日蘭辭典+

56 resultaten voor ‘nemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
amanzuru甘んずる
i.w. genoegen nemen met; zich tevreden stellen met.
an-anri no暗々裏の
(暗々裏・暗々裡) bn. stilzwijgend; stil; indirect. ¶ 暗々裏に承諾する stilzwijgende toestemming geven. ¶ 暗々裏に彼に辭職すべく諷した hij kreeg een wenk om zijn ontslag te nemen.
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
ji-suru持する
t.w. houden; handhaven; in acht nemen. ¶ 固く持する pal staan. ¶ 五戒を持する de vijf geboden in acht nemen.
ji-suru辭する
i.w. (1) [辭任] ontslag nemen. t.w. (2) [辭退] weigeren; i.w. zich verschoonen. i.w. (3) [暇乞] afscheid nemen.
akirameru諦る
(諦める) i.w. berusten in; genoegen nemen met; zich neerleggen bij; (放棄) hoop opgeven; hoop laten varen.
yaritori遣取
(遣り取り) zn. geven en nemen; ruilen o. ¶ 書面の遣取 briefwisseling; correspondentie.
sochi措置
zn. maatregelen m.mv.; regeling v.; stappen m.mv. ¶ 措置を取る maatregelen nemen; stappen doen; regeling treffen.
ukeru受ける
t.w. (1) [受納] ontvangen; nemen. (2) [受止める] pakken; tegenhouden. (3) [檢査] ondergaan; ervaren. (4) [蒙る] krijgen; lijden. (5) [許可等] krijgen; verkrijgen. ¶ 命を受ける bevel krijgen. ¶ 檢査を受ける onderzocht worden. ¶ 受ける gestraft worden. ¶ 俸給を受ける tractement ontvangen. ¶ 治療を受けてゐる onder geneeskundige behandeling.
keikaku計畫
(計画) zn. (1) [計畫] plan o.; programma o.; onderneming v. (2) [考へ] overweging v. ¶ 計畫中 in overweging. ¶ 計畫する in overweging nemen; plan maken; ondernemen; entameeren.
azukaru預かる
t.w. in bewaring nemen; zorg op zich nemen van; zorg dragen voor.
gomen御免
zn. (uw) vergunning v.; (uw) vergiffenis v.; (uw) verlof o. ¶ 御免なさい vergeef mij; neem me niet kwalijk. ¶ 一寸御免下さい wil mij een oogenblik excuseeren. ¶ これで御免を蒙ります ik moet nu eens afscheid gaan nemen. ¶ そんなもう御免だ zulke praatjes wensch ik niet te hooren; verschoon mij van zulke praatjes.
ketsubetsu訣別
(決別) zn. afscheid o. ¶ 訣別する afscheid nemen; vaarwel zeggen.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
renbei聯袂
(連袂) bw. allen tezamen; als een man; eensgezind. ¶ 連袂辭職する “en bloc” ontslag nemen.
kyūsoku休息
zn. rust v. ¶ 休息する rust nemen.
kyūyō休養
zn. rust v.; recreatie v.; ontspanning v. ¶ 休養する rust nemen; uitrusten; op zijn verhaal komen; zich herstellen. ¶ 休養recreatiezaal; ontspannings-lokaal.
hōfuku報復

zn. vergelding v.; weerwraak v.; represaille v. ¶ 報復する vergelden; wraak nemen; zich wreken. ¶ 報復税率 invoerrecht bij wijze van represaille. ¶ 報復手段 represaillemaatregel.

SUPPLEMENT (trefwoord)
jidori自撮り
(zn,suru-ww) Afgeleid van 自分撮り jibundori. Selfie; zelfie; zelfportret. ¶ 自撮りする jidorisuru een selfie nemen [maken]. ¶ 可愛い自撮りありがと(*^^*) Kawaii jidori arigato (*^^*) Bedankt voor je schattige zelfie (*^^*) ¶ 自撮りしてみた Jidorishite mita Ik heb een zelfie geprobeerd; poging tot een zelfie. (twitter)
WACHTKAMER (deze lemma’s zijn nieuw of bevatten wijzigingen)
taiho逮捕

zn. arrestatie v.; gevangenneming v. ¶ 逮捕する arresteeren; gevangen nemen; (俗) pakken. ¶ 逮捕狀 bevel tot inhechtenisneming.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち出す mochidasu (1) mee naar buiten nemen; brengen; mee (uit) nemen; (2) achterhouden; verduisteren; verdonkeremanen; (3) erbij betrekken; erbij halen; ter sprake brengen; naar voren brengen; in het midden brengen; de aandacht vragen voor; aansnijden; voorleggen; beginnen te praten over; (4) voor de dag komen met; opbrengen; [fig.] ophoesten
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
貰う morau laten ~; doen ~; gedaan krijgen; ; krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen
登る noboru opklimmen; klimmen in; klimmen op; beklimmen; bestijgen; [階段を] opstappen; opgaan; oplopen; nemen
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform., fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig., sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig., sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen
乗る noru (1) stappen op; klimmen op; bestijgen; betreden; (2) instappen; instijgen; [de bus, tram enz.] nemen; [i.h.b.] aan boord gaan; [i.h.b.] embarkeren; [een paard enz.] berijden; [i.h.b.] rijden; [op de wind enz.] varen; drijven op; gedragen worden door; [van een stem enz.] dragen; (3) harmoniëren (met); overeenstemmen (met); (4) ergens op ingaan; aangaan; ergens in trappen; vallen voor; bezwijken voor; [fig.] aanbijten; (5) goed blijven zitten; pakken; houden; hechten
手を引く tewohiku (1) bij de hand leiden; nemen; (2) de hand aftrekken van; z'n handen aftrekken van; zich niet meer bemoeien met; zich afwenden van; betrekkingen afsnijden met; breken met; niet meer te maken willen hebben met; afhaken; zich terugtrekken uit; wegtrekken uit; terugkrabbelen; achteruitkrabbelen; de aftocht blazen
展開する tenkaisuru (1) [een theorie enz.] ontwikkelen; uitwerken; uitschrijven; expliciteren; uiteenzetten; uit de doeken doen; ontvouwen; (2) [m.b.t. troepen] deployeren; opstellen; inzetten; in slagorde scharen; ; (1) zich ontvouwen; zich uitrollen; zich uitvouwen; (2) [m.b.t. zaak, geval] zich ontwikkelen; evolueren; (3) [m.b.t. aanblik enz.] verschaffen; bieden; [m.b.t. tafereel] zich ontvouwen; [m.b.t. een nieuwe wending enz.] nemen
使う tsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車; 風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法; 魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) 10. erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) 11. populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
一服する ippukusuru (1) een kop thee drinken; nemen; [inform.] een bakkie doen; (2) eentje roken; een trekje nemen; doen; (3) kort onderbreken; adempauze nemen; een korte pauze inlassen; wat rust nemen; even rusten; [i.h.b.] een rookpauze; theepauze; koffiepauze inlassen; (4) [株式の買いが] kalm verlopen
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
乗車する joushasuru in een voertuig stappen; instappen; instijgen; [バス; 路面電車; タクシーに] nemen
忍ぶ shinobu (1) verdragen; dulden; uitstaan; nemen; pikken; slikken; tolereren; (2) zich verbergen; zich verstoppen; zich verschuilen; zich gedekt houden; [人目を] ontkomen aan; zich onttrekken aan; ontduiken; (3) zich heimelijk; geniepig gedragen
実験する jikkensuru experimenteren; proefnemingen doen; proeven doen; nemen; een experiment doen; uitvoeren; proefondervindelijk testen
締める (bet. 1, 3-5) shimeru (1) [帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid, fig., euf.] ombuigen; (6) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段; 方法; 対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
飛び越す tobikosu (1) springen over; eroverheen springen; een sprong maken over; [ハードルを] nemen; (2) [飛行機が] vliegen over; (3) overwippen; inhalen; voorbijstreven; [二年を] overslaan
採る toru (1) [een bep. houding, allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken, methoden, personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid, politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) 10. boeken; reserveren; vastleggen; (11) 11. innemen; bezetten
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [シーンを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
取り外す torihazusu (1) wegnemen; afnemen; afhalen; verwijderen; weghalen; losmaken; (2) ontmantelen; demonteren; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; [テントを] opbreken; [車両を] ontkoppelen
取外し torihazushi (1) wegneming; afneming; het afhalen; verwijdering; het weghalen; losmaking; (2) ontmanteling; het demonteren; het uit elkaar halen; nemen; onttakeling; [テントの] het opbreken; [車両の] ontkoppeling
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
抱く daku (1) omarmen; omhelzen; omstrengelen; omvatten; in zijn armen houden; in de armen sluiten; aan het hart; zijn borst drukken; tegen zich aandrukken; aanhouden; tegen zijn borst klemmen; [m.b.t. vogels] broeden; [i.c.m. 卵を] bebroeden; (2) koesteren; [fig.] omhelzen; [fig.] omarmen; (3) [euf.] omhelzen; omgang; gemeenschap hebben; vrijen; kroelen; nemen; pakken
奉る tatematsuru (1) laten aanbieden; doen geven; (2) sturen; afvaardigen; zenden; ; (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; ; […~] [hum. hulpwerkwoord]
測る hakaru (1) meten; opmeten; uitmeten; afmeten; [de temperatuur enz.] opnemen; [de maat e.d.] nemen; [de grootheid enz.] bepalen; berekenen; uitrekenen; (2) inschatten; opmaken; raden; (trachten te) doorgronden; peilen; ramen; polsen; [fig.] sonderen
計る hakaru (1) meten; opmeten; uitmeten; afmeten; [de temperatuur, de tijd enz.] opnemen; [de maat e.d.] nemen; [de grootheid enz.] bepalen; berekenen; uitrekenen; (2) peilen; schatten; polsen; [fig.] sonderen; gronden; raden; inschatten; [ook fig.] taxeren; hoogte nemen; opnemen; opmaken; ramen; begroten; calculeren; (3) plannen; beramen; beproeven; (4) bedriegen; bedotten; beetnemen
張る haru (1) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (2) verstrammen; verstijven; verstrakken; (3) 10. uitsteken; hoekig worden; (4) 11. zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (5) 12. gespannen worden; nerveus worden; (6) 13. zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (7) 14. prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn; ; (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw, lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht, recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen
負う ou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft, een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen, eigendom, documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) 10. plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
仮定する kateisuru veronderstellen; aannemen; [veroud., Belg.N., niet alg.] nemen
額面どおりに受け取る gakumendooriniuketoru kritiekloos accepteren; op z'n woord geloven; letterlijk opvatten; nemen
甘受する kanjusuru zich laten welgevallen; zich laten aanleunen; incasseren; pikken; nemen; slikken; gewillig; lijdelijk accepteren; gelaten aanvaarden; goedschiks ondergaan; het er bij laten zitten; over z'n kant laten gaan; verdragen; tolereren; gedogen; dulden; berusten in; zich neerleggen bij; zich resigneren bij; zich schikken in; voor lief nemen; [veroud.] gehengen
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 20 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'nemen', strategie: exact). 
2005-2019