日蘭辭典+

38 resultaten voor ‘laag’
日蘭辭典 (trefwoord)
arakabe荒壁
zn. eerste laag pleister v.
iyashii卑しい
bn. laag; gering; verachtelijk; vulgair. ¶ 卑しいからぬ fatsoenlijk.
hisen卑賤
(卑賎) zn. lage positie v. ¶ 卑賤の laag; gering; min. ¶ 卑賤の輩 het geringe volk. ¶ 卑賤より起る zich omhoog werken uit een geringe omgeving.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <laag>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
sou (1) laag; stratum; [mijnb.] ader; bedding; (2) klasse; stand
zoku (1) gewoon; alledaags; banaal; (2) ordinair; gemeen; vulgair; plat; grof; laag; min; ; (1) a. gebruik; gewoonte; (2) b. gewoon; alledaags; algemeen; populair; rustiek; (3) c. ordinair; gemeen; vulgair; plat; (4) d. [boeddh.] lekenstaat; leek; seculier; werelds; wereldlijk; profaan; ; (1) gebruik; gewoonte; (2) publiek; wereld; lekenpubliek; leken
低級 teikyuu laag; inferieur; vulgair; ordinair; goedkoop
低俗 teizoku vulgair; plat; laag; laag-bij-de-gronds; ordinair; platvloers; ; vulgariteit; platheid; platvloersheid
低俗な teizokuna vulgair; plat; laag; laag-bij-de-gronds; ordinair; platvloers
低級な teikyuuna laag; inferieur; vulgair; ordinair; goedkoop
tei laag-; hypo-; neder-; met laag …; -arm
低水準の teisuijunno van een laag peil; van laag niveau; laag
卑しい iyashii (1) begerig; hebzuchtig; hebberig; inhalig; gulzig; gretig; schrokkig; schrokkerig; vrekkig; gierig; schraperig; schraapzuchtig; schriel; (2) ordinair; vulgair; plat; gemeen; grof; laag; min; (3) sjofel; armoedig; verlopen; haveloos; slonzig; goedkoop; (4) laaggeboren; van eenvoudige afkomst
悪戯 itazura (1) ondeugend; kwajongensachtig; (2) plezierig; leuk; amusant; bij wijze van tijdverdrijf; hobbyistisch; (3) nutteloos; (4) geil; geilig; wulps; los; losbandig; immoreel; gemeen; laag; ; (1) ondeugendheid; kwajongensstreek; (2) plezier; amusement; tijdverdrijf; hobby; (3) nutteloosheid; (4) geilheid; geiligheid; wulpsheid; immoraliteit; wangedrag; gemenigheid
意地悪 ijiwaru (1) boosaardig; gemeen; vals; laag; (2) slecht gehumeurd; onwelwillend; ontstemd; ; (1) boosaardigheid; gemeenheid; laagheid; (2) slecht humeur; onwelwillendheid; (3) boosaardig persoon; venijnig persoon; venijnigaard; adder; stuk chagrijn; (4) persoon met een slecht humeur; zuurpruim; oorworm; brompot; nijdas
下衆 gesu gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch; ; (1) gemene; minne kerel; boer; kinkel; boerenkinkel; lomperd; lomperik; lummel; pummel; vlegel; [min.] proleet; [volkst.] hufter; [inform.] vlerk; [scheldw.] heikneuter; [veroud.] kleinhans; [gew.] kalf; [gew.] kneukel; (2) [verzameln.] lieden van laag allooi; lagere volksklassen; slecht volk; klootjesvolk; tuig; gemeen; plebs; gepeupel; gespuis; grauw; schorem; canaille; gajes; gebroed; janhagel; racaille; rapaille; tinnef; [Belg.N.] crapuul; [inform.] falderappes
下衆な gesuna gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch
けち kechi (1) gierig; vrekkig; schraperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (2) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (3) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals; ; (1) tegenspoed; ongeluk; pech; ongelukkig toeval; ongelukkige gebeurtenis; slecht voorteken; domper; koude douche; (2) vitterij; muggenzifterij; haarkloverij; kleingeestige kritiek; (3) gierigheid; vrekkigheid; schraperigheid; inhaligheid; karigheid; krenterigheid; overdreven zuinigheid; (4) kleinzieligheid; bekrompenheid; benepenheid; kleingeestigheid; pietluttigheid; krenterigheid; (5) gemeenheid; laagheid; vunzigheid; vuilheid; smerigheid; valsheid
けちな kechina (1) gierig; vrekkig; schraperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (2) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (3) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals
下品な gehinna vulgair; ordinair; onverfijnd; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; wansmakelijk; onsmakelijk
下品 gehin vulgair; ordinair; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; beneden alle peil; wansmakelijk; onsmakelijk; ; vulgariteit; grofheid; platheid; laagheid; gemeenheid; ruwheid; vunzigheid; wansmakelijkheid; onsmakelijkheid
若い wakai (1) jong; jeugdig; juveniel; (2) pril; immatuur; onvolgroeid; onrijp; ongerijpt; onvolwassen; groen; (3) jong uitziend; fris; (4) [m.b.t. getallen] klein; gering; laag
下積み shitazumi (1) onderste stapel; laag; onderlaag; bodem van een hoop; stapel; (2) onderklasse; lagere klasse; (3) de kleine man; mensen van de lagere klasse
醜い; 見悪い minikui (1) lelijk; onooglijk; onknap; onfraai; onaantrekkelijk; (2) beschamend; smadelijk; schandelijk; schandalig; schandaleus; onbehoorlijk; infaam; verachtelijk; oneervol; grof; laag; gemeen
dan (1) het feit (… te zijn); (2) fase; stadium; geval; moment; situatie; (3) 10. [~ではない; じゃない] mate; kwestie; ; (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte
待ち伏せ machibuse hinderlaag; laag
埋蔵 maizou (1) vindplaats; laag; [i.h.b.] ertslaag; ader; afzetting; veld; (2) [wisk.] inbedding
地層 chisou aardlaag; laag; stratum; bedding
さもしい samoshii (1) schamel; sjofel; pover; haveloos; armzalig; (2) gemeen; laag; min; minderwaardig; (3) vulgair; plat; grof; schunnig
汚い kitanai (1) vuil; vies; besmeurd; smerig; (2) onfatsoenlijk; obsceen; goor; (3) gemeen; laag-bij-de-gronds; slecht; (4) vrekkig; zuinig; krenterig
安い; 廉い yasui (1) goedkoop; voordelig; schappelijk; laaggeprijsd; redelijk (geprijsd); billijk; profijtig; zacht [prijsje]; laag [b.v. interest]; bon-marché; [inform.] gepikt; (2) onbekommerd; onbezorgd; zonder zorgen; op zijn gemak; zorgeloos; [m.b.t. gemoed] luchtig; (3) kalm; rustig; [m.b.t. verloop] onbewogen; bedaard; (4) nederig; eenvoudig; onaanzienlijk; gering; ondergeschikt; minder(waardig); laag(geboren); inferieur; min [denken over iemand]; (5) grof; gemeen; plat; laag; laag-bij-de-gronds; vulgair; goedkoop; ordinair; onbehoorlijk; obsceen; onbeschaafd; [m.b.t. taal] ongekuist; beneden alle peil; laaghartig; smerig; vuig; platvloers; schunnig; vunzig
レイヤー reiyaa (1) laag; (2) cosplayer
被い ooi bedekking; dek; hoes; overtrek; mantel; omhulling; omhulsel; laag; kap; huif; (buiten)bekleding; scherm; luifel
重ね kasane [maatwoord voor gestapelde; gelaagde voorwerpen, jūbako, kagamimochi, sonaemochi, kasanemochi, zitkussens, kosode e.d.]; ; (1) stapel; hoop; (2) laag; (3) dubbele laag kleren; (4) stel kleren; stel boven- en ondergoed; (5) [刀身の] dikte; (6) [Jap.rel.] kasanemochi [= spijsoffer van (twee) op elkaar geplaatste rijstedeegballetjes]; (7) [Jap.Barg.] kast
卑劣 hiretsu gemeen; laag; verachtelijk; min; vuil; smerig; abject; minderwaardig; onedel; ignobel; laaghartig; veil
卑猥 hiwai vulgair; obsceen; schunnig; onfatsoenlijk; onbehoorlijk; onwelvoeglijk; onoorbaar; oneerbaar; indecent; onzedelijk; onzedig; onkuis; ontuchtig; smerig; vuil; vies; vunzig; goor; gorig; ranzig; liederlijk; godsliederlijk; grof; scabreus; schuin; platvloers; laag-bij-de-gronds; plat
低い hikui (1) laag; [背が] klein (van gestalte); (2) laag; nederig; onaanzienlijk; laaggelegen; [i.h.b.] laaghangend; [i.h.b.] laagstaand
卑怯 hikyou (1) laf; lafhartig; blo; blode; [pej., inform.] schijterig; [veroud.] blohartig; (2) gemeen; klein; flauw; laag-bij-de-gronds; unfair; laag; min; vals; onsportief; vuil; gluiperig; ; (1) lafheid; lafhartigheid; (2) gemeenheid; flauwheid; laag-bij-de-grondsheid; laagheid; minheid; valsheid; gluiperigheid
浅ましい asamashii (1) laag; gemeen; min; verachtelijk; laag-bij-de-gronds; laaghartig; eerloos; onwaardig; schaamteloos; schandelijk; waardeloos; (2) armzalig; ellendig; naar; beklagenswaardig; miserabel; erbarmelijk; jammerlijk; betreurenswaardig
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.48 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'laag', strategie: exact). 
2005-2020