日蘭辭典+

32 resultaten voor ‘kant’
日蘭辭典 (trefwoord)
achira彼方
(あちら) bw. ginds; daar; aan den anderen kant. ¶ 彼方の dat; gindsch; gene. ¶ 彼方を向け kijk den anderen kant uit. ¶ 彼方に行け maak, dat je weg komt.
hōmen方面
zn. (1) [方向、側] richting v.; zijde v.; kant m. (2) [見地] oogpunt o. ¶ 各方面より van alle kanten. ¶ 問題のすべての方面硏究する een kwestie van alle zijden bezien. ¶ 東京方面へ in de richting van Tokyo. ¶ 教育方面より見れば uit een opvoedkundig oogpunt. ¶ 此の方面は不案内でず ik ben in deze buurt niet bekend.
mukō
(向こう、向う) zn. (1) [向側] overzijde v.; overkant m. (2) [先方] de andere partij v. ¶ 向うを張る den strijd opnemen. ¶ 向うを張って in oppositie tegen. ¶ 向う一年間 voor het eerstvolgende jaar. ¶ 向うの gindsch; aan de overzijde. ¶ 向うに ginds; aan den overkant; daar. ¶ 海の向うに aan gene zijde van den oceaan.
kochira此方
(こちら) zn. (1) [此處] deze plaats v. (2) [此方] deze kant m. vnw. (3) [これ] dit. zn. (4) [當方] onze kant m.; vnw. wij.
gyaku
bn. (1) [反對] tegengesteld; omgekeerd. (2) [叛逆] oproerig. ¶ 逆壓 tegen-druk. ¶ 逆潮 tegenstroom. ¶ 逆動する achteruitgaan. ¶ 逆緣 ongeluk; noodlot; omgekeerde volgorde van overlijden; dood van de kinderenvoor de ouders. ¶ 逆風 tegenwind. ¶ 逆擊 tegenaanval. ¶ 逆比 omgekeerdereden. ¶ 逆比例の omgekeerd evenredig. ¶ 逆意 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆上 stijgen van bloed naar de hersenen; duizeligheid (眩暈). ¶ 逆上する gek worden. ¶ 逆戾りする teruggaan. ¶ 逆に in tegengestelde richting; den anderen kant uit; verkeerd. ¶ 逆流 tegenstroom. ¶ 逆算する terugrekenen. 逆説 paradox. ¶ 逆心 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆臣 verrader. ¶ 逆進 achterwaartsche beweging; achteruitgaan. ¶ 逆襲 tegenaanval. ¶ 逆提供 contra-offerte. ¶ 逆轉 omzetting. ¶ 逆轉する terugdraaien; omzetten. ¶ 逆徒 verrader. ¶ 逆睹 voorspelling. ¶ 逆運 tegenspoed; tegenslag; ongeluk. ¶ 逆運動 teruggang; acherwaartsche beweging. ¶ 逆産 omgekeerde geboorte; geboorte met de voeten vooruit.
ichimen一面
zn. (1) [一方] een zijde v. (2) [一帶] de geheele oppervlakte v. ¶ 新聞一面 de eerste bladzijde van een courant. ¶ 一面識ある oppervlakkig kennen; een enkele maal ontmoet hebben.
haji
zn. rand m. kant m.
fuchi
(縁) zn. (1) [] kant m. rand (、際、崖) m. (2) [額、枠] lijst v. ¶ 一枚の boordevol. ¶ 附ける in een lijst zetten. ¶ 頁の marge; kantlijn.
izure何れ
vnw. (1) [どちら] welk. bw. (2) [何れにせよ] in elk geval; hoe het zij; vroeg of laat (早晚). ¶ 何れか een van beide. ¶ 孰れも beide; allebei. ¶ 孰れも……せず geen van beide. ¶ 何れか een dezer dagen. ¶ 何れ方面より見るも van welken kant wij het ook bezien......
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kant>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
soba (1) zijde; zij; kant; flank; langs …; (2) nabijheid; buurt; naast …; bij …; aan …; nabij …; nabijgelegen …; dichtbij …; dichtbijgelegen …; naburig …; (3) [RTK~から] zodra (als); meteen (toen; als)
側面 sokumen (1) zijde; zij; kant; zijkant; flank; (2) aspect
手前の temaeno de; het ~ ervoor; de; het ~ aan deze zijde; kant
te 22. [maatwoord voor shogi-; schaakzetten]; ; (1) 16. hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (2) 17. hand-; meeneem-; (3) 18. [~keiyōshi; keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; ; (1) 19. in de richting van …; -waarts; (2) 20. [noemt een zekere kwaliteit]; (3) 21. [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; ; (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) 10. [将棋の] zet; (11) 11. [トランプの] hand; kaarten; (12) 12. richting; kant; zijde; (13) 13. soort; slag; merk; (14) 14. vaardigheid; bekwaamheid; (15) 15. betrekking; band
インスタント insutanto kant-en-klaar; panklaar; ; instant-
方面 houmen (1) richting; streek; [ter] hoogte [van]; [in de] buurt [van]; ~ en daaromtrent; ~ en omgeving; ~ en omstreken; (2) gebied; terrein; vlak; facet; domein; kring; kant; aspect
hou (1) richting; kant; zijde; ~ heen; -waarts; [mijner-, jouwer-, enz] -zijds; (2) vlak; (competentie)gebied; terrein; domein; (3) veeleer ~; aan de ~ kant; eerder ~ (dan ~); wat beter; verkieslijker enz. is [verwijst vaak naar het voorkeursalternatief]; (4) kwadraat; tweede macht; vierkant; (5) methode; manier; wijze
waki (1) zijde; zij; zijkant; flank; (onder de) oksel; (2) zijde; kant; (3) [nō-jargon] bijrol; bijfiguur; deuteragonist; waki; (4) tweede strofe in een Japans kettinggedicht (renga 連歌)
mimi (1) oor; [Barg.] lap; (2) gehoor; het horen; het luisteren; (3) kant; snede
tokoro (1) 11. [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (2) 12. een kwestie van …; in de orde van …; (3) 13. dat wat …; datgene wat …; (4) 14. waaraan; waarover; (5) 15. toen …; wanneer …; ; (1) [maatwoord voor plekken, stuks e.d.]; (2) 10. [maatwoord voor godheden, edellieden e.d.]; ; (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い; 強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid
地方 chihou (1) landstreek; gewest; gebied; regio; arrondissement; streek; kant; (2) platteland; provincie; regio; periferie; plaatselijk ~ [tgov. de stad, het centrum]
サイド saido (1) kant; zijde; zij; (2) [sportt.] ploeg; team; ; bij-; neven-
既製服 kiseifuku confectiekledingstuk; confectiekleding; confectie; kant-en-klare; pasklare kleding; ± prêt-à-porter
レース reesu [maatwoord voor races]; ; (1) kant; (2) draaibank; draaimachine; (3) race; wedren; wedloop; koers; ren(nen)
men [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels, luiten, suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]; ; (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst., fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg., volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen, sport: kendō, honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]
hashi 11. […~に] terwijl; en daarnaast; ; (1) uiteinde; einde; tip; staart; (2) rand; kant; boord; zoom; marge; grens; uithoek; hoek; [gew.] uitkant; (3) eindje; fragment; stukje; (4) flard; gedeelte; (5) begin; eerste; (6) [bouwk.] buitenkant; buitenzijde; voor; voorgedeelte; [i.h.b.] straatzijde; straatkant; (7) aanhef; voorwoord; voorbericht; inleiding; (8) aanvang; start; begin; (9) bescheiden positie; status; (10) 10. lagere prostituee
hashi (1) uiteinde; tip; top; punt; spits; eind; (2) kant; boord; rand; zoom; uithoek; uiterste; buitenrand; buitenkant; grens; (3) stukje; flard; snipper; splinter
フェイス feisu (1) gezicht; aangezicht; gelaat; (2) coupure; (3) [bergsport] steile wand; helling; kant; (4) [golf] clubface; vlak dat de bal raakt; (5) Faith; Face
fuchi rand; boord; zoom; kant; randje; zijkant; buitenkant; bovenrand; [i.h.b.] oever; [i.h.b.] montuur; [fig., lit.t.] trans
傍ら katawara naast; buiten; behalve; daarnaast; daarbuiten; [gew.] nevens; [gew.] neffens; ; zijde; zij; kant; zijkant
kawa (1) zijde; zij; kant; rij; (2) [時計の] kast; omhulsel
gawa (1) kant; zijde; zij; (2) partij; iems. aanhang; (3) [m.b.t. horloge] kast; omhulsel
美点 biten goede eigenschap; kant; hoedanigheid; sterk punt; verdienste; merite; pluspunt; deugd; charme; het schone
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.88 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'kant', strategie: exact). 
2005-2019