日蘭辭典+

17 resultaten voor ‘opschieten’
日蘭辭典 (trefwoord)
shinkō進行
zn. voortgang m.; vordering v.; vooruitgang m. ¶ 進行する vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten. ¶ 進行中 op weg; onder weg; in beweging.
keredomoけれども
(kedo, けど) vw. bw. echter; desniettemin; desniettegenstaande; nochtans; bw. evenwel; vw. toch; doch; maar; hoewel; ofschoon; vz. ondanks. ¶ 彼は勉強するけれども進歩しない hij werkt hard en gaat toch niet vooruit; hoewel hij hard werkt maakt hij geen vorderingen; ondanks ijverige studie schiet hij niet op; hij studeert hard, desniettemin komt hij nietverder.
shinshutsu進出
shūtai澁滯
(渋滞, jūtai) zn. vertraging v.; uitstel o. ¶ 澁滯する vertraagd worden; niet opschieten.
dondonどんどん
zn. (1) [鼓聲] rataplan rataplan; rombedebom. bw. (2) [迅速] vlug. (3) [澤山] in groot hoeveelheid. (4) [勢よく] krachtig. ¶ どんどん進む vlug opschieten. ¶ どんどん賣れる vlot verkocht worden.
hakadoru捗取る

(捗る) i.w. opschieten; voortgang maken; vaart erachter zetten.

SUPPLEMENT (trefwoord)
aishō相性
(合い性、合性、相い性) zn. (1) tussen personen (man en vrouw, vrienden, superieur en ondergeschikte, etc.) de mate waarin ze bij elkaar passen; affiniteit; congenialiteit; geestesverwantschap; gedeeld temperament; meer algemeen verenigbaarheid. ¶ お互い相性がいいOtagai aishō ga ii. Het klikt tussen ons; We kunnen goed met elkaar opschieten. (TTC) ¶ あの夫婦は相性が悪いAno fusai wa aishō ga warui. Dat echtpaar past niet bij elkaar. (TTC) ¶ あの2人は相性がいいようだ。 Ano futari wa aishō ga ii yō da. Het lijkt erop dat die twee goed bij elkaar passen. (TTC) ¶ あいつとはどうも相性が合わないんだ。 Aitsu to wa dō mo aishō ga awanain da. Ik kan echt niet met die gozer opschieten. (TTC) (NB De 大辞泉 Daijisen raadt de constructie 相性が合う/合わない aishō ga au/awanai af.) ¶ この時期は野菜が美味しいし、野菜はパスタと相性がいいKono jiki wa natsu yasai ga oishii shi, natsu yasai wa pasuta to aishō ga ii. De zomergroenten van deze periode zijn heerlijk en zomergroenten passen goed bij pasta. (Tweet) (2) geschiktheid tussen man en vrouw volgens de astrologische kalender. ¶ 星占いによると彼女はあまり相性がよくないようだ。 Hoshiuranai ni yoru to kanojo to boku wa amari aishō ga yoku nai yō da. Volgens de horoscoop past ze niet zo goed bij me. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opschieten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
進む susumu (1) vooruitgaan; vooruitkomen; vorderen; zich voortbewegen; voortgaan; doorgaan; doorlopen; koers zetten (naar); stevenen (naar); aantrekken (op); zich begeven naar; voortschrijden; voorwaarts gaan; oprukken; [mil.] avanceren; (2) vooruitgang boeken; tonen; vorderingen maken; opschieten; vlotten; (goede) voortgang hebben; zich voortzetten; [vlot; goed enz.] verlopen; een [vlot; goed; stroef enz.] verloop hebben; (3) [ている] gevorderd zijn; [ている] geavanceerd zijn; [ている] zijn tijd vooruit zijn; (4) in een hogere klas komen; naar een hogere klas gaan; ; overgaan; promoveren (naar); overstappen; promotie maken; bevorderd worden; (in rang) opklimmen; vooruitkomen; (5) zich ontwikkelen; zich doorzetten; erop vooruitgaan; verder gaan; op een hoger plan komen; (6) [m.b.t. klok] voorlopen; voorgaan; te snel lopen
急ぐ isogu zich haasten; opschieten; voortmaken; zich spoeden; snellen; zich reppen
進歩する shinposuru vooruitgaan; voortschrijden; vorderen; voortgaan; vooruitkomen; opschieten; vooruitgang boeken; vorderingen maken; avanceren; verbeteren
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
成長する seichousuru (1) groeien; wassen; opgroeien; opschieten; opwassen; [veroud.] opgaan; (2) groeien; zich ontwikkelen; zich ontplooien
生える haeru (1) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; [arch.] opwassen; opkomen; ontstaan; [w.g.] ontgroeien; uitschieten; uitlopen; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [i.h.b.] begroeien; [i.h.b.] overgroeien; [i.h.b.] bedekken; (2) groeien; wassen; [van kiezen] doorkomen; [van tanden, baard enz.] krijgen
運ぶ hakobu (1) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (2) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap, voet enz.] verzetten; (3) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren; ; vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.65 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'opschieten', strategie: exact). 
2005-2020