日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘overwinnen’
日蘭辭典 (trefwoord)
katsu勝つ
t.w. (1) [勝利] overwinnen; i.w. overwining behalen. t.w. (2) [優る] overtreffen. ¶ 戰に勝つ den slag winnen. ¶ 困難に克つ moeilijkheden te boven komen. ¶ にはが勝ち過ぎる het is te zwaar voor mij.
uchiwa團扇
(団扇) zn. ronde waaier m. ¶ 團扇を使ふ zich waaien. ¶ 團扇を擧げる beslissen, wie overwonnen heeft.
hai-suru排する
t.w. (1) [打勝つ] overwinnen; i.w. te boven komen. t.w. (2) [押開く] openduwen; forceeren. (3) [排斥] uitsluiten; ter zijde zetten. ¶ 困難を排する moeilijkheden overwinnen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kyūsureba tsūzu窮すれば通ず
(zegswijze) wanneer de situatie hopeloos lijkt zal men geprikkeld door noodzaak toch een manier vinden om de moeilijkheden te overwinnen; als de nood (op) het hoogst is, is de redding (het meest) nabij; (veroud.) hoe groter (de) nood, hoe nader God.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overwinnen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
乗り越える norikoeru (1) klimmen; komen over; erover(heen) geraken; klimmen; komen; overtrekken; oversteken; passeren; (2) overwinnen; te boven komen; zich eroverheen zetten; de baas worden; doorkomen; doorstaan; overleven; (3) overtreffen; voorbijstreven
打ち破る uchiyaburu (1) stukbreken; doorheen breken; doorbreken; slopen; stukslaan; inslaan; inbeuken; [旧弊を] uit de weg ruimen; vernietigen; (2) verslaan; kloppen; overwinnen; het winnen van; in de pan hakken
打ち負かす uchimakasu smadelijk verslaan; overwinnen; winnen van; kloppen; de vloer aanvegen met; inmaken; inblikken
打ち勝つ uchikatsu (1) overwinnen; winnen van; zegevieren; te boven komen; verslaan; kloppen; (2) [sportt.] (een klasse) beter spelen dan; overklassen; overspelen
食う kuu (1) eten; [牛が生草を] grazen; afgrazen; (2) leven; zich voeden; (3) veel verbruiken; veel verteren; veel consumeren; (4) bijten; happen; de tanden zetten in; (5) ergens in trappen; zich om de tuin laten leiden; zich laten beetnemen; zich te grazen laten nemen; zich laten foppen; zich laten beduvelen; zich in het ootje laten nemen; (6) overwinnen; verslaan; (de tegenstander) opvreten
下す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
撃破する gekihasuru [敵を] verslaan; overwinnen; kloppen; een nederlaag toebrengen; verpletteren; vernietigen; in de pan hakken; kapotmaken; breken
従える shitagaeru (1) met zich meenemen; met zich meebrengen; zich laten vergezellen; flankeren door; (2) onderwerpen; overwinnen; bedwingen; temmen; er onderhouden; [fig.] dienstbaar maken; gedwee maken; tot gehoorzaamheid dwingen
克服する kokufukusuru overwinnen; de baas worden; te boven komen; bedwingen; de zege behalen over; onderwerpen; onder zijn gezag brengen; op de knieën krijgen; onder het juk brengen; veroveren; in bezit nemen
倒す taosu (1) doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; vellen; omstoten; omverstoten; omverduwen; neerleggen; omhalen; omwerpen; omduwen; omgooien; omwippen; omslaan; omstorten; omsmijten; neerslaan; neerduwen; neervellen; neerhalen; neertrekken; kiepen; tegen de grond werken; gooien; slaan; omkippen; [inform.] omkiep(er)en; [inform., scherts.] omkukelen; [i.h.b.] omverlopen; [i.h.b.] omverrennen; [i.h.b.] omverrijden; [m.b.t. kegelspel] omverkegelen; [i.c.m. 稲を] doen legeren; (2) omverwerpen; omvergooien; omverhalen; ten val brengen; wippen; te gronde richten; uit het zadel werpen; (3) doden; doen sneuvelen; neervellen; neerleggen; ombrengen; [inform.] omleggen; [arch.] vellen; (4) verslaan; slaan; kloppen; onderuithalen; overwinnen; neerwerpen; [fig.] vloeren; [uitdr.] in het zand; stof doen bijten; (5) [m.b.t. schulden] niet delgen; terugbetalen; (financieel) aderlaten; oplichten; afzetten
参らせる mairaseru [hum.] […参らせる] doen; verrichten; ; (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
押し切る oshikiru erdoorheen breken; overwinnen; doorbreken; doordrukken; doordrammen; doordrijven; z'n eigen zin doen met
勝つ katsu winnen; overwinnen; overtreffen; superieur zijn in iets; de overhand krijgen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.53 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'overwinnen', strategie: exact). 
2005-2020