日蘭辭典+

55 resultaten voor ‘opnemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
arini在荷
zn. voorraad m.; voorhanden goederen v.mv. ¶ 在荷を取調べる voorraad opnemen. ¶ 在荷賣買で prompt.
miru見る
(視る、觀る、觀る) t.w. (1) [見る] zien; aankijken. (2) [視る] kijken; aanschouwen. (3) [視察する] inspecteeren. (4) [遭遇する] ondervinden. (5) [試みる] probereeren; beproeven. (6) [觀察する] opnemen; waarnemen. (7) [判斷] beoordelen. (8) [凝視] staren. (9) [診察] onderzoeken. ¶ 見易い zichtbaar; duidelijk. ¶ 見るに足る bezienswaardig. ¶ 上に見よ zie boven. ¶ やって見る trachten om; probeeren. ¶ 上衣を着て見る jas aanpassen. ¶ 私の見る所では naar mijne meening; zooals ik het inzie. ¶ 大體より見て over ’t geheel beschouwd. ¶ どう見ても hoe men het ook beschouwt. ¶ 見ずに買ふ een kat in den zak koopen. ¶ 脈を見る pols voelen. ¶ 醫者に見て貰ふ dokter consulteeren. ¶ 辭書で見る in een woordenboek opzoeken. ¶ あてて見給へ raad eens. ¶ 痛い目を見る bittere ervaring hebben.
kau買ふ
(買う) t.w. (1) [購求] koopen; i.w. zich aanschaffen. i.w. (2) [招致] zich op den hals halen. t.w. (3) [喧嘩相手なる] (strijd) opnemen; (uitdaging) aanvaarden.
kansatsu觀察
(観察) zn. observatie v.; waarneming v.; opneming v. ¶ 觀察する observeeren; opnemen; waarnemen. ¶ 觀察力 opmerkinggave. ¶ 觀察gezichtspunt. ¶ 斯く觀察すれば in dat licht beschouwd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opnemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
メモするmemosuru noteren; memoreren; een notitie maken; aantekenen; opschrijven; opnemen; neerschrijven
レコーディングするrekoodingusuru (1) opnemen; vastleggen; (2) optekenen; registreren
上げをするagewosuru [着物に~] inkorten; innemen; opnemen; plooien; plooien maken; plisseren
下げる ; 提げるsageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen; zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau; graad; waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
乗せる; のせるnoseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk; complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per)
付ける ; 附けるtsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
任じるninjiru (1) aanstellen; benoemen; installeren; (2) opnemen; zich belasten met; (3) […をもって~] pretenderen; claimen; beweren te zijn; zich voordoen als; zich uitgeven voor; zich doen doorgaan als; zich opwerpen als; zich wanen; zich verbeelden
任ずるninzuru (1) aanstellen; benoemen; installeren; (2) opnemen; zich belasten met; (3) […をもって~] pretenderen; claimen; beweren te zijn; zich voordoen als; zich uitgeven voor; zich doen doorgaan als; zich opwerpen als; zich wanen; zich verbeelden
入会させるnyuukaisaseru als lid aanvaarden; toelaten; aanwerven; werven; rekruteren; inlijven; opnemen; aantrekken
入院させるnyuuinsaseru (1) naar het ziekenhuis doen gaan; naar het hospitaal brengen; het hospitaal doen ingaan; laten opnemen in een ziekenhuis; (2) [病院が] opnemen; [Belg.N.] hospitaliseren
収録するshyuurokusuru opnemen; vermelden; optekenen; vastleggen; registreren
取り上げる ; 取りあげる ; 採りあげるtoriageru (1) opnemen; oppakken; (2) [een woord in een taal enz.] opnemen; honoreren; ingaan op; [een mening; ontslag; bezwaar enz.] aanvaarden; aannemen; [een mening enz.] opvatten; [een voorstel enz.] overnemen; [een idee enz.] adopteren; [een zaak enz.] entameren; in behandeling nemen; [een interessant punt enz.] opbrengen; aan de orde stellen; aanhangig maken; aandragen; ter tafel brengen; [fig.] aansnijden; (3) afnemen; afpakken; ontnemen; afhandig maken; [iem. iets] uit de hand slaan; [iem. van zijn bevoegdheden enz.] beroven; [een vergunning enz.] intrekken; [iem. uit de ouderlijke macht enz.] ontzetten; aanslaan; confisqueren; verbeurdverklaren; in beslag nemen; beslag leggen op; [smokkelwaar e.d.] aanhalen; [i.h.b.] onteigenen; [i.h.b.] expropriëren; [goederen] arresteren; (4) [m.b.t. kinderen] halen; geboren doen worden; ter wereld helpen
受けるukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受け入れる ; 受け容れるukeireru (1) ontvangen; toelaten; opnemen; aannemen; aanvaarden; accepteren; (2) inwilligen; toestaan; instemmen met; ingaan op; tegemoetkomen; verhoren; (3) opvangen; onthalen; binnenlaten; toegang geven
受け止めるuketomeru (1) [ボールを] vangen; opvangen; onderscheppen; (2) [攻撃を] stuiten; tegenhouden; stoppen; afwenden; afweren; afslaan; weren; pareren; (3) [問題を] aanpakken; tegemoet treden; behandelen; reageren op; (4) [批判を] opnemen; opvatten; oppikken; beschouwen
受容するjuyousuru aanvaarden; aannemen; accepteren; opnemen; onthalen; ontvangen
同化するdoukasuru (1) zich assimileren; gelijk worden; (2) zich integreren; (3) assimileren; gelijk maken; gelijk stellen; (4) integreren; opnemen; opslorpen; verwerken
吸うsuu (1) ademen; inademen; inhaleren; opsnuiven; snuiven; een teug nemen; [pregn.] roken; trekken; paffen; smoken; (2) zuigen; opzuigen; inzuigen; aanzuigen; absorberen; opslorpen; (in zich) opnemen; (3) kussen; zoenen; [slang] likken
吸収するkyuushyuusuru opnemen; opzuigen; absorberen
吸引するkyuuinsuru (1) opzuigen; absorberen; opnemen; opslorpen; zuigen; (2) aantrekken
引き出す ; 引出すhikidasu (1) te voorschijn halen; naar buiten brengen; eruit halen; eruit trekken; uittrekken; uithalen; uitschuiven; [m.b.t. gegevens uit een databank] opvragen; [m.b.t. conclusie; les] trekken; (2) duidelijk doen uitkomen; naar voren halen; brengen; releveren; (3) [m.b.t. bankrekening] opnemen; opvragen; van de bank halen; afhalen; uit de muur trekken; [i.h.b.] pinnen; [jeugdt.] downloaden; [Barg.] flappen tappen; (4) oproepen; ontbieden; lokken; (5) [m.b.t. geld] loskrijgen; uit iem. krijgen; weten te verwerven; lospeuteren; [Barg.] pienefen; [aan geld] komen; onttrekken; ontfutselen; ontlokken; voor de dag doen komen met; doen ophoesten
払い戻す ; 払戻すharaimodosu (1) terugbetalen; restitueren; retribueren; teruggeven; rembourseren; [i.h.b.] terugboeken; [i.h.b.] terugstorten; vergoeden; aflossen; (2) [tegoeden] uitbetalen; [z'n deposito] opnemen
拾うhirou (1) rapen; oppakken; oprapen; opnemen; oppikken; [een verloren voorwerp] vinden; [i.h.b.] verzamelen; [i.h.b.] bijeenzamelen; [i.h.b.] samenlezen; [i.h.b.] vergaren; [lit.t.] lezen; [informatie] sprokkelen; [i.h.b.; sportt.] opvangen; (2) uitpikken; uitkiezen; selecteren; (3) ternauwernood behouden; iets uit de brand redden; iem. uit de brand helpen; zich ontfermen
持ち上げるmochiageru (1) opheffen; (omhoog) heffen; optillen; omhoog tillen; opbeuren; omhoog trekken; (op)hijsen; opnemen; omhoog brengen; oplichten; oppakken; oprapen; omhoog steken; [m.b.t. hoed] afnemen; (2) vleien; ophemelen; flemen; door vleierij brengen tot; overhalen
採寸するsaisunsuru de maat nemen; bepalen; opmeten; aanmeten; opnemen
掲載するkeisaisuru in de krant enz. zetten; plaatsen; publiceren; een artikel brengen; opnemen
摂取するsesshyusuru opnemen; tot; in zich nemen; absorberen; assimileren
撮るtoru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [シーンを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
撮影するsatsueisuru (1) een foto nemen; maken; fotograferen; op de foto zetten; plaatjes schieten; [Belg.N.] trekken; (2) filmen; een filmopname maken; opnemen
書き取るkakitoru opschrijven; neerschrijven; (een dictaat) opnemen
染めるsomeru (1) verven; kleuren; [爪を] lakken; [頬を] (doen) blozen; (2) [手を] beginnen; ter hand nemen; bij de hand nemen; aanpakken; aanvatten; [筆を] opnemen; (3) [胸を] indruk nalaten; imponeren; [w.g.] impressioneren
流行るhayaru (1) opkomen; in de mode komen; opgang maken; in (zwang) raken; in trek raken; in de lift zitten; populair worden; mode worden; [fig.] ingang vinden; opgeld doen; furore maken; een rage worden; (2) [van ziekten enz.] woeden; om zich heen grijpen; woekeren; heersen; grasseren; rondwaren; (3) lekker draaien; goedlopend zijn; bloeien; welvaren; vooruitgaan; [veroud.] opnemen; veel klandizie hebben; goed beklant zijn; [i.h.b.] een drukke praktijk hebben; goeie zaken doen; het gaat [de zaak enz.] voor de wind; het gaat goed met [de onderneming enz.]; het gaat iem. naar den vleze
消化するshyoukasuru (1) verteren; digereren; (2) assimileren; (in zich) opnemen; (geestelijk) verwerken; verstouwen; [fig.] verteren
測るhakaru (1) meten; opmeten; uitmeten; afmeten; [de temperatuur enz.] opnemen; [de maat e.d.] nemen; [de grootheid enz.] bepalen; berekenen; uitrekenen; (2) inschatten; opmaken; raden; (trachten te) doorgronden; peilen; ramen; polsen; [fig.] sonderen
測定するsokuteisuru meten; opmeten; afmeten; opnemen; [i.h.b.] landmeten; [i.c.m. 水深を] sonderen
測量するsokuryousuru meten; opmeten; afmeten; opnemen; [i.h.b.] landmeten; [i.c.m. 水深を] sonderen
眺めるnagameru (1) kijken naar; bezien; aankijken; bekijken; toekijken; [iem.] opnemen; [iem.] bestuderen; aanschouwen; staren; aanstaren; turen; (2) overzien; uitkijken (op); uitzien (op); uitzicht hebben
窺うukagau (1) gluren; loeren; turen; [Belg.N.] piepen; (2) afwachten; uitzien naar; loeren op; (3) bestuderen; opnemen; aandachtig bekijken; (4) opmaken; concluderen; uitmaken; afleiden; deduceren; infereren
筆記するhikkisuru (1) neerschrijven; opschrijven; noteren; opnemen; memoreren; aantekenen; boekstaven; te boek stellen; (2) aantekeningen maken; notities maken
組み込むkumikomu opnemen; vervatten; inlassen; tussenvoegen; inzetten; inpassen; insluiten; inlijven; includeren; begrijpen in; verwerken; verweven; een plaatsje vinden voor; integreren; incorporeren; interpoleren; [comp.] installeren
織り込むorikomu (1) weven in; inweven; dooreenweven; (2) verweven; verwerken in; opnemen; invoegen; inlassen; inlijven; incorporeren; vervatten; integreren; incalculeren; rekening houden met
見渡すmiwatasu (1) uitzien over; uitkijken over; afkijken; uitzicht bieden op; over; (2) z'n blik laten gaan over; overzien; overkijken; overschouwen; opnemen
計るhakaru (1) meten; opmeten; uitmeten; afmeten; [de temperatuur; de tijd enz.] opnemen; [de maat e.d.] nemen; [de grootheid enz.] bepalen; berekenen; uitrekenen; (2) peilen; schatten; polsen; [fig.] sonderen; gronden; raden; inschatten; [ook fig.] taxeren; hoogte nemen; opnemen; opmaken; ramen; begroten; calculeren; (3) plannen; beramen; beproeven; (4) bedriegen; bedotten; beetnemen
計測するkeisokusuru meten; opmeten; opnemen
負えないoenai (1) niet kunnen dragen; opnemen; op zich nemen; (2) onhandelbaar; oncontroleerbaar; weerspannig
負荷するfukasuru [責任を] op zich nemen; dragen; opnemen; zich belasten met; [父祖の業を] overnemen
貰うmorau (1) krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen; (2) laten ~; doen ~; gedaan krijgen
載せるnoseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk; complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per); (7) [een advertentie in de krant enz.] zetten; plaatsen; opnemen; publiceren; optekenen; vermelden; te boek stellen
roku (a) noteren; opschrijven; aantekening; geschrift; (b) vastleggen; opnemen
録音するrokuonsuru opnemen; registreren; vastleggen
飲み込むnomikomu (1) slikken; inslikken; doorslikken; binnenkrijgen; opdrinken; indrinken; (2) opslokken; verzwelgen; verslinden; (3) [in de geest] opnemen; begrijpen; vatten; bevatten; snappen; verstaan; (4) [fig.] doorslikken; inslikken; verbijten; afbijten; onderdrukken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.58 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 51 treffers (zoekopdracht: 'opnemen', strategie: exact). 
2005-2021