日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘overlijden’
日蘭辭典 (trefwoord)
shinu死ぬ
i.w. sterven; doodgaan; overlijden. ¶ 死んで居る dood; levenloos. ¶ 死ぬ tot den dood. ¶ 死ぬ覺悟で ten koste van zijn leven. ¶ 死んでも zelfs al moest het leven kosten. ¶ 死んだ風をする zich dood houden. ¶ 死んだ者諦める de hoop opgeven, dat iemand nog in leven is. ¶ 燒け死ぬ levend verbranden. ¶ 凍え死ぬ doodvriezen. ¶ 怪我で死ぬ aan zijn wonden sterven. ¶ 死んだ overleden; wijlen; -zaliger. ¶ 死ぬかと思ふ het gevoel hebben, dat zijn laatste uur geslagen is; denken, dat men gaat sterven.
shi
zn. dood m.; overlijden o. ¶ に就く den dood ingaan. ¶ を決する besluiten om te sterven.
gyaku
bn. (1) [反對] tegengesteld; omgekeerd. (2) [叛逆] oproerig. ¶ 逆壓 tegen-druk. ¶ 逆潮 tegenstroom. ¶ 逆動する achteruitgaan. ¶ 逆緣 ongeluk; noodlot; omgekeerde volgorde van overlijden; dood van de kinderenvoor de ouders. ¶ 逆風 tegenwind. ¶ 逆擊 tegenaanval. ¶ 逆比 omgekeerdereden. ¶ 逆比例の omgekeerd evenredig. ¶ 逆意 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆上 stijgen van bloed naar de hersenen; duizeligheid (眩暈). ¶ 逆上する gek worden. ¶ 逆戾りする teruggaan. ¶ 逆に in tegengestelde richting; den anderen kant uit; verkeerd. ¶ 逆流 tegenstroom. ¶ 逆算する terugrekenen. 逆説 paradox. ¶ 逆心 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆臣 verrader. ¶ 逆進 achterwaartsche beweging; achteruitgaan. ¶ 逆襲 tegenaanval. ¶ 逆提供 contra-offerte. ¶ 逆轉 omzetting. ¶ 逆轉する terugdraaien; omzetten. ¶ 逆徒 verrader. ¶ 逆睹 voorspelling. ¶ 逆運 tegenspoed; tegenslag; ongeluk. ¶ 逆運動 teruggang; acherwaartsche beweging. ¶ 逆産 omgekeerde geboorte; geboorte met de voeten vooruit.
chōsei長逝
zn. overlijden o.; verscheiden o. ¶ 長逝する overlijden; verscheiden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overlijden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
過ぎ去る sugisaru (1) voorbijgaan; voorbijlopen; passeren; (2) verstrijken; omgaan; omlopen; aflopen; (3) heengaan; sterven; overlijden; omkomen; [arch.] verscheiden
行く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan
息を引き取る ikiwohikitoru z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
没する bossuru (1) [日が] ondergaan; (2) verdwijnen; opgaan; [船が] verzinken; (3) sterven; heengaan; overlijden; ; (1) doen verdwijnen; doen opgaan in; verzwelgen; (2) aanslaan; in beslag nemen; confisqueren; (3) negeren; miskennen; verloochenen
崩御 hougyo [天皇; 皇后; 皇太后; 太皇太后; 上皇; 法皇; 帝王の] overlijden; dood; verscheiden
崩御する hougyosuru [天皇; 皇后; 皇太后; 太皇太后; 上皇; 法皇; 帝王が] overlijden; sterven; heengaan
亡くなる nakunaru overlijden; sterven; blijven; [veroud.] aflijvig worden; doodgaan; heengaan; eraan gaan; [euf.] overgaan; ontvallen; ontslapen; het leven laten; [i.h.b.] sneuvelen; [fig., euf.] insluimeren; [fig., euf.] inslapen; [arch.] verscheiden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] tol aan de natuur betalen; [volkst.] peigeren; [scherts.] het laten afweten; [Barg., uitdr.] poep zeggen
成仏 joubutsu (1) [boeddh.] verwerving van het boeddhaschap; verlichting; ontwaking; nirwana; (2) [boeddh.] overlijden; heengaan; ontslapen; sterven
死ぬ shinu (1) sterven; doodgaan; overlijden; [euf.] heengaan; [fig., euf.] inslapen; [euf.] ontslapen; [form.] expireren; [arch.] verscheiden; [i.h.b.] omkomen; vergaan; [euf.] het leven laten; [uitdr.] de wereld verlaten; [i.h.b.] de dood vinden; [i.h.b.] om het leven komen; [inform.] kapotgaan; [inform.] opkrassen; [vulg.] verrekken; [m.b.t. dieren, volkst.] creperen; [m.b.t. dieren, volkst.] peigeren; [uitdr., euf.] uit dit leven scheiden; [uitdr., euf.] de geest geven; [uitdr., euf.] de laatste adem(tocht) uitblazen; [uitdr., euf.] de doodssnik geven; [uitdr., euf.] de laatste snik geven; [uitdr., euf.] tot een beter leven overgaan; [uitdr.] de grote reis aanvaarden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] de weg van alle vlees gaan; [uitdr.] de eeuwigheid in gaan; [uitdr.] voor Gods rechterstoel verschijnen; [uitdr., euf.] het (moede) hoofd neerleggen; [uitdr.] het tijdelijke met het eeuwige verwisselen; [uitdr., euf.] naar betere oorden verhuizen; [uitdr.] het hoekje omgaan; [uitdr.] de pijp uitgaan; [uitdr.] er geweest zijn; [uitdr.] het loodje leggen; [uitdr.] de ogen sluiten; [uitdr.] de pijp aan Maarten geven; [uitdr.] om zeep gaan; [uitdr.] naar de barbiesjes gaan; [uitdr.] de kraaienmars blazen; [uitdr.] zijn poeperd dichtknijpen; [uitdr.] het afleggen; [uitdr.] het leven afleggen; [uitdr.] de doodschuld afleggen; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] zijn hachje erbij inschieten; [Barg.] kassiewijle gaan; [Barg.] het afpikken; (2) levendigheid; glans verliezen; futloos; lusteloos; doods worden; onbezield raken; zielloos worden; [fig.] wegsterven; (3) verspild worden; nutteloos besteed worden; verdaan worden; onbenut blijven; ongebruikt blijven; (4) [go-jargon] geslagen worden; (5) [honkbaljargon] van het veld af gespeeld worden; "uit" geslagen worden; uitgetikt worden
死亡する shibousuru sterven; doodgaan; overlijden; afsterven; [arch.] verscheiden; [euf.] heengaan; [i.h.b.] omkomen
死亡 shibou dood; overlijden; [arch.] verscheiden; [euf.] heengaan; [attr.] thanato-
逝去する seikyosuru sterven; heengaan; overlijden
逝去 seikyo dood; overlijden; verscheiden
他界する takaisuru overlijden; sterven; ter ziele gaan; heengaan; uit dit leven scheiden
他界 takai (1) hiernamaals; leven na de dood; (2) dodenrijk; (3) dood; overlijden
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform., scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form., w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten; (4) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
果てる hateru [aangesloten op de ren'yōkei] volkomen ~; ten einde toe ~; ; (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan
不幸 fukou (1) ongelukkig; onzalig; treurig; (2) tegenvallend; slecht; onfortuinlijk; jammer; ; (1) ongeluk; ongelukkigheid; onzaligheid; [veroud.] wee; ellende; (2) tegenspoed; tegenslag; pech; rampspoed; [fig.] contrecoup; (3) sterfgeval in de familie; overlijden; verlies van een dierbare
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon, maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen, druppelen, in druppels neervallen, druipen; (9) vluchten; ontvluchten; de vlucht nemen; het hazenpad kiezen; de plaat poetsen; de benen nemen; er vandoor gaan; op de loop gaan; (10) 10. terugvallen; achteruitgaan; een neerwaartse trend vertonen; een dalende trend vertonen; naar een ongunstige positie afzakken; (11) 11. inferieur zijn; achterstaan bij; niet zo goed zijn als; minder zijn dan; niet kunnen tippen aan; (12) 12. [m.b.t. wind) luwen, gaan liggen, bedaren, kalmer worden, verzachten; (13) 13. [m.b.t. rivier, stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) 14. [m.b.t. bliksem) inslaan, treffen; (15) 15. [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) 16. flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.79 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'overlijden', strategie: exact). 
2005-2019