日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘jongen’
日蘭辭典 (trefwoord)
kodomo子供
zn. kind o.; jongen (男) m.; meisje (女) o. ¶ 子供の時 kinderjaren; kindsheid; prille jeugd. ¶ 子供らしい kinderachtig. ¶ 子供の如き kinderlijk. ¶ 子供を産む een kind krijgen; bevallen. ¶ 子供なき kinderloos. ¶ 子供だまし iets om kinderen zoet te houden; kinderachtig troostmiddel. ¶ 子供好き liefde voor kinderen.
otoko
zn. (1) [子] man m.; volwassen man (大人) m. (下僕) bediende m.; knecht m.; mannelijkheid (子の意氣) v. (2) [情夫] minnaar m. ¶ の mannelijk. ¶ 盛り bloei van de mannelijke kracht; kracht van het leven. ¶ になる (が) climacterische leeftijd bereiken. ¶ 今度赤ちゃんですかですか is het een jongen of een meisje? ¶ 知らず maagdelijk.
musuko息子
zn. zoon m.; jongen m.
zn. tempeltje o,; (坊ちゃん) jongetje o.; ventje o. ¶ うちの坊 mijn zoontje.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <jongen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
あんこanko (1) [sumojargon] dikbuikige sumoworstelaar; (2) dochter; meisje; (3) jongen; jongeman
ボイboi (1) jongen; joch; knaap; knul; boy; (2) kelner; ober; bediende; commis; bode; booi; boy; jongmaatje; [i.h.b.] piccolo; hoteljongen; groom; kruier; [Barg.] wout
ボーイbooi (1) jongen; joch; knaap; knul; boy; (2) kelner; ober; bediende; commis; bode; booi; boy; jongmaatje; [i.h.b.] piccolo; hoteljongen; groom; kruier; [Barg.] wout
segare (1) zoon; jongen; (2) mijn zoon
其奴soitsu (1) die gozer; kerel; vent; jongen; knul; hij; (2) die meid; zij; (3) die daar; dat daar; dat
坊ちゃん; 坊っちゃんbotchan (1) (uw; jouw enz.) zoontje; jongeman; jongen; kereltje; jochie; ventje; ventje-lief; (2) broekje; groentje; melkmuil; snotjongen
坊やbouya (1) jongen; knaap; kereltje; jongetje; jochie; baasje; ventje; broekie; piepeltje; mannetje; joch; kid; (2) onervaren jongeman; broekje; groentje; melkmuil; beginneling; snotjongen; [fig.] piepkuiken
坊主bouzu (1) [boeddh.] boeddhistische priester; monnik; bonze; (2) geschoren kruin; (3) [als aanspreekvorm] jongen; jochie; joch; knul; jongetje; ventje; kereltje; mannetje; jongeman; jong
bon (1) [boeddh.] bonze; geestelijke; (2) jongen; kereltje; jongetje; mannetje; jochie; baasje; ventje; knaap; broekie; piepeltje; joch; jonkske; kid
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
子供kodomo (1) kind; jongen; meisje; [meton.] jonge harten; (2) baby; zuigeling; (3) nakomeling; zoon; dochter; kroost; afstammeling
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat; één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara; Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
少年shyounen (1) jongen; knaap; jongeling; jong; knul; [inform.] joch; (2) minderjarige; [attr.] jeugd-; [attr.] kind(er)-
幼年younen (1) jonge; vroege leeftijd; kinderjaren; kindertijd; kinderleeftijd; kindsheid; jeugd; [男性の] jongenstijd; jongensjaren; [女性の] meisjesjaren; (2) kind; [男性の] jongen; [女性の] meisje
御坊さんobousan (1) [als aanspreekvorm] eerwaarde; weleerwaarde heer; mijnheer de bonze; (2) [als aanspreekvorm] jongeman; jongen; jongetje; kereltje; jochie; ventje; mannetje; ventje-lief; knul; (3) broekje; groentje; melkmuil; snotjongen
息子 ; 息musuko zoon; jongen
生む ; 産むumu (1) [赤ちゃんを] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; krijgen; bevallen van; [動物が子供を] jongen; werpen; [牛; 象; 鯨が子を] afkalven; [卵を] leggen; (2) voortbrengen; produceren; scheppen; doen bestaan; opleveren; opbrengen; teweegbrengen; in het leven roepen; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; [lit.t.] tot aanzijn roepen; [疑惑を] wekken; [利子を] geven; dragen
男の子otokonoko jongen; mannelijk kind; mannelijke baby
男児danji (1) jongen; [arch.] knaap; (2) zoon (als vertegenwoordiger van een natie of streek)
男子danshi (1) jongen; knaap; (2) man; [mv.; opschrift enz.] heren
iro (1) kleur; (2) verf; kleur; kleurstof; pigment; (3) gelaatskleur; gelaatsuitdrukking; voorkomen; uiterlijk; look; houding; (4) liefde; liefdesaffaire; romance; liefdesavontuur; idylle; (5) wellust; lust; vleselijk verlangen; seksuele begeerte; sexuele passie; zinnelijk plezier; sensueel genot; (6) liefje; vrijer; meisje; jongen; liefste; geliefde; minnaar; minnares; maîtresse; (7) schoonheid; beminnelijkheid; schattigheid; vrouwelijke charmes; aantrekkelijkheid; (8) verfraaiing; versiering; decoratie; ornament; opschik; tooi; (9) soort; aard; type; klasse; (10) [maatwoord voor kleuren]
若子wakugo jongen; jongeling; jongeman; jongeheer
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.72 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'jongen', strategie: exact). 
2005-2022