日蘭辭典+

88 resultaten voor ‘licht’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
asai淺い
(浅い) bn. (1) [水深、容器等] ondiep. (2) [交際] oppervlakkig. (3) [知識] oppervlakkig. (4) [] licht. (5) [眠] licht. ¶ 夜は未だ淺い het is nog niet laat. ¶ 知己になってから日が淺い ik ken hem nog maar kort.
assarishitaあっさりした
bn. net; eenvoudig; licht. ¶ あっさりした食事 eenvoudig eten; lichte maaltijd; burgerpot. ¶ あっさりした家 een net huisje. ¶ あっさりした繪 een eenvoudig schilderijtje. ¶ あっさりした een gedekte kleur; een niet opvallende kleur. ¶ あっさりと言ふ rondweg zeggen; ronduit zeggen.
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
akacha赤褐色
(赤茶) zn. licht roodbruin o.; noot: Zie 褐色 ‘kasshoku’.
akari明り
zn. (1) [光明] licht o. (2) [燈火] licht o.; lamp. ¶ 燈を消す het licht uitdoen. (3) [潔白] onschuld v. ¶ 明を立てる zijn onschuld bewijzen. ¶ 雪明り glans van de sneeuw.
akarisaki明り先
zn. licht o. ¶ 明り先きに立つ in het licht staan.
akarui明るい
bn. (1) [明るい] licht; helder. ¶ に明るい goed op de hoogte van; bekwaam in. ¶ ......に明るい人 deskundige. (2) [潔白な] onschuldig.
akaruku明るく
bw. licht; helder; duidelijk. ¶ 明るくなる dagen (夜が明ける); (通曉する) op de hoogte komen van; bekwaam worden in. ¶ 明るくする licht maken. ¶ ランプを明るくする de lamp opdraaien.
akarumi明るみ
zn. (1) [公明] licht o. (2) [公開] openbaarheid v. ¶ 明るみに出す aan het licht brengen; openbaar maken; publiek maken. ¶ 明るみに出る aan het licht komen; bekend worden.
akashi明し
(明かし) zn. (1) [燈火] licht o.; lamp v. (2) [證明] bewijs o. ¶ あかし人 (證人) getuige.
awai淡い
bn. (1) [色] licht; flets. (2) [味] flauw; smakeloos
karuku輕く
(軽く) bw. licht; lichtelijk. ¶ 輕くする verlichten; vergemakkelijken
yowai弱い
bn. zwak; slap; teer; flauw. ¶ 弱い身體 zwak gestel. ¶ 弱い spoedig zeekziek zijn. ¶ 弱い slecht tegen drank kunnen. ¶ 弱い議論 zwak argument. ¶ の午後の弱い日光 het flauwe licht van de winternamiddag. ¶ 弱者 zwakkeling. ¶ 弱者いぢめ verdrukking der zwakken; negeraar (人); iemand, die misbruk maakt van zijn kracht om zwakkeren onrecht te doen.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
hakki發揮
(発揮) zn. vertooning v.; openbaring v. ¶ 發揮する toonen; vertoonen; laten zien; in het licht stellen; doen blijken.
honeoru骨折る
i.w. zwoegen; zich inspannen. ¶ 骨折って儲けた zuur verdiend. ¶ の折れぬ gemakkelijk; licht.
tōka燈火
(灯火) zn. lamplicht o.; lamp v.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
hyōhyō飄々
bw. drijvend; licht; luchthartig.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sugoi凄い
(すごい、スゴイ) bn. (1) afschrikwekkend; benauwend; gruwelijk; huiveringwekkend. ¶ すごいにらむ sugoi me de niramu met een ijselijke blik aanstaren; met een schrikaanjagende blik aankijken. (2) ongewoon; verbazend; opmerkelijk; bewonderenswaardig; geweldig; excellent; fameus; fantastisch; ongelooflijk; ongehoord; verbluffend. ¶ すごい腕前 sugoi udemae opvallend bekwaam. ¶ はすごい知識を持ったです。すなわち、生き字引ですKare wa sugoi chishiki wo motta hito desu. Sunawachi, ikijibiki desu. Hij beschikt over ongelooflijke kennis. Hij is een levende encyclopedie. (TTC) ¶ 姉さんはすごい美人だ。 Kare no neesan wa sogoi bijin da. Zijn zus is een opmerkelijke schoonheid. (TTC) (tevens als uitroep van bewondering of emotie) ¶ へー、キーボード見ないで文字打てるんだ。スゴイわねー。♀ Hèè? kiiboodo minaide moji uterun da. Sugoi wa nèè. Hé, jij kunt tikken zonder te kijken naar het toetsenbord. Cool zeg! (TTC) (3) (zowel in negatieve als positieve zin) in ongewone mate; excessief; extreem; vreselijk; bovenmatig; ontstellend; ontzettend; uiterst; verdomd; zeer; erg; groot (aantal). 半時間ほどすごい土砂降りだった。Hanjikan hodo sugoi doshaburi datta. Een half uur lang hadden we een vreselijke stortregen; Het was een ontzettende stortbui van een half uur. (TTC) bw. ¶ 今日はすごく暑いKyō wa sugoku atsui. Het is vandaag vreselijk warm. (TTC) ¶ が光に対してすごく敏感なのですMe ga hikari ni taishite sugoku binkan na no desu. Mijn ogen zijn enorm gevoelig voor licht. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <licht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
あっさりassari (1) eenvoudig; simpel; zonder meer; gewoonweg; sec; tout court; (2) openhartig; eerlijk; rondborstig; frank; zonder enige reserve; (3) zo maar; vlot; met gemak; moeiteloos; gewoonweg; geredelijk; licht
あっさりしたassarishita eenvoudig; simpel; beknopt; bondig; sober; [~食べ物] licht; [~人] openhartig; eerlijk; rondborstig; frank
ちょっとしたchottoshita (1) onbenullig; onbelangrijk; onbeduidend; onbetekenend; te verwaarlozen; licht; gering; klein; (2) behoorlijk; niet onaardig; verdienstelijk; flink; aanzienlijk; respectabel; best een goed ~
むざむざmuzamuza (1) gemakkelijk; licht; met gemak; moeiteloos; vlotjes; zomaar; (2) zonder verzet te bieden; weerloos; hulpeloos; (3) zonder omhaal; zonder veel drukte; zonder spijt
フワフワfuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; (3) luchtigjes; licht; lichtjes
ライトraito (1) licht; (2) recht; gerechtigheid; (3) recht; voorrecht; (4) rechts; rechterkant; rechterzijde; (5) rechtsveld; rechtsvelder; (6) [honkb.] buitenvelder; verrevelder ; (7) politiek rechts; rechtervleugel; conservatieven; (8) licht-; helder-; (9) licht(e) ~
ランプranpu (1) lamp; licht; [i.h.b.] controlelampje; [veroud.] pit; (2) oprit; helling; hellende invoegstrook; [gew.] ramp; (3) bilstuk; staartstuk; lendenstuk; lendenvlees
交通信号koutsuushingou verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号shingou (1) sein; signaal; (2) verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号機shingouki (1) verkeerslicht; [verk.] licht; [meton.] stoplicht; (2) [spoorw.] seininrichting; seintoestel; seinpaal; [腕木式~] semafoor; [verk.] sein
僅か ; 纔かwazuka (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; ietwat; enigermate; enigszins; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; amper; nauwelijks; maar net; ternauwernood; (3) krap; nauw; eng; (4) slechts; maar; enkel
僅かな ; 纔かなwazukana (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; (3) krap; nauw; eng
光線kousen (1) lichtstraal; (2) licht
kou (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
hikari (1) licht; [Lat.] lumen; [Lat.] lux; lichtglans; lichtgloed; lichtschijn; straal; gestraal; [lit.t.] lichternis; fonkeling; flonkerlicht; schittering; scintillatie; gloed; glans; glinster; glitter; schijn [van een lamp enz.]; schijnsel; straling; gloor; gloring; luister; blink; glim; glimlicht; (2) gezag; uitstraling; glorie; macht; (3) licht (in de duisternis); hoop; (4) Hikari [stad in de prefectuur Yamaguchi]
兎角tokaku (1) hier en daar wat; het een en ander; een hap en een snap; (2) allicht; licht; [niet alg.] zachts; naar men denken kan; hoe dan ook; in ieder geval; het wil wel eens ~
大先生daisensei groot leraar; groot geleerde; prima leraar; autoriteit; sommiteit; licht
小さいchiisai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さなchiisana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
微弱bijaku zwak; gering; flauw; licht
手軽tegaru licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽なtegaruna licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
日差し ; 日射し ; 陽差し ; 陽射し ; 日差 ; 日射hizashi zonlicht; zonneschijn; zonnelicht; zonnestralen; [meton.] zon; [meton.] licht
明いakai (1) helder; licht; (2) licht; dag; klaarlicht; (3) oprecht; eerlijk; waarachtig
明かりakari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.; volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
明るいakarui (1) licht; helder; klaar; (2) opgewekt; vrolijk; zonnig; (3) fair; eerlijk; clean; schoon; rooskleurig; (4) op de hoogte van; met; bekend met; goed kennen; goed thuis in; bedreven in; ervaren in; geverseerd in; onderlegd in; vertrouwd met
明るさakarusa (1) helderheid; briljantheid; licht; felheid; schelheid; luminositeit; (2) levendigheid; opgeruimdheid; opgewektheid; vrolijkheid; fleurigheid; fleur; (3) slimheid; slimmigheid; briljantheid
明るみakarumi (1) klaarte; licht; dag; (2) openbaarheid
mei (1) licht; helderheid; klaarte; (2) inzicht; scherpzinnigheid; (3) zicht; (a) helder; licht; klaar; (b) gaaf; schitterend; (c) dagen; dag worden; (d) duidelijk; klaar; (e) inzicht; scherpzinnigheid; (f) deze wereld; hiernumaals; (g) godheid
浅いasai (1) ondiep; (2) oppervlakkig; vlak; (3) [日が~] pril; (4) [色が~] licht; bleek; (5) [香りが~] discreet; (6) [位; 家柄が~] onaanzienlijk; bescheiden; (7) [情愛が~] kil; onverschillig; lauw; afstandelijk
asa (1) [slang] boerse samoerai; (a) laag; ondiep; oppervlakkig; licht; bleek
淡々awaawa [~と] licht; bleek; flauw; dof; mat; flets; vaal
淡々tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡いawai licht; flauw; [m.b.t. licht; hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
火影 ; 灯影hokage (1) vuurschijnsel; vuurgloed; lichtschijn; lichtschijnsel; licht; (2) beschenen gedaante; belichte figuur
hi (1) vuur; [volkst.] fik; vuurtje; [volkst.] fikkie; [i.h.b.] vlam; (2) brand; hens; (3) licht; lichtje; gloed
灯火touka licht; lamplicht
灯火tomoshibi licht; lamplicht; schijnsel van de lamp
hi licht; lichtje; gloed
照明shyoumei verlichting; belichting; licht
甘く見るamakumiru zich verkijken op; neerkijken op; verkeerd beoordelen; onderschatten; [Belg.N.] zich mispakken aan; onderwaarderen; niet ernstig nemen; niet au sérieux nemen; niet serieus nemen; niet voor vol aanzien; te licht; gemakkelijk opnemen; licht; luchtig opvatten; lichtzinnig omspringen; niet zwaar tillen aan; weinig geven om; minachten; geringschatten
甘口amakuchi (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos; (3) [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; mild
痛みやすいitamiyasui licht; erg bederfelijk; snel bedervend; teer; broos; fragiel
緩いyurui (1) los; slap; wijd; ruim; [m.b.t. kleren] makkelijk; breed; slobberig; (2) onsamenhangend; [m.b.t. pap] dun; week; sopperig; soppig; (3) [m.b.t. enthousiasme] lauw; mat; flauw; futloos; (4) loom; inert; traag; languissant; laks; slof; sloom; lamlendig; (5) zwak (van wil); week; laks; (6) soepel; coulant; meegaand; mild; clement; gul; (7) zacht [hellend]; [m.b.t. bocht] licht; rustig [gekabbel]
hai (1) long; longen; [gew.] licht; [in sanatoria] pit; (a) long; (b) gemoed; hart
薄いusui (1) [m.b.t. papier; muur; lippen; haren etc.] dun; (2) flauw; [m.b.t. koffie; thee] slap; [m.b.t. soep; pap] waterig; (3) [m.b.t. kleur] licht; bleek; vaal; mat; dof; verschoten; (4) schaars; karig; mager; niet copieus; niet overvloedig; gierig
薄手usude (1) [~の] dun; licht; (2) lichte; oppervlakkige wond; (3) pover; oppervlakkig; weinig om het lijf hebbend
薄色のusuirono licht; lichtgekleurd; lichtkleurig; vaalkleurig; pastelkleurig
usu (1) dun; (2) [concentratie; dichtheid] licht; (3) [mate] licht; (4) vaag; flou; enigszins; (5) weinig; gering
軽いkarui (1) licht; niet ernstig; (2) simpel; gemakkelijk; (3) luchtig; (4) onbetekenend; niet belangrijk
軽くkaruku licht; lichtjes; luchtig; lichtelijk; [lit.t.] lichtkens; enigszins; ietsje; ietsjes
軽んじるkaronjiru (1) kleineren; verkleinen; depreciëren; geringschatten; minachten; versmaden; neerkijken op; neerzien op; [~よりも] achterstellen bij; achteruitzetten; [veroud.] kleinachten; (2) niet zwaar tillen aan; weinig ophebben met; een lage dunk hebben van; niets bijzonders vinden; licht; luchtig opvatten; bagatelliseren; futiliseren; minimaliseren; min denken over
軽度のkeidono licht; gering; mild
軽快keikai (1) licht; gezwind; lichtvoetig; kwiek; soepel; behendig; (2) luchtig; luchthartig; monter; speels; levendig; lustig; swingend; vrolijk; opgewekt; (3) [muz.] leggiero; (4) aan de beterende hand
軽快なkeikaina licht; lichtvoetig; luchtig; [〃服装] sportief
軽快にkeikaini licht; lichtvoetig; luchtig
軽犯罪keihanzai lichte overtreding; licht; onbeduidend; gering vergrijp
軽罪keizai (1) overtreding; licht; gering vergrijp; (2) kleine zonde; pekelzonde; dagelijkse zonde; geringe misstap; slippertje; peccadille
軽薄keihaku (1) lichtzinnigheid; wuftheid; frivoliteit; loszinnigheid; (2) lichtzinnig; wuft; frivool; loszinnig; licht; lichtvaardig
軽視するkeishisuru niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; lichtjes opnemen; gering denken over; niets bijzonders vinden; maar niks; een peulenschilletje vinden; kleineren; geringschatten; bagatelliseren; minimaliseren; futiliseren; als onbeduidend voorstellen; depreciëren; neerkijken op; de neus ophalen voor; zijn hand niet omdraaien voor; met de nek aanzien; uit de hoogte aanzien; neerzien op; versmaden; minachten; niet veel ophebben met; [~よりも] achterstellen bij
軽量keiryou (1) licht gewicht; (2) licht; lichtwegend; lichtgewicht-
kei (1) lichte wagen; auto [= max. 3,4 m lang; 1,48 m breed; 2 m hoog; en met een max. cilinderinhoud van 660 cc]; (2) licht; (3) gering; klein; onbeduidend; (a) licht; (b) luchtig; (c) eenvoudig; simpel; (d) oppervlakkig; niet diepgaand; (e) geringschatten; minachten
降るfuru (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰; 雹が] hagelen
電気denki (1) elektriciteit; stroom; (2) (elektrisch) licht
電灯 ; 電燈dentou elektrische lamp; elektrisch licht; lamp; licht; [veroud.] pit
馬鹿にするbakanisuru (1) met geringschatting neerzien op; neerkijken op; met de nek aanzien; minachten; geringschatten; laatdunkend; met minachting behandelen; verachten; (2) kleineren; bagatelliseren; futiliseren; licht; luchtig opvatten; weinig ophebben met; minimaliseren; onbelangrijk vinden; niet serieus nemen; (3) uitlachen; voor de gek houden; voor joker zetten; voor gek laten lopen; voor de mal houden; voor gek zetten; belachelijk maken; ridiculiseren; de draak steken met; bespotten; spotten met; de spot drijven met; schertsen met; beschimpen; honen; gekken met; gekscheren met; een loopje nemen met; dollen met; vernachelen; sollen met; zich vrolijk maken over
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.53 sec. jiten.nl: 21 treffers, warandict: 67 treffers (zoekopdracht: 'licht', strategie: exact). 
2005-2022