日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘ontstaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
naru成る
(なる) i.w. worden; tot stand komen; ontstaan. ¶ 大きくなる groot worden. ¶ 病氣になる ziek worden. ¶ 辯護士になる advocaat worden. ¶ 六十となる het komt op zestig cent. ¶ は酸素と素とより成る water bestaat uit zuurstof en waterstof. ¶ あの人が死んでからもう五年になります het is al vijf jaar geleden, dat hij stierf.
kuru來る
(来る) i.w. komen. ¶ 歸って來る terugkomen. ¶ ついて來る meekomen. ¶ 生れて來る ontstaan (發生); geboren worden (出生). ¶ 來る來るも elken dag. ¶ 行って來る gaan. ¶ 取って來る halen. ¶ が降って來る het begint te regenen.
shu
zn. soort v. & o.; klasse v.; ras (人) o. ¶ 起源 het ontstaan der soorten.
haitai胚胎
zn. embryo o. ¶ 胚胎する (起因する) ontspringen uit; ontstaan uit.; (結果を) (doen) ontkiemen; uitspruiten.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ontstaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち上がる mochiagaru (1) zich verheffen; oprijzen; rijzen; omhooggaan; opwaarts gaan; opgetild worden; een omhoogheffende beweging maken; (2) zich (plotseling) voordoen; zich vertonen; uitbreken; gebeuren; voorvallen; zich aandienen; opduiken; de kop opsteken; ontstaan; opkomen; plaatsgrijpen; (3) [担任が] mee overgaan naar een hogere klas
出来る dekiru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voltooid worden; (2) gemaakt worden (van); vervaardigd worden (van); [m.b.t. gewassen] voortgebracht worden; [m.b.t. gerechten] op het menu staan; (3) zich ontplooien; groeien; (4) ontstaan; tot stand komen; zich vormen; opgericht worden; zich voordoen; (5) geboren worden; voortkomen; (6) kunnen; in staat zijn te; [form.] vermogen; mogelijk zijn; (7) goed zijn (in); knap zijn; onderlegd zijn; kundig zijn; capabel zijn; bedreven zijn; bekwaam zijn; [m.b.t. een taal] machtig zijn; (8) verkering krijgen; omgang krijgen; het aanleggen met
因縁 innen (1) lot; lotsbeschikking; lotsbestemming; lotsbesteding; [boeddh.] karma; (2) oorsprong; ontstaan; herkomst; geschiedenis; voorgeschiedenis; (3) lotsverbondenheid; (4) voorwendsel; excuus; smoes tot ruzie
原始 genshi (1) begin; ontstaan; totstandkoming; genese; wording; (2) primitief; behorend tot de eerste fase van de ontwikkeling van iets; behorend tot het vroegste stadium van de ontwikkeling van iets; primair; oorspronkelijk; vroeg; eerst
発足する hossokusuru starten; van start gaan; een aanvang maken; een begin maken; beginnen; ontstaan; tot stand komen
涌く; 湧く waku (1) opspuiten; gutsen; gulpen; (2) te voorschijn komen; uitkomen; schieten; [m.b.t. loten] uitslaan; uitlopen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; (3) opwellen; ontstaan; rijzen
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
根本 konpon origine; ontstaan; oorsprong; wortel; essentie; wezen; basis; fundament; grondslag
成立する seiritsusuru (1) tot stand komen; ontstaan; zich materialiseren; gedaante aannemen; gevormd worden; geformeerd worden; zijn beslag krijgen; geëffectueerd worden; [m.b.t. akkoord enz.] bereikt worden; [m.b.t. verdrag enz.] gesloten worden; (2) aangenomen worden; goedgekeurd worden; erdoor komen; het halen; doorgang vinden; gelden; van toepassing worden; van kracht worden
誕生 tanjou geboorte; [fig.] ontstaan; [fig.] oorsprong
誕生する tanjousuru (1) geboren worden; het licht zien; het levenslicht aanschouwen; ter wereld komen; (2) [fig.] ontstaan; [fig.] tot stand komen; [fig.] ter wereld komen
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
既成の kiseino reeds aanwezig; ontstaan; bestaand; voorbestaand; gevestigd; ingeburgerd; heersend; vooropgezet; voldongen
生える haeru (1) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; [arch.] opwassen; opkomen; ontstaan; [w.g.] ontgroeien; uitschieten; uitlopen; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [i.h.b.] begroeien; [i.h.b.] overgroeien; [i.h.b.] bedekken; (2) groeien; wassen; [van kiezen] doorkomen; [van tanden, baard enz.] krijgen
発する hassuru (1) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (2) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (3) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (4) afvuren; afschieten; (5) sturen; afzenden; afvaardigen; ; (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen
発祥 hasshou (1) opkomst; ontstaan; oorsprong; begin; aanvang; (2) [Chin.gesch.] verschijning van een gunstig voorteken dat men keizer zal worden
発祥する hasshousuru ontstaan; ontspruiten; voortkomen; beginnen; aanvangen; opkomen
始まる hajimaru (1) beginnen; aanvangen; starten; openen; een aanvang nemen; [学校が] aangaan; van wal steken; [van periodes] inzetten; intreden; [brand, oorlog enz.] uitbreken; [i.h.b.] dateren (uit); ontstaan; ontspringen; zijn oorsprong vinden in; incipiëren; [w.g.] zich instellen; (2) [van tic, hebbelijkheid enz.] (weer) beginnen
空く aku (1) [穴が] ontstaan; (2) [席が] vrijkomen; beschikbaar komen; (3) [行間が] opengelaten worden; (4) [瓶が] leeg raken; leeglopen; (5) [体; 手が] vrij hebben; vrij zijn; niets om handen hebben; niets te doen hebben; [veroud.] wepele armen hebben; (6) klaar zijn met; niet langer gebruikt worden; (7) [ポストが] openvallen; vacant worden; open worden; [veroud.] wepel worden; [veroud.] komen te vervallen
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
由来 yurai oorspronkelijk; aanvankelijk; van in; bij het begin; vanaf het begin; van nature; uit de aard der zaak; ; oorsprong; origine; ontstaan; bron; herkomst; geschiedenis; genese
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.41 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'ontstaan', strategie: exact). 
2005-2020