日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘last’
日蘭辭典 (trefwoord)
atsugaru熱がる
(暑がる) t.w. last van de warmte hebben.
mendō面倒
zn. last o.; moeilijkheid v.; ergenis v.; verwikkeling v. ¶ 御面倒ながら het spijt mij u lastig te vallen, maar ...... ¶ 面倒を見る zich moeite getroosten. ¶ 面倒をかける last bezorgen. ¶ 面倒moeilijk; lastig; ingewikkeld. ¶ 面倒くさい ergerlijk; hinderlijk; vervelend.
sewa世話
zn. (1) [援助] hulp v.; bijstand m.; steun m. (2) [斡旋] dienst m.; bemiddeling v. (3) [世俗] dagelijksche leven o. ¶ 世話する helpen; bijstaan; steunen; dienst bewijzen; bemiddeling verleenen; zorgen voor. ¶ 大層御世話になる veel verplichting hebben; veel te danken hebben; veel verschuldigd zijn.¶ 子供の世話をする voor de kinderen zorgen. ¶ 世話のやける lastig. ¶ 人に世話をやかす iemand veel last bezorgen. ¶ 世話に砕ける duidelijke taal spreken. ¶ 世話huiselijk tooneel. ¶ 世話huiselijk drama. ¶ 世話なしの gemakkelijk; eenvoudig. ¶ 世話commissie; hulpcomité; tusschenpersoon. ¶ 世話女房 goede huisvrouw. ¶ 世話commissie; provisie. ¶ 世話やき bemoeial. ¶ 世話好 bemoeizucht; bemoeial (人). ¶ いらぬお世話だ ik heb je hulp niet noodig; bemoei je er niet mee.
ni
zn. (1) [負擔,荷物] last m.; vracht v. (2) [積荷] lading v. [荷物] bagage v. ¶ を積む laden. ¶ を拵へる pakken. ¶ を引取る goederen in ontvangst nemen. ¶ なる tot last zijn.
mei
zn. (1) [命令] bevel o.; last m. (2) [生命] leven o. (3) [運命] lot o.; levenslot o.; noodlot o.; voorbeschikking v. ¶ より op last. ¶ 守る bevelen opvolgen. ¶ これなり dit is het bevel des hemels. ¶ に在り ons lot is door den hemel voorbeschikt. ¶ 彼の危し ik vrees voor zijn leven.
hanrō煩勞
(煩労) moeite v.; last m.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <last>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
バーデンbaaden (1) last; vracht; druk; (2) Baden
ロードroodo (1) lading; last; vracht; (2) [chr.] Heer; Onze-Lieve-Heer; (3) lord; (4) weg; (5) [delfst.] metaalader; (6) Lord; Laud; Rhode
不都合futsugou (1) ongemak; ongerief; last; inconveniëntie; het slecht uitkomen; het slecht van pas komen; het ongelegen komen; importuniteit; (2) wangedrag; misdraging; onbetamelijkheid; onfatsoenlijkheid
世話sewa (1) zorg; hoede; behartiging; verzorging; ontferming; oppassing; hulp; (2) goede diensten; bijstand; vriendelijke bemoeienis; [i.h.b.] (welwillende) bemiddeling; [i.h.b.] voorspraak; (3) last; ongerief; ongemak; overlast; (4) leven van alledag; dagelijks leven van de gewone man; het alledaagse; het banale; (5) sewa [genre in de kabuki-toneelkunst of het jōruri-recitatief dat het dagelijks leven van de gewone man tot thematiek heeft]; (6) verstaanbare taal; gewoon taalgebruik; spraakgebruik; huis-; tuin- en keukentaal; Jip-en-Janneketaal; volksmond
rou (1) moeite; last; inspanning; inzet; (2) prestaties; diensten; verdiensten; verwezenlijkingen; (3) ervaring; ondervinding; expertise; (4) lange gebruikmaking; (a) werken; werk; (b) moeite; (c) prestatie; (d) last; inspanning; (e) erkentelijk zijn; bedanken; (f) [afk.] vakbond; arbeiders
厄介yakkai (1) last; ongerief; overlast; ongemak; lastpost; moeite; soesa; [veroud.] pijne; bezwaar; [form.] onus; hinder; gehaspel; (2) zorg; hoede; toezicht; oppassing; verzorging; opvang; ontferming [betreft ook de personen of kosten daaraan verbonden]; (3) het leven van; het teren op; klaploperij; parasitisme; biets; (4) persoon ten laste; afhankelijke; tafelschuimer; kostganger; kostgangster; commensaal; inquilien; klaploper; profiteur; parasiet; bietser; (5) yakkai [In de Edo-periode door de pater familias gealimenteerde collaterale bloedverwanten. Bv. zijn jongere broers die op kosten van het ouderlijk huis leefden en als erfgenaam grootgebracht werden.]; (6) lastig; moeilijk; zwaar; vervelend; storend; hinderlijk; onereus; [inform.] flikkers; drukkend; [m.b.t. werk] bezwarend; moeizaam; vermoeiend
厄介者yakkaimono (1) lastpost; lastpak; last; onruststoker; lastig iemand; iets; zwart schaap; ge­be­ten hond; bête noire; verdomde louis; Louistje; Lowietje; (2) eter; tafelgast; [i.h.b.] tafelschuimer; klaploper; profiteur; parasiet
委嘱ishyoku opdracht; lastgeving; last; toevertrouwing
baba (1) oude vrouw; oud vrouwtje; oude ziel; besje; neut; baboesjka; [niet alg.] ouken; [bel.] oud wijf; oude doos; taart; (2) [kaartsp.] joker; (3) pruts; prul; last; hinder
嫌がらせiyagarase overlast; last; hinder; pesterij; hatelijkheid
御世話 ; お世話osewa (1) hulp; bijstand; steun; (2) dienst; bemiddeling; interventie; tussenkomst; (3) last; overlast; moeite; inspanning; zorg; beslommering; (4) het dagelijks leven; de dagelijkse beslommeringen in het leven
手数tesuu (1) last; ongemak; (2) moeite; inspanning
指令shirei bevel; order; opdracht; instructie; gebod; sommatie; last; richtlijn; directief; voorschrift; verordening; [jur.] injunctie; [jur.] aanwijzing (voor advocaat)
指示shiji (1) aanduiding; aanwijzing; indicatie; denotatie; [w.g.] vingerwijzing; (2) instructie; aanwijzing; richtlijn; voorschrift; directief; last
ryou (1) materiaal; middel; (a) -kosten; -geld; -tarief; -recht; -last; -loon; -bijdrage
kase (1) boei; kluister; (2) [fig.] last; belemmering; blok aan het been; handenbinder; (3) steen des aanstoots; aanleiding tot conflict; (4) [ton.] [俳優の] ondersteuning; hulp; attribuut; (5) [muz.] [三味線の] klem; beugel
気骨kibone moeite; last; inspanning; uithouding
税金zeikin belasting; last; cijns; recht; impost; leges; retributie; [arch.] schatting
積荷tsumini lading; last; vracht; vrachtgoed; vrachtgoederen; cargo; carga
自重jijuu leeggewicht; dood gewicht; dode belasting; last; eigen zwaarte
苦しみkurushimi (1) pijn; lijden; leed; smart; [お産の] weeën; (2) ontbering; last; moeilijkheid; nood; kommer; kwelling; ellende; beproeving
ni (1) lading; last; vracht; cargo; carga; vrachtgoed(eren); (2) last; pak; taak; verantwoordelijkheid
荷物nimotsu (1) bagage; pakkage; pak; vracht; lading; [verzameln.] goed; goederen; spullen; bullen; (2) [fig.] last; ballast; blok aan het been; rem
言い付けiitsuke bevel; opdracht; instructie; order; last
負担futan last; draaglast; [jur.] modus; druk; bezwaar; belasting; onus; onera; [pregn.] taak; [pregn.] verplichting
負荷fuka (1) [責任の] het op zich nemen; het dragen; opname; [i.h.b.] overname van de familiezaak; (2) last; opdracht; plicht; (3) belasting
賄いmakanai (1) maaltijdverstrekking; dinerverzorging; catering; kost; (2) maaltijdverstrekker; cateraar; (3) voorbereiding; bereiding; verzorging; beheer; (4) tafelbediening; bediening aan tafel; (5) kelner; serveerster; (6) lapmiddel; noodoplossing; (7) last; zorg; (8) [scheepv.] purser; (9) maal voor restaurantpersoneel; stafmaaltijd
足手纏いashitematoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足手纏いashitemadoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足手纏いashidematoi handenbinder; hinder; last; belemmering; blok aan het been; sta-in-de-weg
足枷ashikase (1) voetkluister; voetboei; voetbeugel; blok; kluisters; boeien; beugels om de voeten; (2) [fig.] last; rem; belemmering; blok aan het been; hinderpaal
足枷ashigashi (1) voetkluister; voetboei; voetbeugel; blok; kluisters; boeien; beugels om de voeten; (2) [fig.] last; rem; belemmering; blok aan het been; hinderpaal
迷惑meiwaku (1) last; hinder; ongemak; [form.] onus; een lastig iets; een vervelend iets; moeite; ongerief; [veroud.] pijne; ongelegenheid; bezwaar; (2) lastig; storend; vervelend; ongelegen; moeilijk; onereus; hinderlijk; [inform.] flikkers; ergerlijk; problematisch; bezwaarlijk; verdrietelijk; irritant
邪魔jama (1) verstoring; hinder; stoornis; hindernis; belemmering; obstakel; hinderpaal; sta-in-de-weg; impediment; obstructie; [fig.] last; beletsel; (2) hinderlijk; hinderend; storend; belemmerend; obstructief; obstructionistisch; [fig.] lastig
邪魔者jamamono lastig iemand; hinderlijk persoon; lastpost; lastpak; last; sta-in-de-weg
重苦しさomokurushisa beklemdheid; beklemming; benauwdheid; benauwing; benauwenis; druk; last; oppressie
重荷omoni (1) zware vracht; last; belasting; (2) [fig.] zware; drukkende last; zware hypotheek
鐙付abutsuke last; bagagezakken aan beide zijden van een pakpaard
障りsawari (1) obstakel; belemmering; beletsel; hindernis; hinderpaal; hindering; verhindering; sta-in-de-weg; klip; impediment; (2) ongemak; kwaad; last; hinder; onaangenaamheid
nan (1) moeilijkheid; probleem; (2) moeilijke omstandigheden; problemen; nood; last; (3) onheil; ramp; (4) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; (5) kritiek; bezwaar; aanmerking
難儀nangi (1) leed; lijden; nood; penarie; ontbering; tegenspoed; tegenslag; beproeving; narigheid; netelige situatie; lastig parket; (2) moeilijkheden; problemen; last; zorg; moeite; (3) iets belangrijks; serieuze zaak; (4) moeilijk; zwaar; hard; lastig; problematisch; vermoeiend; afmattend; benard
kumo (1) wolk; zwerk; (2) uitermate verre plaats; onbereikbare plaats; (3) vaagheid; schimmigheid; wazigheid; obscuriteit; (4) iets dat op iemands gemoed drukt; iets dat iemand dwarszit; last; probleem; zorg
面倒mendou (1) moeite; last; [form.] onus; [veroud.] pijne; ongemak; vervelend gedoe; [inform.] gekloot; (2) moeilijkheden; problemen; complicaties; (3) verzorging; zorg; zorgzaamheid; oppassing; (4) lastig; moeilijk; vervelend; onereus; ellendig; [inform.] flikkers; ingewikkeld; netelig; problematisch
骨折りhoneori moeite; last; inspanning; goede diensten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.6 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 44 treffers (zoekopdracht: 'last', strategie: exact). 
2005-2021