日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘ophouden’
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [が] opgaan. (5) [が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣上る het weer is opgeklaard.
yami
(止み) zn. einde o. ¶ 止みになる ophouden.
yamu止む
(已む、罷む) i.w. ophouden; stoppen; uitscheiden; eindigen; afgeloopen zijn; stilstaan. ¶ が止んだ de regen is opgehouden. ¶ が止んだ de wind is gaan liggen.
tomaru止る
i.w. ophouden; stoppen; eindigen; verblijven; logeeren (泊る). ¶ 止まれ halt! stop! ¶ 兒がとまる zwanger worden. ¶ が止まる zijn stem kwijt zijn. ¶ に留まる de aandacht trekken. ¶ 停まらず zonder te stoppen.
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
sasageru捧げる
t.w. (1) [捧持] omhoog houden. (2) [奉る] aanbieden. ¶ 君國に生命を捧げる zijn leven geven voor het vaderland. ¶ 捧げ銃 presenteert ’t geweer.
yasumi休み
zn. rust v.; vacantie v.; vrijaf o.; (中休み) pauze v.; rustpoos v. ¶ 休なき rusteloos; zonder ophouden. ¶ 休場所 rustplaats.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shi
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ が短いし、も軽いだ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ophouden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ばったりbattari (1) plots; plotseling; opeens; ineens; plotsklaps; eensklaps; onverhoeds; onvoorziens; schielijk; pardoes; abrupt; pal [bij ww. met bet.: 1) neervallen; omvallen; neerzijgen; doodvallen enz.; 2) ophouden; halt houden; stoppen; tot stilstand komen; blijven staan; blijven steken enz.]; (2) toevallig [ontmoeten; tegenkomen; aantreffen enz.]; bij toeval [oog in oog komen te staan]; onverwachts [tegen het lijf lopen; stuiten op enz.]
ストップするsutoppusuru (1) stoppen; tot een eind komen; ophouden; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; (2) stopzetten; beëindigen; een eind maken aan; ophouden met; tot stilstand brengen; tot staan brengen; stilleggen; laten stilstaan; staken
上がるagaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂; 湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
下りるoriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
中断chuudan onderbreking; interruptie; afbreking; verbreking; ophouden; intermissie; pauze; pauzering; opschorting; break; staking; stopzetting; respijt; [veroud.] tussenpozing
仕舞いになるshimaininaru eindigen; aflopen; ten einde lopen; ten einde komen; tot een einde komen; uit zijn; over zijn; ophouden
仕舞う (bet. 1-3) ; 終う (bet. 1-3) ; 了う (bet. 4)shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている ; ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden; (4) uit-; af-; ten einde (toe) …; geheel en al … [aangesloten op de constructie RYK + て; duidt aan dat de in het grondwoord genoemde handeling ten einde gevoerd; voltooid; tot het einde toe verricht wordt; signaleert vaak spijt of onwenselijkheid van het eindresultaat]
休む ; 息むyasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.; bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
保つtamotsu handhaven; behouden; bewaren; houden; aanhouden; onderhouden; ophouden; in stand houden; intact houden
妨げるsamatageru belemmeren; hinderen; storen; bemoeilijken; obstrueren; [form.] impediëren; verstoren; ophouden; tegenhouden; dwarsbomen; dwars zitten; in de weg staan; blokkeren; beletten; verijdelen; verhinderen; [Belg.N.] vermoeilijken; [i.h.b.] vertragen; stuiten; stremmen
妨害するbougaisuru storen; verstoren; hinderen; verhinderen; belemmeren; dwarsbomen; tegenhouden; ophouden; in de weg staan; obstrueren; obstructie voeren; plegen; blokkeren; onderbreken; verijdelen; roet in het eten gooien; [uitdr.] stokken in de wielen steken; [uitdr.] een spaak in het wiel steken; [uitdr.] iem. de voet dwars zetten; [uitdr.] iem. in de wielen rijden; [i.h.b.] saboteren; [i.h.b. muz.] jammen
守るmamoru (1) zich houden aan; [約束を] houden; vasthouden aan [節操を]; handhaven; staande houden; [名誉を] ophouden; hooghouden; gestand doen; trouw blijven aan; in acht nemen; nakomen; betrachten; naleven; eerbiedigen; [規則を] observeren; [言い付けを] opvolgen; (2) verdedigen; beschermen; hoeden; behoeden; beschutten; bewaren; behouden; vrijwaren; protegeren; defenderen; bewaken; beveiligen; (3) [sportt.] dekken; [i.h.b. bij honkbal] verdedigen
尽きる ; 竭きるtsukiru (1) opraken; uitgeput raken; (2) ophouden; aflopen; eindigen; (3) zich beperken tot; niet meer of minder zijn dan
干る ; 乾るhiru (1) opdrogen; drogen; (2) ebben; afebben; wegebben; drooglopen; (3) aflopen; eindigen; ophouden; ten einde komen
引き止める ; 引き留めるhikitomeru ophouden; beletten (voort) te gaan; tegenhouden; staande houden; [話をしかけて] aanspreken; aanklampen; accosteren; aborderen; [fig.] enteren; [fig.] praaien; [w.g.; inform.] attaqueren; [veroud.; gew.] aanranden
持ち続けるmochitsuzukeru blijven behouden; handhaven; bewaren; aanhouden; onderhouden; ophouden
控えるhikaeru (1) paraat zitten; staan; ter beschikking staan; (2) zich gedeisd houden; op de achtergrond blijven; terughoudend zijn; zich bescheiden opstellen; zich inhouden; gematigd zijn; zich matigen; (3) vlakbij zijn; (4) ophanden zijn; binnenkort gaan gebeuren; imminent zijn; op komst zijn; (5) halt houden; (6) tegenhouden; inhouden; terughouden; weerhouden; ophouden; binnen de perken houden; matig zijn in; (7) beletten; zich onthouden van; afzien van; zich weerhouden van; (8) terugtrekken; (9) in z'n nabijheid hebben; in de buurt hebben; (10) binnenkort te verwachten hebben; (11) opschrijven; neerschrijven; noteren; optekenen; (12) [scheepv.] linksom roeien; (13) trekken
晴れる ; 霽れるhareru (1) opklaren; ophelderen; ophalen; [van mist] optrekken; wegtrekken; ophouden [met regenen enz.]; [gew.; m.b.t. weer] opschonen; verdwijnen; [van gevoelens e.d.] wijken; oplossen; ophouden; (2) opgeruimder worden; bijtrekken; opmonteren; opkikkeren; beter gehumeurd worden; (3) [verdenking; zonden e.d.] kwijtraken; gezuiverd worden van; vrijgepleit worden
果てるhateru (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan; (3) [aangesloten op de ren'yōkei] volkomen ~; ten einde toe ~
極まる ; 窮まるkiwamaru (1) eindigen; zijn einde vinden; ten einde lopen; het slot naderen; een eind; einde nemen; aflopen; ophouden; (2) op de spits gedreven worden; tot het uiterste gebracht worden; tot het uiterste gaan; ten top stijgen; de hoogste graad bereiken; [direct voorafgegaan door een meishi die een toestand uitdrukt] uitermate; uiterst; buitengewoon; hoogst; aarts-; (3) niet weten wat men doen moet; van z'n apropos zijn; om raad verlegen zijn; [i.h.b.] voor een dilemma staan; in een spagaat verkeren
止まる ; 停まるtomaru (1) stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; ophouden; tot een eind komen; (2) uitvallen; verbroken worden; [m.b.t. motor] afslaan; [m.b.t. motor] stokken; het begeven; het laten afweten; ophouden; (3) [m.b.t. vogels] roesten; pleisteren; zich ophouden; aanleggen; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten
止む; 已む; 罷むyamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
止めるtodomeru (1) stoppen; tot staan brengen; tegenhouden; onderscheppen; intercepteren; ophouden; beletten verder te gaan; [原級に] doen zittenblijven; (2) laten blijven; laten logeren; verblijf doen houden; (3) achterlaten; nalaten; [記録に] optekenen; vastleggen; registreren; vasthouden; onthouden; bewaren; prenten; (4) handhaven; houden; in stand houden; [原形を] behouden; (5) […に~] beperken; limiteren; binnen de perken houden; in bedwang houden; (6) [心を] concentreren; fixeren; (7) het erbij laten; afbreken; een voortijdig einde maken aan; discontinueren; (8) de genadeslag geven
止める ; 停めるtomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid; pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas; water; radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
決着がつくketchakugatsuku aflopen; ten einde lopen; een einde nemen; eindigen; ophouden; z'n beslag krijgen; uitgemaakt worden
済むsumu (1) over zijn; voorbij zijn; uit zijn; gedaan zijn; af zijn; klaar zijn; aflopen; ten einde lopen; eindigen; een einde nemen; erop zitten; tot een einde komen; geëindigd zijn; ophouden; (2) voldoende zijn; genoeg zijn; sufficiënt zijn; toereikend zijn; genoegzaam zijn; toereiken; volstaan (met); door de beugel kunnen; (3) genoeg hebben aan; toekomen (met); uitkomen (met); het kunnen stellen (met); toekunnen met; het kunnen rooien met; het (kunnen) redden met; rondkomen met; zich behelpen met; het kunnen regelen met; het kunnen oplossen (met); er met ~ afkomen; (het) er afbrengen; [voorafgegaan door -nakutemo ~なくても; -zu ni ~ずに enz.] niet hoeven
留めるtomeru (1) vastmaken; bevestigen; vastzetten; vastbinden; vastklemmen; vasthechten; vastleggen; fixeren; hechten; op z'n plaats houden; [糸を] afhechten; [編み目を] afkanten; [ロープを] vastsjorren; beleggen; seizen; [鋲で] vastkloppen; vastklinken; [釘で] vastnagelen; vastspijkeren; [ピンで] vastpinnen; [ボタンで] dichtknopen; toeknopen; vastknopen; [ホック; かぎで] aanhaken; vasthaken; dichthaken; (2) ophouden; tegenhouden; aanhouden; vasthouden; gevangen houden; in hechtenis houden; in arrest houden; in verzekerde bewaring houden; detineren; [学校で] laten nablijven; laten schoolblijven; (3) [心; 気に] denken aan; ernstig overdenken; in acht nemen; acht slaan op; letten op; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; aandacht schenken aan; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden; in het hart prenten; in het gemoed prenten; (4) […に目を] de ogen vestigen op
終えるoeru (1) eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; (2) beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
終了するshyuuryousuru (1) aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren; (2) afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven
絶えるtaeru (1) ophouden; tot een eind komen; een einde nemen; stoppen; eindigen; aflaten; [i.h.b.] uitgeput raken; opraken; (2) ophouden te bestaan; z'n bestaan eindigen; uitsterven
維持するijisuru handhaven; behouden; in stand houden; conserveren; ophouden; bewaren; onderhouden; aan de gang houden; gaande houden; doen voortgaan; doen voortduren
落ち着く ; 落着くochitsuku (1) kalmeren; bedaren; zijn kalmte herwinnen; het hoofd koel proberen te houden; (2) zich vestigen in; gaan wonen in; een vaste stek vinden in; (3) [m.b.t. pijn] ophouden; wegebben; verdwijnen; [m.b.t. onlusten; rellen; gespannen situatie; verwarring etc.] bedaren; tot kalmte komen; luwen; stiller worden; (4) stabiliteit vinden; zijn evenwicht vinden; een standvastige positie verwerven; instabiliteit overwinnen; (5) in overeenstemming zijn met; harmoniëren met; passen bij; (6) een vaste en onveranderlijke vorm aannemen; uitkristalliseren; een stabiele vorm aannemen; een definitieve gestalte krijgen; niet meer aan veranderingen onderhevig raken
足止めする ; 足留めするashidomesuru in z'n bewegingsvrijheid beperken; iem. ergens doet blijven; ophouden; doen stranden; [飛行機を] aan de grond houden
ji (1) woord; woorden; tekst; rede; toespraak; (2) lyrische poëzie; beschrijving; (3) [Hashimoto-gramm.] gebonden woord; bindwoord; (4) [Tokieda-gramm.] moneem; (a) woorden; tekst; (b) weigeren; ophouden; (c) vaarwelzeggen; (d) lyrische poëzie
退社するtaishyasuru (1) uit dienst treden; de dienst verlaten; het bedrijf vaarwelzeggen; weggaan bij een firma; vertrekken; uittreden; (2) weggaan van kantoor; ophouden; uitscheiden met werken; de dagtaak beëindigen; naar huis gaan; afnokken; (3) terugtrekken uit een genootschap; bedanken als lid
途切れる ; 跡切れるtogireru onderbroken worden; afgebroken worden; eindigen; aflopen; ophouden; uitscheiden; het laten afweten
途絶える ; 跡絶えるtodaeru ophouden; tot een eind komen; stoppen; tot stilstand komen; stilvallen
遅らす ; 後らすokurasu (1) vertragen; retarderen; ophouden; remmen; rekken; [veroud.; lit.t.] tragen; [時計を] achteruitzetten; terugzetten; (2) achterlaten (bij overlijden); (door vooroverlijden) nalaten; (3) uitstellen; opschorten; [fig.] opschuiven; verschuiven; later stellen; temporiseren; [w.g.] verlaten
邪魔するjamasuru (1) storen; voor de voeten lopen; in de weg lopen; staan; [form.] impediëren; belemmeren; hinderen; [moeilijkheden] in de weg leggen; dwarsbomen; doorkruisen; tegenwerken; dwarszitten; iem. de voet dwars zetten; in iems. vaarwater komen; obstrueren; verstoren; ophouden; lastig vallen; bemoeilijken; beslag leggen op; [m.b.t. gesprek] onderbreken; in de rede vallen; interrumperen; (2) bezoek brengen; bezoeken; een bezoek afleggen; op bezoek; visite komen; op bezoek; visite gaan; opzoeken; langsgaan bij; langskomen; langslopen bij
阻害するsogaisuru belemmeren; hinderen; storen; blokkeren; beletten; obstrueren; versperren; ophouden; tegenhouden; tegenwerken; bemoeilijken; remmen; vertragen
静止するseishisuru stilvallen; tot stilstand komen; stoppen; ophouden; stokken; vastlopen; stagneren
飾る ; 餝る ; 錺る ; 荘るkazaru (1) versieren met; (zichzelf) behangen [met juwelen]; [een kamer] aankleden; (2) verfijnen; mooi maken; (3) uitstallen; (4) [de schone schijn] ophouden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.83 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 42 treffers (zoekopdracht: 'ophouden', strategie: exact). 
2005-2021