日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘opzetten’
日蘭辭典 (trefwoord)
ami
zn. net o. ¶ を張る netten uitzetten (漁を); net opzetten (テニスのを).
ikka一家
zn. de familie v.; de geheele familie v.; een huis一家を創立する een eigen huishouden opzetten. ¶ 一家團欒の裡に in den boezem zijner famlie. ¶ 一家事情 familieomstandigheden. ¶ 一家persoonlijk inzicht.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
shōbai商賣
(商売) zn. (1) [商業] handel m. (2) [取引] transactie v. (3) [職業] bedrijf o.; beroep o. ¶ 商賣始める een zaak opzetten. ¶ 商賣をして居る zaken doen; in zaken zijn. ¶ 酒商賣をする handelen in spiritualiën. ¶ 商賣止める zich uit de zaken terugtrekken. ¶ 商賣する handel drijven; zaken doen; in den handel zijn. ¶ 商賣concurrent. 商賣handelaar; koopman. ¶ 商賣振 wijze van zaken-doen.
kakeru賭ける
i.w. wedden; t.w. opzetten; wagen. ¶ を賭ける zijn leven op het spel zetten.
bōshi帽子
zn. hoed m.; hoofddeksel o.; (緣なき) kapje o.; kalotje o.; (山高帽子) kaasbolletje o.; dophoed m.; hooge hoed (シルクハット) m.; (中折帽子) deukhoed m.; slappe hoed m.; sportpet (鳥打帽子) v. ¶ 帽子をかぶる hoed opzetten. ¶ 帽子をかぶって居る hoed ophebben. ¶ 帽子を脱ぐ hoed afzetten. ¶ 帽子取る (挨拶) hoed afnemen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kaigijō会議場
zn. vergaderzaal; vergaderruimte; conferentiezaal; congreszaal; congres centrum (het); conventie centrum (het); plaats van bijeenkomst. ¶ 会議場で自社の製品の展示場を設けたいとお考えでしたら、早急にご連絡下さい kaigijōnai de jisha no seihin no tenjijō wo mōketai to okangae deshitara, sakkyū ni gorenraku kudasai Laat u me het alstublieft zo snel mogelijk weten als u een deel van de conferentiezaal zou willen opzetten om uw producten te tonen. (TTC) ¶ もっと会議場に近い場所部屋がよろしければ、ご連絡下さいMotto kaigijō ni chikai basho no heya no hō ga yoroshikeraba, gorenraku kudasai Neemt u alstublieft contact met mij op als u de voorkeur geeft aan een kamer dichter bij de conferentiezaal. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opzetten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
設ける moukeru (1) voorbereiden; klaarmaken; gereedmaken; in gereedheid brengen; voorzien in; plannen; (2) aanmaken; opstellen; ontwerpen; vormen; oprichten; opzetten; organiseren; op touw zetten; inrichten; stichten; vestigen; instellen; (3) [妻; 夫; 義理の親; 子供を] krijgen; (4) [病気を] oplopen; opdoen; [gew.] halen; (5) [利潤を] behalen; genieten; oogsten
募る tsunoru aantrekken; werven; aanwerven; rekruteren; ronselen; [基金を] inzamelen; verzamelen; bijeenbrengen; ; in kracht toenemen; aan kracht winnen; opzetten; aanzwellen; aangroeien; steeds sterker; heviger worden; verzwaren; verergeren
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
頂く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
膨大する boudaisuru opzwellen; zwellen; uitzetten; opzetten
仕掛ける shikakeru (1) beginnen (met; aan; te); een begin maken met; (2) voorbereiden; in gereedheid brengen; [爆発物を] plaatsen; [罠を] zetten; opzetten; [地雷を] leggen; (3) het met iem. aanleggen; uitdagen; provoceren; uitlokken; [喧嘩を] zoeken
立ち上げる tachiageru (1) [comp.] opstarten; booten; (2) [プロジェクトを] lanceren; opzetten
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画; 規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気; 煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門; 戸; 雨戸; 障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; ; enthousiast ~; geestdriftig ~ [aangesloten op de ren'yōkei]
築き上げる kizukiageru (1) [建造物を] bouwen; optrekken; oprichten; construeren; [堤防を] opwerpen; leggen; aanleggen; bedijken; (2) [fig.] [財産を] opbouwen; [家庭を] stichten; opzetten; [基礎を] leggen; [名声を] maken; vestigen
築く kizuku (1) aanleggen; [城を] bouwen; construeren; [石垣を] oprichten; optrekken; [堤防を] opwerpen; leggen; bedijken; (2) van vestingwerken voorzien; versterken; fortificeren; (3) [fig.] [財を] opbouwen; [家庭を] stichten; opzetten; [基礎を] leggen; [名声を] maken; vestigen
剥製にする hakuseinisuru opzetten; prepareren
張る haru (1) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (2) verstrammen; verstijven; verstrakken; (3) 10. uitsteken; hoekig worden; (4) 11. zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (5) 12. gespannen worden; nerveus worden; (6) 13. zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (7) 14. prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn; ; (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw, lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht, recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen
膨らむ fukuramu zwellen; opzwellen; rijzen; bollen; opzetten; zich uitzetten; opbollen; bol gaan staan; zich vullen; vollopen; puilen
奮起させる funkisaseru (1) opwekken; prikkelen; tot actie aansporen; ertoe brengen om; tot actie aanzetten; wakker schudden; aanporren; wekken; opzetten; in; (2) beweging zetten; stimuleren
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に] vasthaken; [十字架に] slaan; [審議に] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に] op het vuur zetten; (4) [ケーブルを] leggen; [橋を] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を] in brand steken; [サラダにドレッシングを] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [ショールを] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ボタンを] dichtdoen; vastmaken; [錠を] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を] telegraferen; (10) 10. wegen; het gewicht vaststellen; (11) 11. vermenigvuldigen; (12) 12. [望みを] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを] richten; [思いを] verliefd worden op; [人に…の疑いを] aankijken op; (13) 13. [税を] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) 14. [機械を] aanzetten; [目覚し時計を] zetten; [ミシンを] met; op de machine naaien; [アイロンを] strijken; [レコード; CDを] opzetten; afdraaien; [時計のねじを] opwinden; (15) 15. [暇; 金を] besteden aan; (16) 16. [賞金を] uitloven; (17) 17. [診療に] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) 18. [雌牛を雄牛に] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) 19. [心に] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
掻き起こす kakiokosu (1) opstoken; aanstoken; stoken; aanwakkeren; aanjagen; oprakelen; [veroud., gew.] aanboeten; [gew.] boeten; [w.g.] aanzetten; (2) opzetten; overeind brengen; rechtop zetten; rechten; [Belg.N.] rechtzetten
被る kaburu (1) [帽子を] opzetten; opdoen; dragen; (2) [罪を] op zich nemen; (3) bedolven raken onder; (4) falen; (5) [泥を] het vuile werk; smerige karweitje opknappen voor; de kar trekken; zich voor iemands karretje laten spannen; de kastanjes voor een ander uit het vuur halen; slepen; de schuld op zich nemen; er voor een ander opdraaien
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.82 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'opzetten', strategie: exact). 
2005-2019