neko wa ie no naka ni haittan darō. Dat ondanks dat alle ramen potdicht waren die kat toch is binnengekomen. Ik vraag me af hoe. ¶ はぴったりしたジーンズが好きですWatashi wa pittarishita jīnzu ga suki desu. Ik houd van strakke spijkerbroeken. (yamasv) (2) precies; exact. ¶ 2つの指紋がぴったり一致した。つまりが殺人犯だ。 Futatsu no simon ga pittari itchishita. Tsumari kare ga satsujinhan da. De twee vingerafdrukken zijn een exacte match. Dat betekent dat hij de moordenaar is. ¶ 日本電車いつもぴったりの時間来るNihon no densha wa itsu mo pittari no jikan ni kuru. Treinen in Japan zijn altijd precies op tijd. (yamasv) (3) past; past goed bij; geschikt [voor, om]. ¶ この料理はこのワインにぴったりだ。 Kono Ryōri wa kono wain ni pittari da. Dit gerecht past goed bij deze wijn. ¶ 温泉はリラックスするのにぴったりの場所だ。 Onsen wa rirakkususuru no ni pittari no basho da. Hete (natuur)baden zijn heel geschikte plaatsen om te ontspannen. (yamasv) ¶ その帽子彼女にぴったりだ。 Sono bōshi wa kanojo ni pittari da. Die hoed [muts, pet] staat haar precies goed. ¶ ぴったり合うどうか、この新調のを着てみなさいPittari au ka dō ka, kono shinchō no fuku wo kite minasai. Probeer eens of dit nieuwe pak goed past. (TTC) (4) opeens; plotsklaps (stoppen).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <houden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
催す moyoosu (1) teweegbrengen; opwekken; wekken; prikkelen; zich … voelen; [便意を] aandrang hebben; voelen; (2) [会を] houden; geven; organiseren; beleggen; bijeenroepen; samenroepen; convoceren; ; aandrang hebben tot; [眠気が] een aanvechting hebben van; tot; zich manifesteren
乗る noru (1) stappen op; klimmen op; bestijgen; betreden; (2) instappen; instijgen; [de bus, tram enz.] nemen; [i.h.b.] aan boord gaan; [i.h.b.] embarkeren; [een paard enz.] berijden; [i.h.b.] rijden; [op de wind enz.] varen; drijven op; gedragen worden door; [van een stem enz.] dragen; (3) harmoniëren (met); overeenstemmen (met); (4) ergens op ingaan; aangaan; ergens in trappen; vallen voor; bezwijken voor; [fig.] aanbijten; (5) goed blijven zitten; pakken; houden; hechten
付ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) 10. [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
営む itonamu (1) beoefenen; uitoefenen; praktiseren; werken als; aan ~ doen; runnen; drijven; exploiteren; draaiende houden; (2) leiden; houden; verzorgen; (3) optrekken; bouwen; doen verrijzen
保有する hoyuusuru bezitten; in bezit hebben; houden; behouden
保存する hozonsuru bewaren; conserveren; in stand houden; houden; behouden; verduurzamen; onderhouden; [comp.] opslaan; saven
主催する shusaisuru organiseren; houden; op touw zetten; als gastheer optreden
所有する shoyuusuru hebben; bezitten; in bezit hebben; in bezit zijn van; beschikken over; houden; in handen hebben; in eigendom hebben; eigenaar zijn van
実施する jisshisuru ten uitvoer brengen; leggen; uitvoeren; tot uitvoering brengen; implementeren; effectueren; in werking doen treden; van kracht doen worden; toepassen; uitoefenen; doorvoeren; [m.b.t. een evenement] houden
拘禁する koukinsuru arresteren; in arrest nemen; in arrest stellen; in hechtenis nemen; houden; in verzekerde bewaring nemen; stellen; aanhouden; vasthouden; opsluiten
留まる tomaru (1) op zijn plaats blijven; vast blijven zitten; houden; (2) [m.b.t. vogels]) roesten; zich ophouden; pleisteren; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten; (3) blijven; verblijven; doorbrengen; (4) [i.c.m. 目に] opgemerkt blijven; [i.c.m. 心に] in het geheugen gegrift staan
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
黙る damaru (1) zwijgen; niets zeggen; niet spreken; stilzwijgen; z'n mond (dicht) houden; geen kik geven; stilvallen; verstommen; tot zwijgen komen; (2) stilzwijgend berusten; zich neerleggen bij; zich iets laten aanleunen; lijdelijk ondergaan; zich laten welgevallen; over zijn kant laten gaan
畳む tatamu (1) opvouwen; vouwen; samenvouwen; opklappen; [i.c.m. 旗; 帆を] opdoeken; [i.c.m. 旗; 帆を] bergen; [i.c.m. 扇; 翼を] dichtvouwen; [i.c.m. テントを] opbreken; [i.c.m. 本を] sluiten; [i.c.m. 本を] dichtdoen; [i.c.m. 石; 煉瓦 enz.] opstapelen; (2) opdoeken; opheffen; voorgoed sluiten; [uitdr.] zijn matten oprollen; er een einde aan maken; [een zaak enz.] aan de kant doen; zetten; stopzetten; liquideren; (3) [in zijn hart enz.] wegsluiten; [in gedachten enz.] houden; niet uiten; oppotten; [oneig.] opkroppen; (4) afmaken; van kant maken; uit de weg ruimen; opruimen; liquideren; [Barg.] mollen
保つ tamotsu handhaven; behouden; bewaren; houden; aanhouden; onderhouden; ophouden; in stand houden; intact houden
守る mamoru (1) zich houden aan; [約束を] houden; vasthouden aan [節操を]; handhaven; staande houden; [名誉を] ophouden; hooghouden; gestand doen; trouw blijven aan; in acht nemen; nakomen; betrachten; naleven; eerbiedigen; [規則を] observeren; [言い付けを] opvolgen; (2) verdedigen; beschermen; hoeden; behoeden; beschutten; bewaren; behouden; vrijwaren; protegeren; defenderen; bewaken; beveiligen; (3) [sportt.] dekken; [i.h.b. bij honkbal] verdedigen
貯蔵する chozousuru sparen; bewaren; opslaan; conserveren; verduurzamen; inslaan; aanleggen; [m.b.t. geld] wegleggen; opzijleggen; opzijzetten; wegzetten; een voorraad ~ aanleggen; potten; hamsteren; bufferen; (een voorraadje ~) kweken; (in reserve) houden; opsparen; oppotten
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen, oren, mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd, plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; ; versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
打つ; 撃つ; 撲つ butsu (1) slaan; meppen; een klap geven; (2) [toespraken enz.] houden; afsteken
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond, in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van ~ hebben
行う okonau (1) doen; handelen; aanvangen; (2) zich gedragen; (3) uitvoeren; volbrengen; tot uitvoering brengen; toepassen; implementeren; verwezenlijken; effectueren; (4) [取り締まりを] uitoefenen; [法律を] opleggen; in werking stellen; doen uitvoeren; [研究を] voeren; leiden; bedrijven; (5) [会議; 葬式; 祭りを] houden; [儀式を] uitvoeren; opvoeren; vieren; celebreren; voltrekken
置く oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) 10. aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) 11. [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) 12. een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) 13. verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) 14. [m.b.t. een laagje goud, zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) 15. [m.b.t. dauw, rijp, rijm, nachtvorst etc.] zich vormen; (16) 16. iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) 17. stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft, een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen, eigendom, documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) 10. plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
開く hiraku (1) zich openen; opengaan; zich ontsluiten; (2) [van bloemen] ontluiken; openbloeien; [lit.t.] opluiken; (3) 10. [van vergaderingen e.d.] uiteengaan; (4) 11. [van aantallen, afstanden e.d.] uiteen gaan liggen; uiteenlopen; (zich) verwijden; ; (1) openen; opendoen; openmaken; vrijmaken; openstellen; [i.h.b.] stichten; oprichten; starten; beginnen; [van recepties, bijeenkomsten e.d.] houden; [een fuif e.d.] geven; (2) openvouwen; ontvouwen; uitpakken; (3) imikotoba voor "breken"; (4) [wisk.] de wortel trekken [uit een getal]; (5) ontsluiten; in cultuur brengen; in exploitatie brengen; ontwikkelen; beschaven; [道を] banen; (6) bevatten; met het verstand omvatten; (7) [drukk.] kanji in hiragana omzetten
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) 10. overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) 11. ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) 12. klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) 13. [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) 14. [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) 15. [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) 16. verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) 17. [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) 18. aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) 19. [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) 20. frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) 21. [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
挙げる ageru (1) houden; organizeren; (2) geven; vinden; opsommen; noemen; aanhalen; (3) [腕を] opsteken; [頭を] oprichten; (4) [委員に] benoemen; aanstellen; (5) verenigen; samenbrengen; verenen
預かる azukaru (1) bewaren; houden; in bewaring nemen; in deposito nemen; in depot nemen; zorgen voor; zorg dragen voor; verzorgen; onder z'n hoede nemen; passen op; oppassen; letten; verantwoordelijk zijn voor; opvangen; [子供を] in de kost nemen; (2) beheren; het beheer voeren over; leiden; voeren; toezicht hebben op; (3) [けんかを] bemiddelen; intermediëren; settelen; afwikkelen; (4) inhouden; voor zich houden; nog niet bekendmaken; achterwege laten; [コメントを] zich onthouden van; nalaten; wachten met; opschorten; ervan afzien; (5) [sumō-jargon] [勝負を] onbeslist laten; (6) niet terugtrakteren; (7) renteloos lenen; (8) huren; pachten; in pacht nemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 19 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'houden', strategie: exact). 
2005-2019