日蘭辭典+

27 resultaten voor ‘missen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ataru當る
(当たる・当る) i.w. (1) [接觸] aanraken; schaven (擦過). (2) [該當] overeenstemmen met; overeenkomen met. (3) [衝突] treffen; botsen; raken. (4) [的中] treffen. (想像等が) goed voorspellen; goed raden. (5) [當籤] winnen. (6) [成功] slagen. (7) [引受ける] ter hand nemen; aanvatten. (8) [探る] polsen. (9) [相當] slaan op; toepasselijk zijn op. (10) [中毒] vergiftigd zijn; ziek worden door. (11) [出會] ontmoeten. (12) [量る] meten. (13) [金額が] bedragen; komen op. (14) [日が當る] beschijnen; bestralen. (15) [火にあたる] zich warmen. (16) [方角] liggen in de buurt van. ¶ 一磅は約拾圓に當る een pond is ongeveer gelijk aan tien yen. ¶ 彈丸は當らなかった het schot raakte niet; het schot miste. ¶ 占が當る de voorspelling komt uit. ¶ 罸が當った het lot heeft gewonnen. ¶ 其の小説は當らなかった die roman had geen succes; het boek sloeg niet in. ¶ 事に當る hij neemt de zaak ter hand; hij bemoeit zich er mede. ¶ 先方の意向を當って見た ik heb hem eens gepolst. ¶ 各所で相場を當って見た方がよい het zou goed zijn op verschillende plaatsen naar den prijs te informeeren. ¶ 此の規則は右の場合に當る deze bepaling is in dit geval toepasselijk. ¶ 海老に中毒〔に當〕った de kreeft is mij slecht bekomen. ¶ 深さを當って見ると三尺あった de diepte bleek drie voet te bedragen. ¶ 此の窓に夕日があたる dit raam heeft de namiddagzon. ¶ 火に御あたりなさい warm u bij het vuur. ¶ 大阪は東京の西にあたる Osaka ligt westelijk van Tokio. ¶ 今や戦時に當り nu, dat het oorlog is. ¶ 局に當る者 autoriteiten, welke het aangaat; de betrokken autoriteiten. ¶ 何だか當てゝ御覧なさい raad eens wat het is.
ate
(当て) zn. (1) [信賴] vertrouwing v. (2) [目的] doel o. (3) [期待] verwachting v.; hoop v. (4) [手掛り] leidraad m. ¶ 當になる betrouwbaar; geloofwaardig. ¶ 當もなく doelloos. ¶ 當が外れる zijn doel missen; teleurgesteld worden. ¶ 當にする vertrouwen op. ¶ を當にして op grond van.
atesokonauあて損ふ
(当て損なう) i.w. missen; misschieten; verkeerd raden.
seikō正鵠
zn. hoofdzaak v.; punt, waar het op aankomt. ¶ 正鵠を得る den spijker op den kop slaan. ¶ 正鵠を失す er geheel naast zijn.
sabishii淋しい
(寂しい、さみしい) bn. eenzaam; verlaten. ¶ 寂しい verlaten oord; eenzame plek. ¶ 寂しい景色 somber landschap. ¶ 寂しいと思ふ zich eenzaam voelen. ¶ がゐなくなると寂しくなる we zullen je missen als je weg bent; het zal ongezellig zijn als je weggaat.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <missen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
逸れる soreru (1) [doel enz.] missen; er naast gaan; schieten; (2) afdwalen; afbuigen; [i.c.m. 航路から] uit de koers raken; van richting; koers veranderen; een andere kant opgaan; afwijken; een wending nemen; [van de rechte weg enz.] afgaan; [i.h.b.] afslaan; [i.h.b.] (af)zwenken; [i.h.b.] afdraaien
逃す nogasu missen; er niet toe komen te; ; (1) laten ontsnappen; laten ontglippen; laten glippen; uitlaten; laten ontkomen; ervandoor laten gaan; laten wegkomen; laten ontvluchten; voorbij laten gaan; verlopen; laten schieten; laten varen; missen; prijsgeven; (2) redden uit; helpen uit; bevrijden uit; verlossen van
抜ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar, tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht, fut, pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap, wedstrijd, computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting, stad enz.] vallen
失う ushinau (1) verliezen; kwijtraken; (2) [een kans] missen; (3) beroofd worden van; ontdaan worden van; ontzetten worden uit
逸する issuru (1) laten voorbijgaan; missen; laten ontsnappen; er vandoor laten gaan; (2) [名を] prijsgeven; laten varen; schieten; ; (1) afwijken van; afraken van; afdwalen van; (2) ontsnappen uit; (3) verloren gaan; (4) zich vermaken
欠如する ketsujosuru missen; ontbreken; mankeren; te kort komen; tekortschieten in; zitten zonder; gebrek hebben aan; ontberen; niet voorhanden zijn
欠乏する ketsubousuru te kort hebben; te weinig hebben; gebrek hebben aan; van node hebben; nodig hebben; raken zonder; onvoldoende bezitten; tekortschieten in; ontbreken aan; missen; ontberen; [lit.t.] derven; mangelen aan; ontoereikend; deficiënt zijn
無い nai (1) er niet zijn; niet bestaan; (2) niet hebben; zitten zonder; het stellen zonder; -loos zijn; on-… zijn; ontbloot zijn van; derven; verstoken zijn van; (3) niet vergen; minder zijn dan; (4) missen; ontbreken; (5) geen ervaring hebben met; onbekend zijn met; (6) zijns gelijke niet hebben; kennen; (7) afwezig zijn; absent zijn; uit zijn; weg zijn; van huis zijn; ; (1) […~] [negatie-uitgang]; (2) […~] [negatief adjectiverende uitgang]
懐かしい natsukashii dierbaar; nostalgisch; heimwee hebben naar [een vroegere omgeving of toestand]; missen; sterk verlangen naar; hunkeren naar; smachten naar; snakken naar; zuchten naar
懐かしむ natsukashimu missen; met heimwee terugdenken aan; heimwee hebben naar; smachten naar; hunkeren naar; verlangen naar
慕う shitau (1) verlangen naar; hunkeren naar; uitzien naar; missen; (2) innig houden van; liefhebben; beminnen; graag mogen; (3) aanbidden; bewonderen; adoreren; vereren; op handen dragen; (4) volgen
恋しがる koishigaru verlangen naar; snakken naar; smachten naar; hunkeren naar; zuchten naar; heimwee hebben naar; missen
恋しい koishii (1) geliefd; bemind; lief; dierbaar; zeer gezien; (2) nostalgisch; vervuld van nostalgie; heimwee hebbend naar; verlangen; (3) naar; missen
切れる kireru (1) goed snijden; scherp zijn; (2) doorslaan; gek worden; (3) opgedragen raken; (4) opraken; uitgeput raken; leeg raken; [電池が] uitgewerkt raken; (5) aflopen; verstrijken; vervallen; (6) afbreken; tot een einde laten komen; (7) missen; niet hebben; (8) slim zijn; gewiekst zijn; scherpzinnig zijn; (9) gewond raken; gesneden worden; (10) 10. barsten; in elkaar storten
休む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud., bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
逸れる hagureru uit het oog verliezen; het contact verliezen met; kwijtraken; [Belg.N.] kwijtspelen; bijster raken; afdwalen van; ; er niet in slagen te; missen; mislopen
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid, de hengsels, de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek, de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
外す hazusu (1) losmaken; openmaken; [眼鏡を] afzetten; afdoen; [ベッドカバーを] afhalen; [ボタンを] losknopen; loskoppelen; [留金を] loshaken; afhaken; losgespen; afgespen; verwijderen; weghalen; nemen van; wegnemen; weglaten van; van het slot doen; [戸を] uitlichten; uittillen; [i.h.b.] disloqueren; [mech.] debrayeren; [techn.] ontkoppelen; [ギアを] afkoppelen; (2) [機会を] missen; onbenut laten; laten ontglippen; verkijken; mislopen; misslaan; misschieten; (3) ontkomen aan; ontsnappen aan; ontwijken; pareren; afwenden; (4) [席を] verlaten; ervandoor gaan
不足する fusokusuru tekortschieten; ontbreken; mangelen; schorten; falen; onvoldoende zijn; ontoereikend zijn; niet genoeg zijn; missen; te kort komen; verlegen zitten om; [veroud., dicht.] gebreken
後れる okureru (1) te laat zijn; te laat aankomen; [汽車に] missen; (2) niet meekunnen; achterblijven; [in snelheid, ontplooiing, ontwikkeling etc.] achter anderen blijven; achterliggen; achterraken; achteropraken; (3) achter zijn; ten achter zijn; niet mee zijn [met zijn tijd, met de geest des tijds, met de mode etc.]; ouderwets zijn; (4) [m.b.t. klok, uurwerk] achterlopen; te langzaam lopen
欠ける kakeru (1) afbreken; afgebroken zijn; (2) missen; ontbreken; niet genoeg hebben; onvoldoende zijn; (3) achteruitgaan; tanen; (4) ontstaan [van een vacature]; vrijkomen [van een baan]; vrij worden
逃がす nigasu (1) vrijlaten; loslaten; lossen; (vrijuit) laten gaan; laten lopen; in vrijheid stellen; (2) laten ontsnappen; laten ontglippen; laten glippen; laten ontkomen; laten wegkomen; laten ontvluchten; [m.n. gelegenheid, kans e.d.] voorbij laten gaan; [m.n. gelegenheid, kans e.d.] verlopen; laten schieten; missen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'missen', strategie: exact). 
2005-2019