日蘭辭典+

68 resultaten voor ‘karakter’
日蘭辭典 (trefwoord)
kanji漢字
(漢字) zn. Chineesch karakter o.; Chineesch schrift o.
akushin惡心
ateji當字
(当字・当て字・宛字・宛て字) zn. homoniem v.; willekeurig karakter gebruikt om een bepaalden klank uit te drukken, onafhankelijk van de werkelijke beteekenis.
hito
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ een zekere Ito. ¶ de ouden. ¶ 好き好き ieder zijn smaak. ¶ 惡い iemand met onaangenaam karakter. ¶ なる een man worden; volwassen zijn. ¶ と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 中で in het publiek. ¶ がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
jitai字體
(字体) zn. vorm van een karakter; lettervorm m.; schriftstijl m.; schrift o.
ki
(気) zn. (1) [力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [質] karakter o. (3) [分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸] damp m.; uitwaseming v.(9) [香] smaak m.; geur m. (10) [精] ether m. ¶ がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ がさす ongerust zijn. ¶ が狂ふ gek worden. ¶ が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ が長い geduldig. ¶ が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ が詰まる benauwd zijn. が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ が進まぬ geen zin hebben. ¶ が立って居る opgewonden zijn.¶ が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ に病む ongerust zijn. ¶ ....... するになる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ に障る hinderen; ergeren. ¶ の強い stoutmoedig; dapper. ¶ の弱い slap. ¶ の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ のない zouteloos; laf. ¶ の小さい kleinmoedig.¶ の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ の早い driftig; opvliegend. ¶ の好い goedhartig. ¶ の利いた behendig; knap. ¶ 變り易い wispelturig. ¶ を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ を勵ます moedvatten. ¶ を晴らす zich ontspannen. ¶ を養ふ geest voedenを失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ を探る polsen. ¶ を變へる van opinie veranderen. ¶ を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ を長くする geduld oefenen. ¶ を拔く verslappen. ¶ を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人のを惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ を利かせる een wenk begrijpen. ¶ を廻す achterdocht koesteren. ¶ を附ける goed opletten; oppassen. ¶ を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何のもなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとでがついた later viel mij in ....... . ¶ が濟んだ het is mij een pak van het hart.
seikō性向
zn. neiging v.; geneigdheid v.; aard m.; karakter v.
soshitsu素質
zn. aard m.; natuur v.; neiging
tachi
zn. (1) [品質] kwaliteit v.; hoedanigheid v. (2) [性質] aard m.; natuur v.; karakter o. (3) [體質] gestel o. ¶ 質の惡い kwaadaardig (性質); minderwaardig (品質).
seishitsu性質
zn. aard m.; neiging v.; karakter o.; natuur v. ¶ ……の性質van nature; naar zijnen aard.
kuzusu崩す
t.w. (1) [破壞する] vernielen; verwoesten; verpletteren. (2) [簡略] vereenvoudigen. (3) [兩替] klein maken; wisselen. ¶ を崩す een huis omverhalen. ¶ 百圓札を崩す honderd yen wisselen. ¶ を崩す karakter in eenvoudiger vorm schrijven. ¶ 行を崩す zich losbandig gedragen.
ji

zn. letter v.; karakter o.; woord () o. ¶ うまい een schoonschrijver; iemand met een mooie hand. ¶ が讀めない ik kan niet lezen. ¶ 之は何と云ふですか hoe spreek je dit karakter uit?

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <karakter>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
こくkoku body; karakter; kracht; pit; [ワインの] corps
エスプリesupuri (1) geest; ziel; karakter; wezen; essentie; (2) esprit; geestigheid; gevatheid; (3) ESPRIT ['E'uropean 'S'trategic 'P'rogramme for 'R'esearch and Development in 'I'nformation 'T'echnology]
キャラクターkyarakutaa (1) karakter; aard; inborst; natuur gemoed; (2) [物語; 映画; 漫画の] personage; figuur; rol; [ton.] karakter
パーソナリティpaasonariti (1) persoonlijkheid; personaliteit; individualiteit; eigenheid; (2) [psych.] persoonlijkheid; karakter; inborst; (3) personality; personaliteit; bekende figuur; beroemdheid
人柄hitogara persoonlijkheid; karakter; inborst; aard; natuur
人物jinbutsu (1) figuur; persoon; individu; personage; sujet; (2) persoonlijkheid; personaliteit; karakter; (3) sterke persoonlijkheid; man van karakter; grote geest; figuur; bekwaam iemand; natuurtalent
人間ningen (1) mens; persoon; menselijk wezen; sterveling; de mensen; volk; het mensdom; de mensheid; het mensengeslacht; het menselijk geslacht; [gez.] aarden vat; [min.] stuk vlees; (2) persoonlijkheid; aard; karakter; kaliber; natuur
人骨jinkotsu (1) mensenbeen; mensenbot; mensenskelet; mensengeraamte; (2) persoonlijkheid; karakter; kaliber
人 ; ヒトhito (1) mens; Homo sapiens; (2) persoon; mens; ziel; sterveling; [oorspr.bijb.] mensenkind; [oneig.] man; [oneig.] vrouw; figuur; individu; type; iemand; (3) karakter; inborst; aard; persoonlijkheid; [i.h.b.] talent; (4) de mensen; hij of zij; iemand anders; de andere; men; je
味わいajiwai (1) smaak; (2) [fig.] smaak; karakter; charme
aji (1) smaak; (2) charme; karakter; flair; jeu; (3) ervaring; ondervinding; nagevoel; genot; (4) [beurst.] stemming; (5) [囲碁; 将棋で] effect; (6) chic; fris; blits; vlot; hip; koket; (7) slim; gevat; geestig; (8) vreemd; curieus; apart; bizar; (9) [maatwoord voor smaken]
ji (1) grond; aarde; bodem; (2) streek; land; (3) basis; fundering; grondslag; (4) natuurlijke huid; (5) ondergrond; grondlaag; fond; veld; (6) stof; weefsel; textiel; (7) aard; karakter; (8) grondtekst; (9) werkelijkheid; realiteit; feit; (10) [go] ingenomen gebied; (11) muzikale begeleiding bij Japanse dans; (12) [Jap.muz.] motief; (13) [shamisen-muz.] grondtoon; (14) [nō-theater] koorgezang; koorzang; koorlied; koorstuk; (15) jiai-recitatie [= intonering onder shamisen-begeleiding]; (a) grond; aarde; land; (b) streek; plaats; (c) [boeddh.] bhūmi [= stadium binnen iems. religieuze ontwikkeling]; (d) grondstof; onbewerkt materiaal; (e) aard; karakter; natuur
変貌するhenbousuru een gedaanteverwisseling ondergaan; van vorm; karakter; gedaante veranderen; metamorfoseren
大字daiji (1) groot teken; karakter; (2) formele Chinese cijfers [= de karakters 零・壱・弐・参・肆・伍・陸・漆・捌・玖・拾・佰・阡・萬]
天性tensei wezen; natuur; aard; inborst; karakter; inslag; instelling
ji (1) letter; letterteken; schriftteken; (2) kanji; karakter; (3) schrift; handschrift; hand
心延えkokorobae karakter; aard; inborst; gemoedsgesteldheid; hart
心意気kokoroiki (1) geest; karakter; mentaliteit; spirit; sentiment; (2) kleine attentie; kleinigheidje; aardigheidje; klein geschenk
心持ちkokoromochi (1) karakter; aard; mood; stemming; gemoedsgesteldheid; geestesgesteldheid; gemoedstoestand; houding; (2) gevoel; indruk; (3) een beetje; iets; wat; een kleinigheid; ietsje; een stukje
心根kokorone (1) bodem van het hart; gemoed; innigste van de ziel; intiemste gevoelens; (2) grondhouding; karakter; aard
心術shinjutsu (1) attitude; instelling; mentaliteit; inborst; karakter; (2) [fil.] gezindheid; Gesinnung
kokoro (1) geest; ziel; (2) hart; innerlijk; inborst; aard; karakter; (3) gevoel; gevoelens; emotie; sentiment; hartstocht; (4) hartelijkheid; cordialiteit; warmte; vriendelijkheid; oprechtheid; eerlijkheid; (5) sympathie; genegenheid; medegevoel; deelneming; (6) aandacht; attentie; interesse; belangstelling; (7) geheugen; memorie; herinneringsvermogen; (8) wil; wilskracht; (9) intentie; bedoeling; (10) stemming; humeur; gemoedsgesteldheid; (11) betekenis; ware betekenis; zin; antwoord; het waarom
性根shyoune (1) karakter; aard; natuur; (2) vastberadenheid; resolutie; (3) wezen; essentie; (4) affaire; verhouding; liaison
性格seikaku (1) karakter; inborst; aard; persoonlijkheid; natuur; gezindheid; [veroud.] grond [m.b.t. personen]; (2) karakter; aard [m.b.t. zaken]
性質seishitsu (1) natuur; aard; inborst; karakter; [veroud.] grond; gemoed; gesteldheid; signatuur; temperament; complexie; geaardheid; aanleg; dispositie; geneigdheid; (2) kwaliteit; eigenschap; kenmerk; karakteristiek; attribuut
jou (1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
意地iji (1) aard; karakter; natuur; inborst; instelling; inslag; gemoed; signatuur; (2) karakter; vastheid van wil; wilskracht; ruggengraat; (3) koppigheid; eigenzinnigheid; trots; eigen wil
意気iki (1) energie; lust; zin; [Belg.N.] goesting; graagte; geestdrift; ijver; enthousiasme; (2) lef; durf; moed; pit; spirit; flinkheid; karakter; moreel; daadkracht; (3) aard; karakter; gemoed; hart
意気地なしikujinashi (1) lafheid; lafhartigheid; slapheid; weekheid; willoosheid; karakterloosheid; kleinhartigheid; (2) lafaard; bloodaard; zwakkeling; slappeling; bloemzak; angsthaas; iemand zonder ruggengraat; karakter; [inform.] ei; sul; lulletje; doetje; slapjanus; labbekak; lafbek; mietje; watje; koekje; schuimpje
文字moji (1) letter; teken; letterteken; schriftteken; karakter; [verzameln.] schrift; (2) [maatwoord voor een letter; karakter; schriftteken]
文字monji (1) letter; teken; letterteken; schriftteken; karakter; (2) geschrift; tekst; (hand)schrift; werken
mon (1) [muntw.] mon [= duizendste deel van een kan 貫]; (2) mon [= schoen-; kousenmaat; ca. 2,4 cm]; (3) schriftteken; karakter; (4) tekst; geschrift; (5) spreuk; bezwering; (6) patroon; dessin; tekening; motief; (a) patroon; dessin; tekening; motief; (b) schriftteken; karakter; (c) geschrift; (d) documenten; archiefstukken; (e) letterkundig; cultureel; onderwijskundig gebied
gara (1) patroon; design; (2) lichaamsbouw; (3) karakter; (4) (iemands) natuur
根性konjou (1) karakter; aard; natuur; geest; instelling; mentaliteit; ingesteldheid; (2) lef; karakter; wilskracht; flinkheid; durf; moed; guts; [inform.] ballen
様子yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
気力kiryoku (1) wilskracht; karakter; [sportt.] moraal; (2) energie; vaart; drive; kracht; vitaliteit; gedrevenheid; (3) ruggengraat; doorzettingsvermogen; moed; durf; pit; lef
気性kishyou aard; karakter; temperament; dispositie; natuur; inborst; inslag
気息kisoku (1) adem; ademhaling; ademtocht; [inform.] asem; (2) gevoel; stemming; karakter; aard; temperament
気立てkidate karakter; aard; inslag; instelling; natuur; inborst; temperament
気質kishitsu temperament; aard; karakter; inslag; natuur; inborst
気風kifuu aard; karakter; ingesteldheid; inslag; instelling
気骨kikotsu [fig.] ruggengraat; wilskracht; geestkracht; energie; vastberadenheid; flinkheid; karakter; moed; durf; spirit; pit
生まれ ; 生れumare (1) geboorte; (2) afkomst; afstamming; geslacht; familie; (3) karakter; aard; inborst; natuur; (4) geboorteplaats
生得shyoutoku (1) aard; karakter; (2) oorspronkelijk; van nature; van aard; in se; eigenlijk
生得seitoku (1) levende vangst; verwerving; verkrijging bij levenden lijve; (2) aard; karakter
素質soshitsu (1) aard; natuur; karakter; inslag; vatbaarheid; [med.] diathese; (2) aanleg; kwaliteiten; predispositie; voorbeschiktheid; geschiktheid; [fig.] knobbel; [i.h.b.] talent
sen (1) lijn; streep; [i.h.b.] grens; niveau; (2) lijn; [i.h.b.] omtrek; trekken; contour; beloop; (3) [spoorw.] spoor; perron; [luchtv.; scheepv.] lijn; route; vaart; [telef.] lijn; (4) [meetk.] lijn; (5) [pol.] lijn; koers; politiek; spoor; (6) aard; karakter; (7) [maatwoord voor lijnen; sporen]
肌 ; 膚hada (1) huid; vel; [volkst.] bast; (2) oppervlak; [i.h.b.] textuur; (3) aard; natuur; karakter; inborst; geaardheid; type; slag; een ~ soort mens
脱字datsuji weggelaten teken; woord; weggevallen letter; karakter; weglating; uitlating; omissie
harawata (1) darmen; gedarmte; ingewanden; (2) [dierk.] ingewand; geweide; gewei; [gew.] beuling; [魚の] gellen; (3) inborst; ingesteldheid; karakter; mentaliteit; (4) [ウリの] glibber; (5) [座布団の] vulling
艶 ; 光沢tsuya (1) glans; luister; (2) jeugdige glans; gloed van nieuwigheid; frisse bekoorlijkheid; gladheid; (3) jeu; kleur; charme; karakter; rijpheid; volheid; (4) [fig.] pasmunt; [oneig.] smeergeld; geld waarmee onderhandelingen e.d. vlot gemaakt worden
shitsu (1) aard; karakter; natuur; (2) kwaliteit; gehalte; kaliber; degelijkheidsgraad; (3) gestel
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
風格fuukaku (1) voorkomen; présence; [i.h.b.] karakter; persoonlijkheid; (2) pit; karakter; extra jeu; charme; karakteristieke smaak; stijl; (3) zeden; gebruiken; gewoonten
hone (1) bot; been; [i.h.b.] schonk; balein; graat; [i.h.b.] knekel; doodsbeen; (2) gebeente; geraamte; skelet; beenderen; karkas; (3) raamwerk; kader; opzet; hoofdlijn; kern; essentie; (4) ruggengraat; karakter; wilskracht; pit; moed; (5) moeite; inspanning; zwaar werk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 56 treffers (zoekopdracht: 'karakter', strategie: exact). 
2005-2021