日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘optreden’
日蘭辭典 (trefwoord)
fūsai風采
zn. uiterlijk o.; optreden o.
daiei dan大英斷
(大英断) zn. groote beslistheid v.; drastisch optreden (maatregel) o.
dairi代理
zn. procuratie v.; vervanging v.; zaakwaarneming v. ¶ 代理する per procuratie optreden; handelen als gemachtigde; vervangen. ¶ 代理させる substitueeren; doen vervangen. ¶ 代理人 vervanger; gemachtigde; procuratie houder; gedelegeerde. ¶ 代理公使 charge d’affaires; tijdelijk waarnemend gezant. ¶ 代理として per procuratie (略 p.p). ¶ 代理委任 deputatie. ¶ 代理委任狀 volmacht; machtiging. ¶ 代理店 agentschap; agentuur.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
giyō儀容

zn. optreden o.; gedrag.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
shiburi仕振
銀行員は「仕振」(しぶり)という言葉使う約束時間守るか、期限通りに必要書類提出するか、言葉遣いは丁寧か、といった顧客の定性的な側面評価するために用いる言葉だ。あまりにも仕振悪い、と評価されると、どれだけ定量面では良好な属性の顧客であっても取引断ることある。 (twitter)

Bankbedienden gebruiken het woord “仕振” (shiburi) [‘manier van doen; gedrag’]. Het is een woord dat ze gebruiken om aan te geven hoe een klant scoort op vragen als: is [hij of zij] punctueel, levert [hij of zij] de vereiste documenten binnen de gestelde termijn, is het taalgebruik [van de klant] beleefd, enzovoort. Indien de shiburi van de klant als te slecht wordt ingeschat, maakt het niet uit hoeveel goede kanten de klant verder nog heeft, de transactie wordt geweigerd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <optreden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
出づ izu (1) naar buiten komen; (2) vertrekken naar; (3) verlaten; (4) verschijnen; te voorschijn komen; (5) opkomen; opduiken; (6) overschrijden; (7) uitsteken; (8) optreden; ten tonele komen; (9) doorbreken; (10) 10. zich vormen; (11) 11. gebeuren; zich voordoen; (12) 12. voortkomen; geboren worden; (13) 13. stammen uit; z'n oorsprong vinden in; (14) 14. zich openbaren; zich manifesteren
気配 kehai (1) teken (dat een persoon gewaarwordt in zijn omgeving); indicatie; symptoom; (2) blijk; schijn; uiterlijk; (3) voorteken; omen; (4) gedrag; optreden; houding
出演する shutsuensuru optreden; op het toneel verschijnen; het toneel betreden; op de planken komen
出現する shutsugensuru verschijnen; optreden; zich voordoen; gebeuren; voorkomen; te voorschijn komen; opduiken; opkomen; acte de présence geven
出現 shutsugen verschijning; optreden; het zich voordoen; het te voorschijn komen; opkomst; het opduiken; het zich vertonen; aanbod
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
所作 shosa (1) daad; handeling; (2) houding; gedrag; gedraging; gesticulatie; postuur; [演技の] acteerwerk; optreden; pantomimiek; (3) [kabuki] dansbeweging; dans; (4) [boeddh.] karma; (5) werk; beroep
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
興行物 kougyoumono voorstelling; opvoering; uitvoering; vertoning; optreden; performance; show; evenement; event; happening
行動する koudousuru (1) handelen; doen; een daad verrichten; een daad stellen; optreden; in actie komen; optreden; (2) zich gedragen; een bepaald gedrag vertonen; op een welbepaalde manier handelen
独奏する dokusousuru soleren; als solist spelen; optreden; solo spelen; alleen optreden; concerteren
登場する toujousuru (1) [dramaturgie] opkomen; in het stuk optreden; het toneel betreden; op het toneel verschijnen; uit de coulissen te voorschijn komen; optreden; (2) betrokken zijn; zijn intrede doen; zijn entree maken; in het spel komen; in beeld komen
動作 dousa (1) beweging; gebaar; geste; gesticulatie; (2) houding; postuur; gedrag; manier van doen; optreden; manieren; (3) [m.b.t. machine] werking
登場 toujou (1) [dramaturgie] opkomst; verschijning; optreden; (2) entree; intrede; intree
探偵する tanteisuru nasporen; speuren; uitzoeken; nagaan; opspeuren; opsporen; traceren; speuren naar; naspeuren; opsporingswerk doen; heimelijk onderzoeken; als detective werken; optreden; bespieden; bespioneren
立ち上がる tachiagaru (1) opstaan; (rechtop) gaan staan; overeind gaan staan; overeind komen; oprijzen; zich oprichten; (2) opkomen; opstaan; optreden; zich roeren; in actie komen; [in verzet; opstand; het geweer] komen (tegen); (3) er weer bovenop komen; weer overeind komen; opkrabbelen; overeind krabbelen; zich herstellen; (4) [sumō-jargon] vanuit hurkpositie aanvallen; toespringen; chargeren; attaqueren; (5) [comp.] opstarten; booten
態度 taido (1) gedrag; manier van doen; handelen; houding; gedraging; optreden; handel en wandel; postuur; contenance; contenantie; [w.g.] tournure; (2) attitude; instelling; opstelling; positie
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
真似 mane (1) imitatie; nabootsing; na-aperij; na-aping; namaking; simulatie; navolging; mimesis; [kunst] mimicry; (2) gedrag; gedraging; optreden; handeling; houding; manieren; (3) simulatie; voorwending; veinzerij
挙措 kyoso gedrag; gedraging; houding; attitude; optreden; manieren; gedraging
発する hassuru (1) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (2) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (3) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (4) afvuren; afschieten; (5) sturen; afzenden; afvaardigen; ; (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen
振る舞い furumai (1) gedrag; gedraging; houding; optreden; handelswijze; manier van doen; manieren; (2) traktatie
行い okonai (1) daad; handeling; optreden; gangen; (2) gedrag; houding; gedraging
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
現れる arawareru te voorschijn komen; zich laten zien; optreden; niet achterwege blijven; aankomen; komen aanzetten; komen aangezet
演奏会 ensoukai [muz.] concert; muziekuitvoering; recital; optreden
演奏 ensou (muzikaal) optreden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.62 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'optreden', strategie: exact). 
2005-2019