日蘭辭典+

14 resultaten voor ‘instorten’
日蘭辭典 (trefwoord)
atomodori後戾
(後戻り) zn. (1) [後退] achteruitgang m. (2) [病氣が] instorting v. ¶ 後戾りする teruggaan; achteruitgaan; terugtrekken. (病氣が) instorten; erger worden.
yamikaeshi病返し
(病み返し) zn. instorting v. ¶ 病返す instorten; wederom erger ziek worden.
kuzure
(崩れ) zn. instorting v.; ineenstorting v. ¶ 崖崩れ aardstorting. ¶ 崩れる ineenstorten; instorten; uit elkaar vallen; in stukken vallen; misvormd zijn. ¶ 笑ひ崩れる in lachen uitbarsten.
hatan破綻

zn. (1) [破壞] afbraak v.; instorting v.; verval o. (2) [破產] bankroet o.; faillissement o. ¶ 破綻する (破產) bankroet gaan; failleeren; (破壞) afbreken; vervallen; instorten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <instorten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
潰れる tsubureru (1) bezwijken; het begeven; in(een)storten; vermorzeld raken; verpletterd raken; platgedrukt raken; [m.b.t. blaren, steenpuisten enz.] barsten; (2) [m.b.t. plannen] mislukken; in duigen vallen; [m.b.t. bedrijven] ten onder gaan; te gronde gaan; teloorgaan; verloren gaan; naar de maan gaan; [i.h.b.] failliet gaan; failleren; bankroet gaan; crashen; [fig.] springen; [fig.] buitelen; [fig.] eronderdoor gaan; [uitdr.] op de fles gaan; [fig.] over de kop gaan; [fig.] de deuren sluiten; (3) [m.b.t. (gebruiks)voorwerpen] (af)slijten; versleten raken; [i.c.m. 声が] z'n stem kwijtraken; (4) [m.b.t. iets nuttigs] verloren gaan (aan); verspild worden; verkwanseld worden; verkwist worden; vermorst worden; (5) [emotioneel] instorten; in elkaar klappen; inklappen; van de kaart raken; (6) [door dronkenschap] buiten westen raken; voor lijk gaan liggen; uitgeteld raken; (7) [i.c.m. 顔が] gezichtsverlies lijden; afgaan
崩れる kuzureru (1) afbrokkelen; verbrokkelen; uit elkaar vallen; afkalven; stukbreken; doorbreken; instorten; ineenstorten; invallen; ineenvallen; inzakken; ineenzakken; in elkaar zakken; het begeven; bezwijken; het niet houden; te gronde gaan; [腫物が] doorbreken; openbreken; [核が] collaberen; (2) [人垣が] uiteengaan; uiteenvallen; zich ontbinden; [陣形が] uit het gelid gaan; in de war raken; in wanorde raken; z'n vorm verliezen; uit vorm raken; [軍隊が] uiteengeslagen worden; [姿勢; 態度が] verslappen; zich ontspannen; [信頼関係が] verstoord raken; [決心が] wankelen; [自制が] z'n beheersing verliezen; [同盟の一角が] destabiliseren; fragmenteren; (3) [天気が] omslaan; verslechteren; (4) [円札が] kleingemaakt kunnen worden; in pasmunt; tegen kleingeld ingewisseld kunnen worden; (5) [beurst.] [相場が] crashen; [値が] kelderen; ineenstorten; instorten
崩れ落ちる kuzureochiru (1) instorten; invallen; inzakken; bezwijken; (2) [馬; 車から] slordig afstijgen; (3) [権威; 信用が] eroderen; verloren gaan; te gronde gaan
砕ける kudakeru (1) breken; kapotgaan; uit elkaar vallen; instorten; afbrokkelen; (2) ontwricht raken; gedemoraliseerd raken; moedeloos raken; ontmoedigd raken; de moed verliezen; (3) informeel worden; familiair worden; inschikkelijk worden; beminnelijk worden; minzaam worden
没落する botsurakusuru ineenstorten; vallen; ten onder gaan; ondergaan; instorten; te gronde gaan; in verval raken; naar de bliksem gaan; [uitdr.] naar Kapitein Jas gaan; [fig.] schipbreuk lijden
崩壊する houkaisuru (1) instorten; ineenstorten; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; ineenvallen; invallen; afbrokkelen; collaberen; [fig.] ten val komen; (2) uit elkaar vallen; [natuurk.] desintegreren; uiteenvallen
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform., scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form., w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten; (4) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
破れる; 敗れる yabureru (1) scheuren; openrijten; rijten; aan flarden gaan; rafelen; doorscheuren; (2) breken [bv. glas]; barsten; springen [bv. ballon]; verslijten [bv. schoenen]; slijten; begeven; ineenstorten [bv. land]; instorten; uiteenvallen; in elkaar storten; kapotgaan; stukgaan; collaberen; (3) [m.b.t. onderhandelingen] afspringen; afketsen; aan scherven liggen [bv. droom]; verstoord worden [bv. evenwicht]; teloorgaan; verloren gaan; (4) bedrogen uitkomen; mislukken [in de liefde]; teleurgesteld worden; [in zijn verwachtingen] beschaamd worden; gedwarsboomd worden; gefrustreerd worden; (5) [een wedstrijd] verliezen; het onderspit delven; bezwijken; (6) gewond zijn; verwond zijn; geblesseerd zijn; gekrenkt zijn; gekwetst zijn; gegriefd zijn; ontredderd zijn
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon, maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen, druppelen, in druppels neervallen, druipen; (9) vluchten; ontvluchten; de vlucht nemen; het hazenpad kiezen; de plaat poetsen; de benen nemen; er vandoor gaan; op de loop gaan; (10) 10. terugvallen; achteruitgaan; een neerwaartse trend vertonen; een dalende trend vertonen; naar een ongunstige positie afzakken; (11) 11. inferieur zijn; achterstaan bij; niet zo goed zijn als; minder zijn dan; niet kunnen tippen aan; (12) 12. [m.b.t. wind) luwen, gaan liggen, bedaren, kalmer worden, verzachten; (13) 13. [m.b.t. rivier, stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) 14. [m.b.t. bliksem) inslaan, treffen; (15) 15. [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) 16. flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
がた落ちする gataochisuru scherp; fors dalen; plotseling duiken; pijlsnel vallen; steil neerschieten; kelderen; instorten; crashen; zakken als een baksteen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.45 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'instorten', strategie: exact). 
2005-2020