日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘overslaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
akeruあける
(開ける・空ける) t.w. (1) [開く] openen; opendoen; openmaken; ontsluiten; openleggen. (2) [空にする] ledigen; ontruimen. ¶ 二行をづつあける twee regels openlaten; twee regels overslaan. (3) [穴を] een gat boren. (4) [道を] uit den weg gaan. (5) [家を] ontruimen (借家を明拂ふ).
nuku拔く
t.w. (1) [引拔く] uitrekken. i.w. [抽出] uittreksel maken. t.w. (3) [引用] aanhalen; citeeren. (4) [取除] verwijderen; uitzonderen. (5) [省略] weglaten. (6) [抽んでる] overtreffen; i.w. uitblinken; uitmunten. t.w. [攻落] veroveren; innemen. (8) [追ひ越す] inhalen. [色を脱く] verkleuren; verschieten. ¶ 空氣を拔く lucht eruit pompen. ¶ 難解の所を脱く moeilijke passages overslaan. ¶ 釘を拔く spijker uittrekken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overslaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
除く nozoku (1) wegnemen; wegruimen; wegdoen; weghalen; eruit halen; verwijderen; aan de kant zetten; [twijfel e.d.] opheffen; ontlasten van; [de pijn e.d.] verdrijven; afhelpen van; elimineren; schrappen; uit de weg ruimen; ruimen; afschaffen; (2) uitsluiten; buitensluiten; uitlaten; weglaten; achterwege laten; weren; terzijde laten; terzijde schuiven; opzijzetten; erbuiten laten; overslaan; omitteren; uitzonderen
抜かす nukasu weglaten; overslaan; niet opnemen; uitlaten; achterwege laten; laten vallen; omitteren; skippen; [語尾の音節を] afkappen
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad, ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) 10. overslaan; (11) 11. masturberen
伝わる tsutawaru (1) overgeleverd worden; overgedragen worden; overgaan; vererven aan; overerven; [i.h.b.] versterven; (2) overgaan; overkomen; zich verplaatsen; [m.b.t. natuurverschijnselen] zich voortplanten; [m.b.t. spanning, stemming enz.] overslaan; zich overzetten (op); (3) zich verspreiden; zich verbreiden; alom bekend worden; ruchtbaar worden; over komen; [i.h.b.] bereiken; (4) ingang vinden; zich verspreiden
飛び越す tobikosu (1) springen over; eroverheen springen; een sprong maken over; [ハードルを] nemen; (2) [飛行機が] vliegen over; (3) overwippen; inhalen; voorbijstreven; [二年を] overslaan
飛び上がる tobiagaru (1) omhoogvliegen; opvliegen; opstijgen; omhoogstijgen; (2) overspringen; skippen; overslaan; (3) opspringen; opveren; overeind springen; [gew.] rechtspringen
飛ばす tobasu (1) laten vliegen; afschieten; schieten; afvuren; lossen; [m.b.t. vlieger, ballon] oplaten; [honkbal; b.v. een tweehonkslag] slaan; [een beenveeg] lappen; [m.b.t. speeksel] uitwerpen; (2) spatten; laten spatten; [m.b.t. snippers enz.] rondstrooien; (3) wegblazen; afblazen; (4) [een auto enz.] doen wegscheuren; jagen; [m.b.t paard] in galop doen gaan; (5) [een manifest enz.] uitvaardigen; uitbrengen; in omloop brengen; in circulatie brengen; verspreiden; laten circuleren; [m.b.t. grappen] debiteren; [m.b.t. klappen] uitdelen; (6) [euf.] overplaatsen; (7) overslaan; overspringen; [comp.] skippen; weglaten; luchtig overheen gaan; achterwege laten
届く todoku (1) bereiken; aankomen; arriveren; terechtkomen; (2) bereiken; komen bij; halen; reiken tot; dragen tot; zich uitstrekken tot; raken; geraken tot; (3) overkomen; aanslaan; overslaan; gehoor vinden; raken; roeren; treffen; (4) (tot in de puntjes) zijn weg vinden tot
飛ぶ tobu (1) vliegen; [form.] wieken; doorklieven; (als) op vleugels gaan; [fig., door de lucht enz.] zeilen; de lucht ingaan; het luchtruim kiezen; [i.c.m. ひらひら] fladderen; [m.b.t. water] spatten; [m.b.t. vonken enz.] eraf vliegen; alle kanten op vliegen; (2) vliegen; stuiven; zich snel voortbewegen; schieten; wegschieten; flitsen; snellen; razen; zoeven; ijlen; spoeden; zich haasten; (3) vlieden; vluchten; (4) [m.b.t. zekering] springen; doorslaan; (5) overslaan; [comp.] skippen; [van de hak op de tak enz.] springen; overspringen; [m.b.t. bladzijden in een boek] ontbreken; (6) vervliegen; [m.b.t. kleuren] snel verschieten
略する ryakusuru (1) afkorten; inkorten; verkorten; bekorten; abbreviëren; vereenvoudigen; (2) achterwege laten; weglaten; laten; laten vallen; overslaan; afzien van; omitteren
略す ryakusu (1) afkorten; inkorten; verkorten; bekorten; abbreviëren; vereenvoudigen; (2) achterwege laten; weglaten; laten; laten vallen; overslaan; afzien van; omitteren
約す yakusu (1) samenbinden; bundelen; aanhalen; (2) weglaten; achterwege laten; uitlaten; overslaan; laten vallen; (3) afspreken; overeenkomen; een afspraak; contract aangaan; een overeenkomst sluiten; zich verbinden; (4) besparen; bezuinigen; beperken; reduceren; bekorten; afkorten; vereenvoudigen; verkorten; (5) [wisk.] herleiden; reduceren
休む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud., bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
省く habuku (1) weglaten; overslaan; achterwege laten; uitlaten; omitteren; daarlaten; uitsluiten; elideren; (2) besnoeien op; [手間を] besparen; [時間を] uitsparen; bezuinigen; [苦労を] sparen; uitzuinigen
振る furu (1) zwaaien; heen en weer bewegen; wuiven met; kwispelen met; zwiepen met; (2) strooien; sprenkelen; schudden; (3) toedelen; toewijzen; toebedelen; (4) afwijzen; dumpen; laten vallen; in de steek laten; verlaten; laten zitten; de bons geven; afdanken; (5) opgeven; ter beschikking stellen; opofferen; overslaan; wegblijven van; (6) uitgeven; in omloop brengen
割愛 katsuai (1) verbreking van de genegenheid; gehechtheid; (2) het met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; het met tegenzin afstand doen van; het ongaarna laten varen; het met tegenzin opgeven; (3) het met spijt cadeau doen; het met moeite schenken; geven; afstaan; (4) [sericultuur] het scheiden van parende zijdevlinders
割愛する katsuaisuru (1) met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; met tegenzin afstand doen van; ongaarna laten varen; met tegenzin opgeven; (2) met spijt cadeau doen; met moeite schenken; geven; afstaan
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'overslaan', strategie: exact). 
2005-2020