日蘭辭典+

51 resultaten voor ‘op’
日蘭辭典 (trefwoord)
okiru起きる
i.w. (1) [起立] opstaan. (2) [眠覺] ontwaken; wakker worden. (3) [起座] op blijven. ¶ 起きて op; wakker. ¶ 今朝早く起きた ik ben vanmorgen vroeg opgestaan.
de
vz. (1) [時間の場合] in; over; op. (2) [場所の場合] in; op; te. (3) [手段の場合] door; door middel van; per; met. (4) [年齡の場合] op. (5) [材料の場合] van. (6) [乘物の場合] per; met. (7) [價格の場合] voor; tegen. (8) [原因の場合] door; in verband met; naar aanleiding van; wegens. (9) [用語の場合] in. ¶ 一箇月で出來ます het is over een maand klaar. ¶ 銀座で逢ふ in de Ginza elkaar ontmoeten. ¶ 東京in Tokyo. ¶ バタビヤで op Batavia. ¶ の前で voor. ¶ の外で buiten. ¶ ひきで door protectie. ¶ 手紙per brief. ¶ 時間で借りる per uur huren. ¶ 斤で賣る per pond verkoopen. ¶ 廿歳で op zijn twintigste jaar. ¶ 作る van hout maken. ¶ 汽車で per spoor; met den trein. ¶ 一圓で賣る voor een yen verkoopen. tegen een yen verkoopen. ¶ 氣で缺席する wegens ziekte afwezig zijn. ¶ 肺病で死ぬ aan tering sterven. ¶ 蘭語in het Hollandsch.
ue
zn. (1) [頂] top m. (2) [] bovenste gedeelte v.; bovenkant m. ¶ このない喜び grootste vreugde. ¶ いやがにも tot overmaat. ¶ 下からまで van onder tot boven. ¶ の bovenst; hoogst. ¶ の文 bovenstaande zin. ¶ 五つからの子供 kinderen van vijf jaaren ouder. ¶ 丘の huis op den heuvel. ¶ 其の bovendien; daarenboven. ¶ naar boven. ¶ op; bovenop; na (後に). ¶ onder invloed van drank. ¶ 歸京の toen ik in Tokyo terug kwam. ¶ 再考ので bij nadere overweging. ¶ かくなるは nu het zoover gekomen is. ¶ ……のに出る overtreffen; meer zijn dan. ¶ 一番は八つです het oudste kind is acht. ¶ にはある niets is volmaakt; alles is voor verbetering vatbaar.
kan-suru關する
(関する) i.w. (1) [關係する] verband houden met; in betrekking staan tot; t.w. aangaan; betreffen. i.w. (2) [影響] van invloed zijn op. (3) [干涉]する] zich bemoeien met.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <op>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
こびり着くkobiritsuku blijven vastzitten; vast blijven (zitten) aan; op; bijblijven; plakken; vastkleven; kleven; zich vastzetten; zich vasthechten; aanhangen; [固まって] aankoeken
そっくりsokkuri (1) geheel; al; volledig; helemaal; totaal; compleet; in zijn geheel; totaliteit; met ~ en al; intact; integraal; zoals het is; (2) precies lijken op; als twee druppels water lijken op; sprekend lijken op; iem. gelijken op een prik; in alles lijken op; het evenbeeld zijn van; precies; exact; net; op-en-top
de (1) […~] [duidt de plaats van handeling aan] in; te; op; (2) […~] [duidt een tijd; leeftijd aan] om; in; op; (3) […~] [duidt een collectief onderwerp aan]; (4) […~] [duidt een limiet; maatstaf aan] à; (5) […~] [duidt een gesteldheid aan] in; op z'n; met; al …de; (6) […~] [duidt een middel; methode; grondstof aan] met; per; door; door middel van; via; middels; (7) […~] [duidt een oorzaak; reden aan] door; wegens; vanwege; uit
にしてnishite (1) [partikel dat een tijd; plaats of toestand aangeeft] in; te; op; (2) [partikel dat nadruk legt]; (3) [partikel dat een voegwoordelijk verband legt]
にてnite (1) […~] [duidt een plaats aan] in; te; op; (2) […~] [duidt een tijd; leeftijd aan] om; in; (3) […~] [duidt een middel; methode; grondstof aan] met; per; door; door middel van; via; middels; (4) […~] [duidt een oorzaak; reden aan] door; wegens; vanwege; uit; (5) […~] [duidt een hoedanigheid; omstandigheid aan] als
によりniyori bij; volgens; naar; op; door; wegens; vanwege; krachtens; uit hoofde van; overeenkomstig; via; langs
に向かってnimukatte naar; tegenover; naar ~ toe; op
に対しnitaishi tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; bij; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
に対してnitaishite tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
に対するnitaisuru tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
に於けるniokeru [場所~] in; [学校~] op; [正午~] tijdens; [日本人~] onder; bij
ni (1) […~] [duidt tijdstip; plaats van handeling aan] om; in; te; op; aan; bij; (2) […~] [duidt de plaats aan waar iets; iem. zich bevindt of zich vertoont] in; te; op; (3) […~] [duidt een bestemming; richting aan] naar; (4) […~] [duidt het resultaat van een handeling; verandering aan] tot; (5) […~] [duidt een doel aan] naar; (6) […~] [duidt het meewerkend voorwerp aan] naar; (7) […~] [duidt reden; oorzaak of aanleiding aan] door; wegens; uit; van; (8) […~] [duidt een wijze; toestand aan]; (9) […~] [duidt een hoedanigheid; positie aan] als; in z'n hoedanigheid van; (10) […~] [duidt het geïmpliceerd of logisch onderwerp van een passief; causatief aan]; (11) […~] [duidt de basis van vergelijking of verhouding aan] op; per; voor elk; elke; (12) […~は] [honoratief onderwerpspartikel]; (13) […~…] [nadrukpartikel]; (14) […~思う; 聞く; 見る; 知る] [duidt een toestand; inhoud aan]; (15) […~] [duidt overdrachtelijkheid aan]
ばてるbateru uitgeput; doodop; doodmoe; afgemat; bekaf raken; volkomen uitgeteld raken; aan het eind van zijn krachten raken; op; kapot zijn; er doorheen zitten; er door zitten; niet meer kunnen
一分一厘の狂いもないichibuichirinnokuruimonai absoluut; helemaal geen afwijking vertonen; tot op de millimeter nauwkeurig zijn; op-en-top perfect zijn; volstrekt niets mankeren
上がり下がりagarisagari (1) op- en neergang; het op-en-neergaan; wisselvalligheden; schommeling; (2) [価格の] het stijgen en dalen; fluctuatie
上がり降りするagariorisuru naar boven en naar beneden gaan; op- en aflopen
上下するjougesuru (1) stijgen en dalen; rijzen en dalen; op- en neergaan; omhoog- en omlaaggaan; fluctueren; schommelen; (2) op- en afgaan; [i.h.b.] op- en afrijden; [i.h.b.] op- en afvaren
上下にjougeni op en neer; op en af; op- en neerwaarts; omhoog en omlaag; hoger en lager; boven en onder; verticaal
上下jouge (1) tweedelig pak; jasje en broek; (2) stijging en daling; rijzing en daling; fluctuatie; schommeling; [atr.] op- en neergaand; (3) hoog en laag; hogere en lagere standen; boven- en onderlaag (van de maatschappij; bevolking); klein en groot; geringen en aanzienlijken; meerdere en mindere; regeerders en onderdanen; baas en ondergeschikte; [i.h.b.] alle klassen; standen; [i.h.b.] hiërarchie; [i.h.b.] orde; rangorde; [i.h.b.] sociale status; (4) set van twee boekdelen; volumes I en II; (5) verticaal; [verkeers.] binnenkomend en uitgaand; [verkeers.] beide richtingen
乗り出すnoridasu (1) [scheepv.] uitvaren; vertrekken; zee kiezen; wegzeilen; onder zeil gaan; (2) aanvatten; aanvangen; een aanvang maken met; beginnen aan; van start gaan; zich begeven; wagen in; zich storten in; z'n debuut maken; (3) beginnen rijden met; op; (4) [体を] zich overbuigen; zich vooroverbuigen; [窓から身を] uit het raam leunen
乗降するjoukousuru in- en uitstappen; op- en afstappen; op- en afstijgen
全くmattaku (1) geheel; geheel en al; heel; volledig; helemaal; straal; absoluut; volstrekt; rechtaf; volkomen; puur; totaal; volslagen; door en door ~; [attr.] ~ in het kwadraat; hartstikke; op-en-top; compleet; ten enenmale; ganselijk; gladweg; vlak; [volkst.] helendal; (2) werkelijk; inderdaad; waarlijk; echt; zonder meer; regelrecht; hoe ~!
全然zenzen (1) helemaal niet; in het geheel niet; niet in het minst; geringste; absoluut niet; volstrekt niet; hoegenaamd niet; in genen dele [i.c.m. negatie]; (2) heel; erg; zeer; verschrikkelijk [in informeel taalgebruik]; (3) compleet; volstrekt; totaal; geheel; helemaal; geheel en al; volkomen; volslagen; volledig; op-en-top; in alle opzichten; door en door [affirmatief en nadrukkelijk]
増減するzougensuru (1) toe- en; of afnemen; op- en neergaan; vermeerderen en; of verminderen; stijgen en; of dalen; rijzen en; of dalen; op- en teruglopen; variëren; veranderen; fluctueren; schommelen; wijzigen; (2) doen toe- en; of afnemen; variëren; doen veranderen; variatie aanbrengen
外方soppo de andere kant uit; op
大体daitai (1) grote lijnen; trekken; hoofdzaken; kern; essentie; hoofdgedachte; teneur; strekking; draad; hoofdlijnen; hoofdtrekken; hoofdpunten; grondtrekken; globaliteit; algemeenheid; algemeniteit; (2) gros; hoofdmoot; meerderheid; het meeste; grootste deel; grootste gedeelte; merendeel; leeuwendeel; (3) zogoed als; vrijwel; nagenoeg; praktisch; zogezegd; (4) over 't algemeen; globaal genomen; ruwweg; grofweg; over het geheel genomen; alles bij elkaar; globaliter; in grote lijnen; trekken; grotendeels; min of meer; (5) in se; als zodanig; in feite; eigenlijk; au fond; in de grond; (6) volslagen; volkomen; op-en-top
寝る子は育つnerukohasodatsu [lett.] slapende kinderen groeien (flink) op
摩れ摩れにsuresureni (1) rakelings; strijkelings; [w.g.] roerlings; [gew.] scheerlings; (2) op het nippertje; nog net; juist; net op tijd; met de hakken over de sloot; kantje boord; op het nipje; op het randje; op; bij het kantje (af); bij het walletje langs; [w.g.] bij het kantje langs; [w.g.] langs ’t kantje heen; kielekiele; inter gladium et jugulum; inter pontem et fontem
於けるokeru [に~] in; op; tijdens; onder; bij
昇降shyoukou (1) stijging en daling; het omhoog- en omlaaggaan; (2) opkomst en ondergang; op- en neergang
昇降するshyoukousuru (1) stijgen en dalen; omhoog- en omlaaggaan; (2) opkomen en ondergaan; op- en neergaan
本格的honkakuteki (1) echt; authentiek; regulier; waar; zuiver; serieus; onvervalst; regelrecht; rasecht; werkelijk; op-en-top; formeel; [Belg.N.] in regel; genuïen; volslagen; (2) op dreef; op gang; op schot; op weg; op volle toeren
本格的なhonkakutekina echt; authentiek; regulier; waar; zuiver; serieus; onvervalst; regelrecht; rasecht; werkelijk; op-en-top; formeel; [Belg.N.] in regel; genuïen; volslagen
本格的にhonkakutekini echt; regelrecht; op-en-top; volgens de regels van de kunst; in alle ernst; ten volle; ernstig
栄枯盛衰eikoseisui opkomst en ondergang; bloei en verval; ups en downs; op- en neergang; wisselvalligheden; onbestendigheid
次第shidai (1) volgorde; programma; (2) omstandigheden; toedracht; (3) volgens ~; naar ~; op ~; al naargelang (van); afhankelijk (zijn) van; het ligt aan ~; het is aan ~; afhangen van; (4) zodra (als); zo gauw; meteen (als; toen ~); direct bij ~; na ~ [i.c.m. ren'yōkei van een dōshi]
照らすterasu (1) beschijnen; schijnen over; op; belichten; verlichten; licht werpen; laten vallen op; (2) tegen het licht houden van; toetsen aan; vergelijken met; bij
照らせるteraseru (1) kunnen beschijnen; kunnen schijnen over; op; kunnen belichten; kunnen verlichten; licht kunnen werpen; laten vallen op; (2) tegen het licht kunnen houden van; kunnen toetsen aan; kunnen vergelijken met; bij
疲れ果てたtsukarehateta uitgeput; doodmoe; doodop; bekaf; afgepeigerd; afgemat; op; uitgeteld; afgejakkerd; afgedraaid; afgesloofd; afgetobd
盛衰seisui opkomst en ondergang; bloei en verval; ups en downs; op- en neergang; wisselvalligheden; onbestendigheid
至極shigoku zeer; erg; uiterst; uitermate; enorm; buitengewoon; ongemeen; bijzonder; extreem; volkomen; helemaal; absoluut; op-en-top
赤のakano volkomen …; op-en-top …; geheel en al …; volslagen …
赤 ; 紅 ; 朱 ; 緋aka (1) rood [= de kleur █]; (2) roodbruin [= de kleur █]; (3) [hofdamesjargon] azuki; adukiboon; (4) baby; kindje; (5) rode rijst; (6) roodkoper; (7) sake; (8) [cul.] roodbruine miso; (9) tekort; deficit; rode cijfers; roodstand; rood; (10) laatste tram; laatste trein; (11) laatste bus; (12) rood licht; rood verkeerslicht; stoplicht; (13) [sportt.] rode ploeg; (14) [pol.] rood; [i.h.b.] een rooie; (15) [kaartsp.] twaalf rode kaarten in het mekuri-kaartspel; (16) [kaartsp.] aka [= naam van elk van de drie vijfpuntenkaarten in het hanafuda-kaartspel; voorgesteld door een rode papierstrook over een patroon van resp. pijnboomen; pruimenbomen en sierkersen]; [meton.] stel van drie aka-kaarten; (17) [Barg.] brand; vuur; [i.h.b.] vuurtje; lucifer; (18) [Barg.] inbraak na het openbranden van het slot; (19) [Barg.] bloed; [i.h.b.] menstruatie; [vulg.] de rooie loop; (20) [Barg.] diefstal van metaalgeld; (21) [krantenjargon] kosteloze advertentie; gratis krant; (22) volkomen …; op-en-top …; geheel en al …
連ねる ; 列ねるtsuraneru (1) op; in een rij plaatsen; rijen; [真珠を] rijgen; [美辞麗句を] op elkaar laten volgen; aaneenschakelen; (2) [名を] opgeven; aanmelden; (3) meenemen; doen volgen
遡る ; 溯る ; 泝るsakanoboru (1) tegen de stroom in gaan; ingaan; tegen de stroom oproeien; stroomopwaarts; naar de bron toe gaan; (2) zijn oorsprong vinden in; teruggaan tot; op; dateren uit; van; stammen uit; dagtekenen uit; bestaan sinds
遡れる ; 溯れる ; 泝れるsakanoboreru (1) tegen de stroom in kunnen gaan; kunnen ingaan; tegen de stroom kunnen oproeien; stroomopwaarts; naar de bron toe kunnen gaan; (2) zijn oorsprong kunnen vinden in; kunnen teruggaan tot; op; kunnen dateren uit; van; kunnen stammen uit; kunnen dagtekenen uit; kunnen bestaan sinds
降り掛かるfurikakaru (1) vallen op; neervallen op; neerkomen op; terechtkomen op; belanden op; neerslaan op; (2) te beurt vallen; komen over; op; treffen; wedervaren; overkomen; gebeuren; (3) bedreigen; boven het hoofd hangen; ophanden zijn
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.52 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 47 treffers (zoekopdracht: 'op', strategie: exact). 
2005-2022