日蘭辭典+

43 resultaten voor ‘moment’
日蘭辭典 (trefwoord)
tokoro處、所
(ところ) zn. (1) [場所] plaats v. (2) [住所] woonplaats v.; verblijfplaats v. (3) [位置] positie v. (4) [土地] streek v. (5) [] punt o. (6) [] ding o. (7) [] moment o. (8) [場合] gelegenheid v. ¶ hoewel. ¶ では voor zoover; in zooverre als. ¶ 僕の見るでは naar mijn oordeel; mijns inziens.
-shinaniしなに
bw. op het moment. ¶ 寢しなに als men gaat slapen.
kōjiki好時機
zn. goed moment n.; het juiste oogenblik o.; goede gelegenheid.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kōkutsu後屈
zn., suru-ww. achterovergebogen; achterover buigen. ¶ 今日はヨガの後屈のポーズのおですKyō wa yoga no kōkutsu no pōzu no hanashi desu. Vandaag ga ik het hebben over houdingen in yoga waarbij je achteroverbuigt. ¶ 後屈のポーズには、全身のエネルギーを活性化して、自分でも気づかなかった感情と出会うがあります。 Kōkutsu no pōzu ni wa, zenshin no enerugī wo kasseikashite, jibun de mo kizukanakatta kanjō to deau toki ga arimasu. Bij achterovergebogen houdingen activeer je energie in je hele lichaam en zul je op momenten emoties tegenkomen waarvan je zelf niet eens wist dat je ze had. (blog) NB antoniem: zenkutsu 前屈

SUPPLEMENT (trefwoord)
vader, papa

(znw., de vaderen [vaders]; de papa’s)

(1) [mannelijke ouder van een of meer kinderen] chichi ; chichioya 親. ¶ Doordat haar ouders gescheiden waren had het meisje weinig contact met haar vader. Ryōshin ga zakkonshita tame, sono shōjo wa hotondo chichioya to no sesshoku ga nakatta. 両親が離婚したためその少女はほとんど親との接触がなかった。 (TTC)

(2a) [titel binnen het gezin] otōsan お父さん; otōsamaさま; papa パパ. ¶ Papa, ik wil naar huis. Otōsan, hayaku kaeritai. お父さん早く帰りたい。(TV) ¶ Papa, mijn ballon vliegt weg. Papa, fūsen, tondetchatta. パパ、風船、飛んでっちゃった。 (TV)

(2b) [kindertaal: pappie] otōchanちゃん; papa パパ.

(2c) [afkorting: pa, paps] otō.

(3) [nederig beleefd, gebruikt tegen derden voor eigen vader] chichi ; chichioya 親. ¶ Vergeet u alstublieft niet om volgende week bij mijn vader langs te gaan. Raishū, wasurezu ni chichi ni atte kudasai. 来週、忘れずにに会って下さい。(TTC) NB Met name kinderen maar ook anderen zeggen gewoon otōsan お父さん voor hun eigen vader tegen derden in plaats van het nederig beleefde chichi .

(4) [informeel, tegen derden] oyaji [親仁,親爺,老爺,オヤジ] (NB alleen door mannen gebruikt, ‘ouwe man’). ¶ Mijn ouwe man werkt aan de tuin ieder moment dat ’ie tijd heeft. Oyaji wa aima-aima ni niwajiri wo suru. おやじは合間合間に庭いじりをする。(TTC)

(5) [beleefd, over iemands anders vader] otōsan お父さん; otōsamaさま.

(6) [voorvader(en)] sosen 祖先; fuso 祖.

(7) [uitvinder, grondlegger] kaiso 開祖; sōshisha 創始者.

(8) [katholieke priester] shinpu.

(9) [de Heilige Vader, de Paus] rōma kyōkō ローマ教皇.

(10) [Onze Hemelse Vader, God] kamisama 神様; tentei 天帝.

(11) [Vader des Vaderlands] kokumin no chichi 国民の; kokufu.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <moment>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
そこでsokode (1) dan; aldus; dus; daarom; zodoende; vandaar; [form.] derhalve; daardoor; bijgevolg; (2) nu dan; welnu; nou; en dan nu; (3) dan; op dat ogenblik; moment; toen
その頃sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
モーメントmoomento (1) moment; ogenblik; (2) [nat.] moment; (3) [fig.] moment; factor
一刻ikkoku (1) moment; ogenblik; poosje; tijdje; (2) koppig; stug; stijfkoppig; eigenwijs; onbuigzaam; halsstarrig; eigenzinnig; obstinaat; (3) heethoofdig; opvliegend; driftig; choleriek
一瞬isshyun (1) ogenblik; moment; tel; oogwenk; (2) gedurende een ogenblik; gedurende een moment; gedurende een tel; gedurende een oogwenk
一緒にisshyoni (1) samen met; tezamen met; met; [veroud.] tegader; [veroud.] tegaar; (2) tegelijk; tegelijkertijd; gelijktijdig; op hetzelfde ogenblik; moment; (3) in één keer; in z'n geheel; ineens; in één betaling
一際hitokiwa (1) opvallend; opmerkelijk; uitgesproken; buitengewoon; bij uitstek; uitermate; speciaal; in het bijzonder; vooral; voornamelijk; (2) rang; stand; (3) fase; moment
yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
何時何時itsunandoki (1) wanneer; (2) om het even wanneer; op elk (willekeurig) moment
刹那setsuna (1) [boeddh.] uiterst kleine tijd; moment; ogenblik; oogwenk; (2) triljoenste deel; 10-18
刻みkizami (1) het snijden; hakken; kerven; slijpen; (2) kerf; insnijding; inkeping; keep; snede; (3) kerftabak; gekorven tabak; (4) [kabuki] ritmisch geklepper met klaphoutjes; (5) moment; periode; (6) klasse; rang; (7) interval; eenheid; segment
場合baai (1) geval; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) omstandigheden; situatie
契機keiki (1) kans; gelegenheid; geschikte omstandigheid; aanleiding; (2) (in de filosofie) moment
寸秒sunbyou ogenblik; ogenblikje; moment; momentje; seconde; secondje
差し当たりsashiatari (1) op dit ogenblik; moment; nu; voorlopig; voor het ogenblik; moment; alvast; (2) beletsel; belemmering; obstakel
弾みhazumi (1) terugsprong; stuit; terugkaatsing; terugstuit; (2) aansporing; stimulans; impuls; prikkel; stuwkracht; drijfveer; zetje; boost; (3) moment; ogenblik
当座touza (1) heden; nu; tijdelijke; voorlopige; ogenblik; moment; (2) tussentijd; interim
toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
折りori (1) gelegenheid; moment; keer; kans; (2) wanneer; (3) vouw; (4) … keer gevouwen; toegevouwen
拍子hyoushi (1) [muz.] maat; ritme; tempo; (2) gelegenheid; moment; ogenblik; (3) [maatwoord voor maten; ritmes]
斯須shishyu ogenblik; moment; korte tijd
時期jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時点jiten tijdstip; tijdsmoment; ogenblik; moment
時 ; 秋toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
束の間tsukanoma korte tijd; moment; ogenblik; poos; poosje; [gew.] hortje; [gew.] lutje; [gew.] rukje
ki (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel; (4) [maatwoord voor vliegtuigen]
dan (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte; (8) het feit (… te zijn); (9) fase; stadium; geval; moment; situatie; (10) [~ではない; じゃない] mate; kwestie
片時katatoki moment; ogenblik
番いtsugai (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid; (8) [maatwoord voor groepen; ploegen]
瞬時shyunji moment; ogenblik; korte tijd; seconde
瞬間shyunkan (1) korte tijd; ogenblik; moment; [fig.] seconde; [gew.] roef; (2) [adv.] ogenblikkelijk; [adv.] onverwijld; [adv.] terstond; [adv.] onmiddellijk; [adv.] dadelijk; [adv.] direct; [adv.] in een oogwenk; [adv.] in een mum van tijd; [adv.] in een flits; [adv.; veroud.] instantelijk; [gew.] in; op een roef
fushi (1) [plantk.] knoop; nodus; [i.h.b.] stengelknoop; knorf; kwast; knoest; war; noest; kwar; knobbel; gewricht; gewrichtsknobbel; geleding; kneukel; knokkel; knokel; kluwen; knot; knoedel; (2) punt; plek; plaats; passage; locus; (3) moment; gewichtige gebeurtenis; tijdsgewricht; overgangspunt; sluitstuk; (4) [muz.] melodie; toon; noot; [muz.] passage; (5) intonatie; klemtoon; accent; (6) gedroogde bonito (Katsuwonus pelamis); (7) [maatwoord voor knopen; kneukels]
都合tsugou (1) geschiktheid; moment; gelegenheid; gemak; conveniëntie; voordeel; belang; (2) redenen; omstandigheden; (3) in totaal; alles bij elkaar; alles samen; alles erop en eraan; welgeteld; in summa; in toto
ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
随時zuiji (1) zo; waar; indien nodig; al naargelang het nodig is; indien de omstandigheden het nodig maken; al naar behoefte; naar believen; (2) om het even wanneer; op elk (willekeurig) moment; te allen tijde; bij gelegenheid
giwa (1) -kant; tegen …; (2) -tijd; -moment; op het punt staand te …; de; het … nabij
sai moment; gelegenheid; omstandigheden; geval
koro (1) tijdstip; moment; tijd; (2) terwijl ~; gedurende de tijd dat ~; toen ~; ten tijde dat ~; (3) omstreeks ~; rond het tijdstip van ~
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.7 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'moment', strategie: exact). 
2005-2021