日蘭辭典+

55 resultaten voor ‘man’
日蘭辭典 (titelwoord)
man
(万) telw. tienduizend. ¶ 萬に一つ duizend tegen een; zeer onwaarschijnlijk.
日蘭辭典 (trefwoord)
hito
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ een zekere Ito. ¶ de ouden. ¶ 好き好き ieder zijn smaak. ¶ 惡い iemand met onaangenaam karakter. ¶ なる een man worden; volwassen zijn. ¶ と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 中で in het publiek. ¶ がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
ningen人間
zn. (1) [] mensch m.; menschelijk wezen o.; schepsel o. (2) [人類] menschheid v. (3) [世間] de wereld v. ¶ 人間時代 het tijdperk van de mensch. ¶ 人間以上の bovenmenschelijk. ¶ 人間らしい menschelijk. ¶ 人間にする een man maken van. ¶ 人間の menschelijk; stervelijk. ¶ 人間嫌ひ menschenhater; misanthroop. ¶ 人間世界 de menchenwereld. ¶ 人間業 menschelijk werk; menschenwerk.
otoko
zn. (1) [子] man m.; volwassen man (大人) m. (下僕) bediende m.; knecht m.; mannelijkheid (子の意氣) v. (2) [情夫] minnaar m. ¶ の mannelijk. ¶ 盛り bloei van de mannelijke kracht; kracht van het leven. ¶ になる (が) climacterische leeftijd bereiken. ¶ 今度赤ちゃんですかですか is het een jongen of een meisje? ¶ 知らず maagdelijk.
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
yarite遣手
(遣り手) zn. (1) [仕手] maker m.; dader m. (2) [與へる人] gever m.; schenker m. (3) [手腕家] bekwaam man m. (4) [妓樓の] hoerenwaardin v.
yasaotoko優男
zn. man met beschaafde manieren.
okina
zn. oude man m.
donnaどんな
vnw. wat voor?; wat voor soort?; welk soort van?; bw. hoe. ¶ どんなwaarom? ¶ どんなでも welke ook; ¶ どんなにも hoe zeer ook. ¶ どんなにしても in elk geval; hoe het ook zij; wat er ook gebeure. ¶ 彼はどんな人か wat is hij voor een man? ¶ 御商買の方は此頃どんなです hoe staat het met de zaken tegenwoordig? ¶ どんなに彼は嬉しいだらう wat zal hij blij zijn!
danna旦那
zn. (1) [主人] heer m.; meester m. (2) [良人] echtgenoot m.; man m. (3) [敬稱] mijnheer m.; meneer m. ¶ 旦那顏をする den baas spelen. ¶ 旦那取りする gemainteneerd worden.
tadashii正しい
bn. (1) [正當な] rechtvaardig; billijk. (2) [正直な] eerlijk. (3) [眞實な] waar. (4) [適當] juist. ¶ 正しい eerlijk man. ¶ 正しき語法 juist gebruik van woorden. ¶ 正しい方法 de goede manier; de ware weg. ¶ 血統の正しい van zuiver bloed.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
kanja冠者
zn. jonkman m.; jonge man m.
daijinbutsu大人物

zn. groot man m.

daijōfu大丈夫

zn. groot man m.; man van eer; man van zijn woord.

dan

zn. (1) [男子] man m. (2) [息子] zoon m. (3) [爵] baron m.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kono yoこの世
(frase) het leven; de wereld; de aarde; het leven op aarde. ¶ ああこのためにどれほど多くの悲しいことがこの世起こることであろうか! Aa, kane, kane! Kono kane no tame ni dore hodo ooku no kanashii koto ga kono yo ni okoru koto de arō ka! Ach, geld, geld! Hoe vaak zal het (wel niet) zijn dat trieste dingen in dit leven gebeuren omwille van dat geld! (tweet) ¶ この世新しいものはない。 Kono yo ni atarashii mono wa nai. Niks nieuws onder de zon. (TTC) ¶ この世で一番の幸せ者だ。 Kare wa kono yo de ichiban shiawase mono da. Hij is de gelukkigste man op aarde. (TTC) ¶ 詩人この世を男がを見つめるように見つめる。 Shijin wa kono yo wo otoko ga onna wo mitsumeru yō ni mitsumeru. Een dichter kijkt naar de wereld zoals een man naar een vrouw kijkt. (TTC)

date-otoko伊達男
(zn.) (1) trendy [smaakvolle, chique] manspersoon. (2) dandy; modegek; ijdeltuit. (3) riddelijke man (maar mogelijk oplichter). ¶ 伊達男は素足に革靴できめる! Date-otoko wa su-ashi ni kawagutsu de kimeru! Een modegek draagt leren schoenen zonder sokken! (twitter)

shi
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ が短いし、も軽いだ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:12-14〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
この男は岡田と云う学生で、僕より一学年若いのだから、とにかくもう卒業に手が届いていた。岡田がどんな男だと云うことを説明するには、その手近な、際立った性質から語り始めなくてはならない。それは美男だと云うことである。

Kono otoko wa, Okada to iu gakusei de, boku yori ichigakunen wakai da kara, tonikaku mō sotsugyō ni te ga todoite ita. Okada ga donna otoko da to yū koto wo setsumeisuru ni wa, sono tejikana, kiwadatta seishitsu kara katawarihajimenakute wa naranai. Sore wa binan da to yū koto de aru.

Aangezien deze man, Okada geheten, in het jaar voor mij zat, zou hij in ieder geval over niet al te lange tijd kunnen afstuderen. Om uit te leggen wat voor man Okada was, moet ik beginnen met een opvallende en voor de hand liggende eigenschap van hem. Dat is dat hij een knappe man was.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <man>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
やれyare (1) hé; hei; zeg; hallo [= aanroep of uitroep om de aandacht te trekken]; (2) hè; hèhè; pfiew; pfoe; poehpoeh; blij toe; goddank; godzijdank; gelukkig; de hemel zij dank [= uiting van opluchting; vreugde]; (3) o; oh; goh; ah; ach; jee; man; sjonge; nee maar; goeie genade; lieve hemel; asjemenou; amai [= uiting van verbazing; ergernis]; (4) komaan; vooruit; kom; allee; tsa [= uiting van aansporing]
マンman (1) [comp.] MAN [= metropolitan area network]; (2) Mann; Horace [= Amerikaans onderwijshervormer; 1796-1859]; (3) Mann; Heinrich [= Duits schrijver; 1871-1950]; (4) Mann; Thomas [= Duits schrijver; 1875-1955]; (5) Munn; Harold Warner [= Amerikaans schrijver; 1903-1981]; (6) Mann; Herbie [= Amerikaans jazzmusicus; 1930-2003]; (7) Mann; Michael Kenneth [= Amerikaans cineast; geb. 1943]; (8) Mann; Ami Canaan [= Amerikaans cineaste; geb. 1970]; (9) Man; (10) MAN [= Duits conglomeraat]; (11) -man
man (1) tienduizend; (2) tienduizendtal; horde; myriade; zeer groot aantal
主人shyujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
亭主teishyu (1) eigenaar; waard; (2) man; echtgenoot; (3) gastheer
jin iemand afkomstig uit ~; iemand wonend in ~; inwoner; bewoner van ~; -er; -aan; -ees; -aar; -man; -iet; -ling
nin (1) mens; persoon; ziel; sterveling; (2) [maatwoord voor personen]; (3) -er; -aar; -e; -man; -ant
人 ; ヒトhito (1) mens; Homo sapiens; (2) persoon; mens; ziel; sterveling; [oorspr.bijb.] mensenkind; [oneig.] man; [oneig.] vrouw; figuur; individu; type; iemand; (3) karakter; inborst; aard; persoonlijkheid; [i.h.b.] talent; (4) de mensen; hij of zij; iemand anders; de andere; men; je
shi (1) [Jap.gesch.] samoerai; Japanse ridder; (2) persoon; man; heer; (3) [bijb.] Rechters; Richteren; [in de Vulgaat] Iudices; [afk.] Re.; [afk.] Richt.; [afk.] Iud.
大物oomono (1) groot exemplaar; prachtexemplaar; kanjer; kokkerd; kokker; (2) kopstuk; zwaargewicht; belangrijk iemand; hoge ome; piet; bigshot; man; vrouw van gewicht; iemand van kaliber; leidende figuur; (3) [sportt.] sterspeler; topspeler
大統領daitouryou (1) president; (2) [groot gelijk,] joh!; [zo mogen wij het horen,] maat!; [heel juist,] man!
otto man; echtgenoot; huwelijkspartner; levensgezel; levenspartner; wederhelft; eega
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
tsuma (1) echtgenote; vrouw; gade; gemalin; eega; wederhelft; (2) wolfeind; driehoekig zijvlak van een Japans zadeldak (kirizuma-yane 切妻屋根) of wolfdak (irimoya-yane 入母屋屋根); (3) garneersel (bestaande uit rauwkost of zeewier); garnering; garnituur; versiering; [i.h.b.] ~ van het tweede garnituur; bijzaak [alternatieve kanji: 具]; (4) echtgenoot; man; gade; gemaal; eega; wederhelft [epistolaire term waarmee een briefschrijfster haar man aanduidt; spelling: 夫]
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat; één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara; Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
小父さんojisan (1) [kindert.] man; vent; kerel; (2) [als aanspreekvorm (yobikake 呼びかけ)] meneer; mijnheer; u
御主人 ; ご主人goshyujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
愛縁 ; 相縁 ; 合縁aien (1) [boeddh.] liefdesrelatie; liefdesbetrekking; minne; min; (2) hechte relatie als tussen ouder; kind; man; vrouw of leraar; discipel
旦那さんdannasan (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
旦那様dannasama (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
楫取りkajitori (1) roerganger; stuurman; man-te-roer; [inform.] stuur; [lit.t.] palinuur; (2) het sturen; stuurmanskunst; (3) leiding; het besturen; bestuur; management
法師houshi (1) [boeddh.] boeddhistisch leermeester; [oneig.] goeroe; [i.h.a.] bonze; boeddhistisch priester; monnik; (2) leek in de gedaante van een geestelijke; meester; (3) jongetje; knaap; (4) -man; -figuur
man (1) volheid; volte; (2) vol jaar; (3) [~…歳] ten volle … jaar; (a) volledig gevuld raken; (b) (aantal; termijn) volmaken; (c) volstaan; voldoende zijn; tevredenstellen; (d) overvloedig; weelderig; (e) alles; integraal; (f) Mantsjoerije
kan (1) China; (2) [Chin.gesch.] Hàn [= naam van meerdere Chinese dynastieën]; (3) Han-Chinezen; (4) Melkweg; (5) streek van Hànzhōng; (6) -man; -kerel; -type; (a) Hàn-rivier; (b) Melkweg; (c) man; (d) [Chin.gesch.] Hàn-dynastie; (e) China; [i.h.b.] Han-Chinezen
男の人otokonohito man; persoon van het mannelijke geslacht
男子danshi (1) jongen; knaap; (2) man; [mv.; opschrift enz.] heren
男性dansei (1) man; [biol.] mannetje; [mv.] man(s)volk; [mv.] man(s)lui; [verzameln.] sterke geslacht; (2) mannelijkheid; het man-zijn; masculiniteit; (3) [taalk.] masculinum; mannelijk genus; geslacht
otoko (1) man; persoon van het mannelijke geslacht; (2) kerel; vent; makker; baas; oude baas; oude knar; (3) volwassene; volwassen man; (4) knecht; huisknecht; dienstbode; bediende; dienaar; (5) mannelijkheid; viriliteit; manhaftigheid; flinkheid; eer; reputatie; goede naam; eergevoel; ponteneur; (6) minnaar; geliefde; vrijer; lief; beminde
老齢者roureishya bejaarde; oudje; man; vrouw op leeftijd; [verzameln.] ouden van dagen
man (a) kruipend gewas; kruiper; klimplant; klimmer; (b) wild groeien; woekeren; kruipen; klimmen
tsuu (1) kenner; expert; connaisseur; deskundige; autoriteit; sommiteit; (2) vertrouwdheid; kennis; deskundigheid; autoriteit; (3) begrip; inleving; (4) subtiel persoon; geraffineerd iemand; (5) man; vrouw van de wereld; mondain iemand; (6) het vertrouwd zijn met; het goed op de hoogte zijn van; het goed ingelicht zijn over; het goed ingevoerd zijn in; het goed thuis zijn in; het geverseerd zijn in; het doorkneed zijn in; het bedreven zijn in; het goed onderlegd zijn in; het bekend zijn met; het wegwijs zijn in; (7) x brieven; x stuks; x exemplaren [kwantor voor brieven; documenten; afschriften enz.]
配偶者haiguushya (1) echtgenoot; wederhelft; gemaal; huwelijkspartner; man; [scherts.; deftig] eega; [scherts.; deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos; (2) echtgenote; wederhelft; betere helft; gemalin; huwelijkspartner; vrouw; [scherts.; deftig] eega; [scherts.; deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos
野郎yarou (1) [min.] lul; zak; klootzak; idioot; klier; hufter; schoft; schurk; smeerlap; [Belg.N.] crapuul; rotvent; rotzak; ploert; (2) man; kerel; vent; makker; maat; (3) jongeman met kaalgeschoren voorschedel; [i.h.b.] kabuki-acteur met kaalgeschoren voorschedel; (4) kaalgeschoren voorschedel; maantje; (5) schandknaap
金玉kintama (1) gouden juweel; gouden bol; (2) [inform.] bal; ballen; [vulg.] kloot; kloten; [gew.; vulg.] schaal; schalen; (3) man; kerel; gast; knul; (4) Japanse kumquat; Fortunella japonica
man [dierk.] paling; aal
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.51 sec. jiten.nl: 20 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'man', strategie: exact). 
2005-2021