日蘭辭典+

21 resultaten voor ‘opvoeren’
日蘭辭典 (trefwoord)
enshutsu演出
zn. voorstelling v.; opvoering v. ¶ 演出する opvoeren; voorstelling geven.
dasu出す

t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opvoeren>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上げるageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
上場するjoujousuru (1) [beurst.] ter beurze noteren; ter beurze introduceren; (2) opvoeren; vertonen; voorstellen
上演するjouensuru opvoeren; vertonen; voorstellen; uitvoeren; vertolken; spelen; (ten tonele) brengen; presenteren; tonen; een voorstelling geven van; op de planken brengen
促進するsokushinsuru bevorderen; promoten; stimuleren; bespoedigen; verhaasten; versnellen; doen opschieten; vooruithelpen; behartigen; ontwikkelen; in de hand werken; aansporen; aanwakkeren; activeren; aanmoedigen; opvoeren; pousseren; een duwtje in de rug geven; een stimulans geven aan; een zetje geven; voortgang maken met; [植物の成長を] forceren; trekken
公演するkouensuru (1) optreden; een uitvoering; voorstelling geven; spelen; performen; (2) opvoeren; uitvoeren; vertonen; op de planken brengen; presenteren
増す ; 益すmasu (1) toenemen; groeien; aan [invloed; kracht enz.] winnen; meerderen; vermeerderen; aangroeien; aanzwellen; stijgen; rijzen; [体重が] aankomen; (2) (nog) meer dan ~; boven ~ [in de constructie ~ ni mashite ~にまして of ~ ni mo mashite ~にもまして]; (3) doen toenemen; aanwakkeren; verhogen; vergroten; vermeerderen; uitbreiden; opvoeren; opdrijven
増やすfuyasu vergroten; verhogen; opslaan; optrekken; opvijzelen; versterken; uitbreiden; opvoeren; vermeerderen; vermeren; doen stijgen; doen toenemen; aankweken; verruimen; uitbouwen; amplificeren
増大するzoudaisuru (1) toenemen; groeien; aangroeien; aanzwellen; aanwassen; stijgen; klimmen; oplopen; vermeerderen; groter worden; (2) doen toenemen; vergroten; groter maken; doen aangroeien; uitbreiden; vermeerderen; opvoeren
増強するzoukyousuru versterken; sterker maken; opvoeren; verzwaren; uitbouwen
殖やすfuyasu vergroten; verhogen; opslaan; optrekken; versterken; uitbreiden; opvoeren; vermeerderen; vermeren; doen stijgen; doen toenemen; aankweken; verruimen; uitbouwen; amplificeren
演じるenjiru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
演ずるenzuru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
煽るaoru (1) [風が] doen wapperen; doen flapperen; doen klapperen; doen zwaaien; doen wuiven; (2) [団扇を] waaieren; wuiven met; (3) aanblazen; aanwakkeren; aanvuren; aanstoken; aanzetten; aanjagen; aanhitsen; ophitsen; opstoken; oppoken; opsteken; ontsteken; instigeren; opzwepen; opwekken; prikkelen; voedsel geven aan; (4) [cul.] aan de kook brengen; koken; (5) [beurst.] aanzwengelen; opjagen; opdrijven; opvoeren; krachtig stimuleren; (6) [foto.] tillen; met een tilt fotograferen; (7) wapperen; flapperen; klapperen; zwaaien; wuiven; (8) bumperkleven; geen afstand houden; op iemands bumper zitten; op iemands lip rijden; te dicht achter een ander voertuig rijden
立てるtateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画; 規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気; 煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門; 戸; 雨戸; 障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; (8) enthousiast …; geestdriftig … [aangesloten op de ren'yōkei]
興行するkougyousuru op de planken brengen; opvoeren; uitvoeren; spelen; vertonen; brengen
行うokonau (1) doen; handelen; aanvangen; (2) zich gedragen; (3) uitvoeren; volbrengen; tot uitvoering brengen; toepassen; implementeren; verwezenlijken; effectueren; (4) [取り締まりを] uitoefenen; [法律を] opleggen; in werking stellen; doen uitvoeren; [研究を] voeren; leiden; bedrijven; (5) [会議; 葬式; 祭りを] houden; [儀式を] uitvoeren; opvoeren; vieren; celebreren; voltrekken
進めるsusumeru (1) vooruitbewegen; vooruitbrengen; vooruitschuiven; vooruitzetten; naar voren brengen; zetten; schuiven; bewegen; voortdrijven; aanzetten; voorwaarts zetten; voorwaarts doen gaan; [mil.] doen avanceren; (2) voortzetten; voortgaan met; vervolgen; doorgaan met; vorderen met; (3) bevorderen; stimuleren; bijdragen tot; vooruithelpen; in de hand werken; doen vooruitkomen; doen opschieten; verder ontwikkelen; uitbouwen; (4) bevorderen; promoveren; een hogere positie geven; op een hoger plan brengen; in rang verhogen; verheffen; opvoeren; hoger brengen; (5) [m.b.t. klok] voorzetten; vooruitzetten; voor laten lopen
遣るyaru (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen; gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) [水を] gieten; begieten; water geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) bedriegen; (13) kastijden; doodslaan; (14) uithuwelijken; aan de man brengen; (15) nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) leven; een bestaan leiden; (17) doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen ; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) het doen; gemeenschap hebben; vrijen; (19) [een handeling doen; verrichten]; (20) [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (21) [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (22) [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
高めるtakameru ophogen; doen stijgen; verhogen; hoger maken; verheffen; opkrikken; opvijzelen; doen toenemen; opdrijven; opvoeren; op een hoger peil; niveau; plan brengen; versterken; intensiveren; verbeteren; [comp.] upgraden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.72 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'opvoeren', strategie: exact). 
2005-2021