日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘liggen’
日蘭辭典 (trefwoord)
aomuku仰向く
i.w. op den rug liggen; achterover liggen.
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
yamu止む
(已む、罷む) i.w. ophouden; stoppen; uitscheiden; eindigen; afgeloopen zijn; stilstaan. ¶ が止んだ de regen is opgehouden. ¶ が止んだ de wind is gaan liggen.
yarippanashi遣放し
(遣りっ放し) zn. niet-afdoening v. ¶ 遣放しにする niet afdoen; onvoltooid laten liggen. ¶ 遣放しの slordig; niet accuraat.
zaga坐臥
(座臥) zn. zitten en liggen; dagelijksch leven o.
mottainai勿體ない
(勿体ない) bn. (1) [不敬] oneerbiedig. (2) [過分] te goed; te mooi; meer dan men verdient. zn. (3) [無駄] zonde; bn. oneconomisch. ¶ 神佛に對して勿體ない heilig schennend. ¶ そんなを戴いては勿體ない het geschenk is veel te mooi voor mij. ¶ こんなに廣い地所を遊ばして置くとは勿體ない het is zonde zoo’n groot stuk land ongebruikt te laten liggen.
nekorobu寢轉ぶ

i.w. gaan liggen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <liggen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ごわすgowasu (1) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (2) [hoff. variant van aru] zijn
ごんすgonsu (1) [hon. variant van kuru] komen; (2) [hon. variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (3) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (4) [hoff. variant van aru] zijn
位するkuraisuru (1) een rang geven; tot een klasse rekenen; klasseren onder; (2) gelegen zijn; liggen; gesitueerd zijn in
凭れる ; 靠れる ; 持たれるmotareru (1) leunen; steunen; staan (tegen); aanleunen tegen; (2) [胃に] liggen
去るsaru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot; echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen; tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
埋没maibotsu (1) het begraven zijn; liggen; het bedolven zijn; (2) het in vergetelheid raken; (3) [fig.] het volledig ondergedompeld zijn; het opgaan in; het opgeslorpt zijn in
埋没するmaibotsusuru (1) begraven zijn; liggen; bedolven zijn; (2) in vergetelheid raken; (3) [fig.] volledig ondergedompeld zijn; opgaan in; opgeslorpt zijn in
居るiru (1) zijn; zich bevinden; bestaan; staan; liggen; (2) wonen; verblijven; leven; resideren; zetelen; (3) aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; in de buurt zijn; thuis zijn; (4) [m.b.t. bloedverwanten; bv. broers of zusters] hebben; (5) [m.b.t. dieren] leven; voorkomen; aangetroffen worden [in een bepaalde habitat]
当たるataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光; 雨; 風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [一等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [フグに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書; 出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
待ち伏せするmachibusesuru in (een) hinderlaag liggen; zich in hinderlaag leggen; zich verdekt opstellen; op de loer liggen; loeren op; opwachten; op het vinkentouw zitten; [Belg.N.] op vinkenslag zitten; liggen
御座るgozaru (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen; (8) [hoffelijkheidsvariant van aru; iru] zijn; hebben
接近するsekkinsuru (1) aanliggen tegen; kunnen tippen aan; dicht bij elkaar staan; liggen; in de buurt komen; gewaagd zijn aan; (2) naderen; nader komen tot; benaderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; [form.] genaken; niet ver af zijn van; dicht passeren; (3) avances maken; toenadering zoeken; de eerste stappen doen; dichter aankruipen (tegen); aansluiting; anschluss zoeken bij; het aanleggen met; aanpappen met; intiem worden met; familiair worden met
放って置くhoutteoku (1) het erbij laten (zitten); maar laten zitten; rusten; met rust laten; er niet aankomen; de boel de boel laten; de dingen laten zoals ze zijn; (2) verwaarlozen; onbeheerd; onverzorgd laten; z'n gang laten gaan; laten begaan; aan z'n lot overlaten; laten betijen; laten varen; in de steek laten; de boel laten vlotten; [gew.] laten otteren; laten versloffen; de handen aftrekken van; de boel in de lappen laten hangen; liggen; [gew.] iets op zijn gat laten aflopen
眠る ; 睡るnemuru (1) slapen; rusten; [inform.] maffen; [inform.] een mafje doen; [soldatent.; inform.] pitten; [zeemanst.; volkst.] 'em knijpen; [zeemanst.; volkst.] piepen; [Barg.; volkst.] norsen; [Barg.] bronzen; [Barg.] dolmen; [Barg.] poven; [i.h.b. van vogels] roesten; (2) [euf.; van de doden] slapen; rusten; (begraven) liggen; (3) slapen; braak liggen; [van kapitaal] doodliggen; ongebruikt liggen; onbenut liggen; onaangesproken zijn; onaangeboord zijn; onontwikkeld zijn; onontgonnen zijn
積もるtsumoru (1) zich ophopen; zich opstapelen; zich opeenstapelen; zich opeenhopen; zich accumuleren; zich samenpakken; [塵; 雪が] (blijven) liggen; [金が] aantikken; aantellen; (2) oplopen; opsparen; opproppen; [i.h.b.] zich opkroppen; (3) schatten; ramen; taxeren; waarderen; (4) peilen; zich indenken; zich voorstellen
適すtekisu geschikt zijn; in aanmerking komen; gepast zijn; passend zijn; [form.] voegzaam zijn; aangewezen zijn; toepasselijk zijn; adequaat zijn; toereikend zijn; geëigend zijn; geknipt zijn; passen; liggen
適するtekisuru geschikt zijn (voor); in aanmerking komen voor; gepast zijn (voor); passend zijn (voor); [form.] voegzaam zijn (voor); aangewezen zijn; toepasselijk zijn; adequaat zijn; toereikend zijn; geëigend zijn; geknipt zijn (voor); passen bij; liggen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.61 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'liggen', strategie: exact). 
2005-2021