日蘭辭典+

68 resultaten voor ‘licht’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
asai淺い
(浅い) bn. (1) [水深、容器等] ondiep. (2) [交際] oppervlakkig. (3) [知識] oppervlakkig. (4) [] licht. (5) [眠] licht. ¶ 夜は未だ淺い het is nog niet laat. ¶ 知己になってから日が淺い ik ken hem nog maar kort.
assarishitaあっさりした
bn. net; eenvoudig; licht. ¶ あっさりした食事 eenvoudig eten; lichte maaltijd; burgerpot. ¶ あっさりした家 een net huisje. ¶ あっさりした繪 een eenvoudig schilderijtje. ¶ あっさりした een gedekte kleur; een niet opvallende kleur. ¶ あっさりと言ふ rondweg zeggen; ronduit zeggen.
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
akacha赤褐色
(赤茶) zn. licht roodbruin o.; noot: Zie 褐色 ‘kasshoku’.
akari明り
zn. (1) [光明] licht o. (2) [燈火] licht o.; lamp. ¶ 燈を消す het licht uitdoen. (3) [潔白] onschuld v. ¶ 明を立てる zijn onschuld bewijzen. ¶ 雪明り glans van de sneeuw.
akarisaki明り先
zn. licht o. ¶ 明り先きに立つ in het licht staan.
akarui明るい
bn. (1) [明るい] licht; helder. ¶ に明るい goed op de hoogte van; bekwaam in. ¶ ......に明るい人 deskundige. (2) [潔白な] onschuldig.
akaruku明るく
bw. licht; helder; duidelijk. ¶ 明るくなる dagen (夜が明ける); (通曉する) op de hoogte komen van; bekwaam worden in. ¶ 明るくする licht maken. ¶ ランプを明るくする de lamp opdraaien.
akarumi明るみ
zn. (1) [公明] licht o. (2) [公開] openbaarheid v. ¶ 明るみに出す aan het licht brengen; openbaar maken; publiek maken. ¶ 明るみに出る aan het licht komen; bekend worden.
akashi明し
(明かし) zn. (1) [燈火] licht o.; lamp v. (2) [證明] bewijs o. ¶ あかし人 (證人) getuige.
awai淡い
bn. (1) [色] licht; flets. (2) [味] flauw; smakeloos
karuku輕く
(軽く) bw. licht; lichtelijk. ¶ 輕くする verlichten; vergemakkelijken
yowai弱い
bn. zwak; slap; teer; flauw. ¶ 弱い身體 zwak gestel. ¶ 弱い spoedig zeekziek zijn. ¶ 弱い slecht tegen drank kunnen. ¶ 弱い議論 zwak argument. ¶ の午後の弱い日光 het flauwe licht van de winternamiddag. ¶ 弱者 zwakkeling. ¶ 弱者いぢめ verdrukking der zwakken; negeraar (人); iemand, die misbruk maakt van zijn kracht om zwakkeren onrecht te doen.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
hakki發揮
(発揮) zn. vertooning v.; openbaring v. ¶ 發揮する toonen; vertoonen; laten zien; in het licht stellen; doen blijken.
honeoru骨折る
i.w. zwoegen; zich inspannen. ¶ 骨折って儲けた zuur verdiend. ¶ の折れぬ gemakkelijk; licht.
tōka燈火
(灯火) zn. lamplicht o.; lamp v.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
hyōhyō飄々
bw. drijvend; licht; luchthartig.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sugoi凄い
(すごい、スゴイ) bn. (1) afschrikwekkend; benauwend; gruwelijk; huiveringwekkend. ¶ すごいにらむ sugoi me de niramu met een ijselijke blik aanstaren; met een schrikaanjagende blik aankijken. (2) ongewoon; verbazend; opmerkelijk; bewonderenswaardig; geweldig; excellent; fameus; fantastisch; ongelooflijk; ongehoord; verbluffend. ¶ すごい腕前 sugoi udemae opvallend bekwaam. ¶ はすごい知識を持ったです。すなわち、生き字引ですKare wa sugoi chishiki wo motta hito desu. Sunawachi, ikijibiki desu. Hij beschikt over ongelooflijke kennis. Hij is een levende encyclopedie. (TTC) ¶ 姉さんはすごい美人だ。 Kare no neesan wa sogoi bijin da. Zijn zus is een opmerkelijke schoonheid. (TTC) (tevens als uitroep van bewondering of emotie) ¶ へー、キーボード見ないで文字打てるんだ。スゴイわねー。♀ Hèè? kiiboodo minaide moji uterun da. Sugoi wa nèè. Hé, jij kunt tikken zonder te kijken naar het toetsenbord. Cool zeg! (TTC) (3) (zowel in negatieve als positieve zin) in ongewone mate; excessief; extreem; vreselijk; bovenmatig; ontstellend; ontzettend; uiterst; verdomd; zeer; erg; groot (aantal). 半時間ほどすごい土砂降りだった。Hanjikan hodo sugoi doshaburi datta. Een half uur lang hadden we een vreselijke stortregen; Het was een ontzettende stortbui van een half uur. (TTC) bw. ¶ 今日はすごく暑いKyō wa sugoku atsui. Het is vandaag vreselijk warm. (TTC) ¶ が光に対してすごく敏感なのですMe ga hikari ni taishite sugoku binkan na no desu. Mijn ogen zijn enorm gevoelig voor licht. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <licht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ランプ ranpu (1) lamp; licht; [i.h.b.] controlelampje; [veroud.] pit; (2) oprit; helling; hellende invoegstrook; [gew.] ramp; (3) bilstuk; staartstuk; lendenstuk; lendenvlees
手軽 tegaru licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽な tegaruna licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
電灯 dentou elektrische lamp; elektrisch licht; lamp; licht; [veroud.] pit
電気 denki (1) elektriciteit; stroom; (2) (elektrisch) licht
むざむざ muzamuza (1) gemakkelijk; licht; met gemak; moeiteloos; vlotjes; zomaar; (2) zonder verzet te bieden; weerloos; hulpeloos; (3) zonder omhaal; zonder veel drukte; zonder spijt
薄い usui (1) [m.b.t. papier; muur; lippen; haren etc.] dun; (2) flauw; [m.b.t. koffie; thee] slap; [m.b.t. soep; pap] waterig; (3) [m.b.t. kleur] licht; bleek; vaal; mat; dof; verschoten; (4) schaars; karig; mager; niet copieus; niet overvloedig; gierig
軽快な keikaina licht; lichtvoetig; luchtig; [〃服装] sportief
軽量 keiryou licht; lichtwegend; lichtgewicht-; ; licht gewicht
軽視する keishisuru niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; lichtjes opnemen; gering denken over; niets bijzonders vinden; maar niks; een peulenschilletje vinden; kleineren; geringschatten; bagatelliseren; minimaliseren; futiliseren; als onbeduidend voorstellen; depreciëren; neerkijken op; de neus ophalen voor; zijn hand niet omdraaien voor; met de nek aanzien; uit de hoogte aanzien; neerzien op; versmaden; minachten; niet veel ophebben met; [~よりも] achterstellen bij
軽快に keikaini licht; lichtvoetig; luchtig
軽犯罪 keihanzai lichte overtreding; licht; onbeduidend; gering vergrijp
軽罪 keizai (1) overtreding; licht; gering vergrijp; (2) kleine zonde; pekelzonde; dagelijkse zonde; geringe misstap; slippertje; peccadille
軽快 keikai licht; lichtvoetig; luchtig
火影 hokage (1) vuurschijnsel; vuurgloed; lichtschijn; lichtschijnsel; licht; (2) beschenen gedaante; belichte figuur
僅か; 纔か wazuka (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; (3) krap; nauw; eng; ; (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; ietwat; enigermate; enigszins; (2) amper; nauwelijks; maar net; ternauwernood; (3) slechts; maar; enkel
僅かな wazukana (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; (3) krap; nauw; eng
信号機 shingouki (1) verkeerslicht; [verk.] licht; [meton.] stoplicht; (2) [spoorw.] seininrichting; seintoestel; seinpaal; [腕木式~] semafoor; [verk.] sein
信号 shingou (1) sein; signaal; (2) verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
照明 shoumei verlichting; belichting; licht
光線 kousen (1) lichtstraal; (2) licht
交通信号 koutsuushingou verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
兎角 tokaku allicht; licht; [niet alg.] zachts; naar men denken kan; hoe dan ook; in ieder geval; het wil wel eens ~; ; hier en daar wat; het een en ander; een hap en een snap
大先生 daisensei groot leraar; groot geleerde; prima leraar; autoriteit; sommiteit; licht
小さい chiisai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さな chiisana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
馬鹿にする bakanisuru (1) met geringschatting neerzien op; neerkijken op; met de nek aanzien; minachten; geringschatten; laatdunkend; met minachting behandelen; verachten; (2) kleineren; bagatelliseren; futiliseren; licht; luchtig opvatten; weinig ophebben met; minimaliseren; onbelangrijk vinden; niet serieus nemen; (3) uitlachen; voor de gek houden; voor joker zetten; voor gek laten lopen; voor de mal houden; voor gek zetten; belachelijk maken; ridiculiseren; de draak steken met; bespotten; spotten met; de spot drijven met; schertsen met; beschimpen; honen; gekken met; gekscheren met; een loopje nemen met; dollen met; vernachelen; sollen met; zich vrolijk maken over
降る furu (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰; 雹が] hagelen
フワフワ fuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; ; luchtigjes; licht; lichtjes
軽んじる karonjiru (1) kleineren; verkleinen; depreciëren; geringschatten; minachten; versmaden; neerkijken op; neerzien op; [~よりも] achterstellen bij; achteruitzetten; [veroud.] kleinachten; (2) niet zwaar tillen aan; weinig ophebben met; een lage dunk hebben van; niets bijzonders vinden; licht; luchtig opvatten; bagatelliseren; futiliseren; minimaliseren
kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
軽く karuku licht; lichtjes; luchtig; lichtelijk; [lit.t.] lichtkens; enigszins; ietsje; ietsjes
軽い karui (1) licht; niet ernstig; (2) simpel; gemakkelijk; (3) luchtig; (4) onbetekenend; niet belangrijk
hikari (1) licht; [Lat.] lumen; [Lat.] lux; lichtglans; lichtgloed; lichtschijn; straal; gestraal; [lit.t.] lichternis; fonkeling; flonkerlicht; schittering; scintillatie; gloed; glans; glinster; glitter; schijn [van een lamp enz.]; schijnsel; straling; gloor; gloring; luister; blink; glim; glimlicht; (2) gezag; uitstraling; glorie; macht; (3) licht (in de duisternis); hoop; (4) Hikari [stad in de prefectuur Yamaguchi]
日差し hizashi zonlicht; zonneschijn; zonnelicht; zonnestralen; [meton.] zon; [meton.] licht
hi (1) vuur; [volkst.] fik; vuurtje; [volkst.] fikkie; [i.h.b.] vlam; (2) brand; hens; (3) licht; lichtje; gloed
hi licht; lichtje; gloed
明るみ akarumi (1) klaarte; licht; dag; (2) openbaarheid
明かり akari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg., volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
明い akai (1) helder; licht; (2) licht; dag; klaarlicht; (3) oprecht; eerlijk; waarachtig
明るさ akarusa (1) helderheid; briljantheid; licht; felheid; schelheid; luminositeit; (2) levendigheid; opgeruimdheid; opgewektheid; vrolijkheid; fleurigheid; fleur; (3) slimheid; slimmigheid; briljantheid
明るい akarui (1) licht; helder; klaar; (2) opgewekt; vrolijk; zonnig; (3) fair; eerlijk; clean; schoon; rooskleurig; (4) op de hoogte van; met; bekend met; goed kennen; goed thuis in; bedreven in; ervaren in; geverseerd in; onderlegd in; vertrouwd met
あっさりした assarishita eenvoudig; simpel; beknopt; bondig; sober; [~食べ物] licht; [~人] openhartig; eerlijk; rondborstig; frank
あっさり assari (1) eenvoudig; simpel; zonder meer; gewoonweg; sec; tout court; (2) openhartig; eerlijk; rondborstig; frank; zonder enige reserve; (3) zo maar; vlot; met gemak; moeiteloos; gewoonweg; geredelijk; licht
淡い awai licht; flauw; [m.b.t. licht, hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
甘口 amakuchi [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; ; (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos
緩い yurui (1) los; slap; wijd; ruim; [m.b.t. kleren] makkelijk; breed; slobberig; (2) onsamenhangend; [m.b.t. pap] dun; week; sopperig; soppig; (3) [m.b.t. enthousiasme] lauw; mat; flauw; futloos; (4) loom; inert; traag; languissant; laks; slof; sloom; lamlendig; (5) zwak (van wil); week; laks; (6) soepel; coulant; meegaand; mild; clement; gul; (7) zacht [hellend]; [m.b.t. bocht] licht; rustig [gekabbel]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.85 sec. jiten.nl: 21 treffers, warandict: 47 treffers (zoekopdracht: 'licht', strategie: exact). 
2005-2019