日蘭辭典+

44 resultaten voor ‘partij’
日蘭辭典 (trefwoord)
jitō自黨
(自党) zn. eigen partij v.
aite相手
zn. (1) [同僚] medewerker m.; makker; kameraad m. (2) [先方] tegenpartij v.; tegenstander m. ¶ 相手なき onvergelijkelijk; zonder weerga. ¶ 相手をする gezelschap houden. ¶ 相手方 (法) andere partij; partij ten andere.
mukō
(向こう、向う) zn. (1) [向側] overzijde v.; overkant m. (2) [先方] de andere partij v. ¶ 向うを張る den strijd opnemen. ¶ 向うを張って in oppositie tegen. ¶ 向う一年間 voor het eerstvolgende jaar. ¶ 向うの gindsch; aan de overzijde. ¶ 向うに ginds; aan den overkant; daar. ¶ 海の向うに aan gene zijde van den oceaan.
enkai宴會
zn. feestelijke bijeenkomst v.; feestmaaltijd m.; gastmaal o.; partij
sakamori酒盛
(酒盛り) zn. fuif v.; drinkgelag o. ¶ 酒盛する fuiven.
shakō社交
zn. gezellig verkeer o.; sociale omgang m. ¶ 社交が上手 gezellig in den omgang. ¶ 社交的 gezellig; sociaal; maatschappelijk. ¶ 社交團 gezelschap. ¶ 社交術 kunst om zich gemakkelijk te bewegen; aangename omgangsvormen. ¶ 社交界 uitgaande kringen der hoogere standen. ¶ 社交期 het seizoen, waarin veel partijen gegeven worden. ¶ 社交性 gezellige neigingen; behoefte aan gezelligheid.
kyōgi競技
zn. wedstrijd m.; match (英語) m.
tōjisha當事者

(当事者) zn. betrokken persoon v.; partij, die het aangaat.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <partij>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お祭り ; 御祭 ; お祭omatsuri (1) matsuri; een traditioneel Japans religieus festival; (2) festival; feest; festijn; festiviteit; partij; feestdag; grote dag
バスbasu (1) bus; autobus; [i.h.b.] coach; (2) bad; (3) bas [stem; partij; persoon; instrument]; (4) lage tonen; (5) contrabas; (6) [dierk.] baars
パーティーpaatii (1) fuif; party; partijtje; feestje; (2) groep; gezelschap; ploeg; (3) partij
ムーブメントmuubumento (1) beweging; organisatie; stroming; partij; (2) [muz.] deel (van een muziekstuk); (3) mouvement; raderwerk; mechanisme; gangwerk in een uurwerk
ロットrotto kavel; kaveling; partij; gedeelte; perceel
一団ichidan bende; groep; troep; gezelschap; kring; stel; partij; korps; [m.b.t. boeven] gang; [inform.] zootje
一座ichiza (1) medeaanwezigheid; het medeaanzitten; (2) alle aanwezigen; aangezetenen; hele gezelschap; aanwezige mensen; (3) feestelijke bijeenkomst; partij; receptie; diner; feestmaal; banket; (4) troep acteurs; artiesten; gezelschap; groep; compagnie; kring; (5) één beeld; (6) één heiligdom; (7) één sessie; (8) één bundel kettingverzen; haiku's; (9) ereplaats; belangrijkste plaats
一戦issen (1) [mil.] een slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; krachtmeting; (2) [sportt.] een wedstrijd; match; game; partij; ontmoeting; kamp
一方ippou (1) zijde; ene kant; andere kant; (2) partij; ene partij; andere partij; (3) enkele reis [in tegenstelling tot een reis heen en terug]; (4) [in combinatie met een voorafgaand werkwoord dat niet in de verleden tijd staat] blijven …; niets anders doen dan …; enkel maar …; (5) aan de ene kant; enerzijds
一物ichimotsu (1) één zaak; ding; voorwerp; (2) heimelijk motief; bijbedoeling; stille wens; (3) [euf. voor geslachtsdeel] zaakje; zwikje; geval; ding; gereedschap; instrument; partij; apparaat
一部分ichibubun deel; gedeelte; stuk; deeltje; part; partij; portie
gawa (1) kant; zijde; zij; (2) partij; iems. aanhang; (3) [m.b.t. horloge] kast; omhulsel
催しmoyooshi (1) manifestatie; evenement; meeting; samenzijn; (samen)treffen; feest; partij; plechtigheid; ceremonie; receptie; viering; festiviteit; (2) organisatorschap; sponsorschap; peetschap; auspiciën; bescherming; beschermheerschap; (3) aandrang; drang; neiging; behoefte; aanvechting; impuls; drift; opwelling
党内tounai partij-intern; binnen een partij; in een partij
党内のtounaino partij-intern; binnen een partij; in een partij
党員touin partijlid; partijganger; partijman; aanhanger van een partij; [verzameln.] partij
党派touha (1) partij; politieke partij; (2) factie; groep; partijschap; (3) kliek; club; coterie
党派のtouhano partij-; partijgebonden
tou (1) partij; [i.h.b.] politieke partij; (2) [maatwoord voor partijen]
勝負shyoubu (1) overwinning of nederlaag; zege of nederlaag; winst of verlies; (2) wedstrijd; partij; spel; kamp; match; strijd; wedkamp
取り組みtorikumi (1) [sportt.] wedstrijd; match; kamp; partij; strijd; gevecht; inspanning; (2) aanpak; benadering; insteek; (3) [hand.] koop en verkoop op markt; beurs; omzet; (4) [hand.] wisseltrekking
同行doukou (1) het meegaan; het vergezellen; (2) gezelschap; groep; partij; troep; [Belg.N.; spreekt.] compagnie; [inform.] complotje; (3) dezelfde bank; de bank waarvan sprake is
向こうmukou (1) overzijde; overkant; tegenoverliggende kant; gindse kant; gene zijde; overluchtse streken; buitenland; (2) wederpartij; tegenpartij; partij; partner; hij; zij; ze; (3) plaats van bestemming; (4) aanstaande; komende; eerstkomende; volgende
声部seibu [muz.] zangstem; stem; zangpartij; partij
売れ口urekuchi (1) afzetmogelijkheid; afzetmarkt; markt; débouché; vraag; (2) baan; werk; job; (3) huwelijkskandidaat; partij; potentiële huwelijkspartner
婿 ; 聟 ; 壻muko (1) schoonzoon; [veroud.] behuwdzoon; [veroud.] zwager; [gew.] dochtersman; (2) bruidegom; bruigom; (3) partij; huwelijkskandidaat
yama (1) berg; gebergte; beboste bergen; bergwoud; bergbos; [vliegert.] knots; (2) aardhoop; aardverhoging; terp; (kunstmatige) heuvel; ophoging; hoogte; [Mal.] boekit; (3) begraafplaats; kerkhof; tumulus; (keizerlijke) grafheuvel; grafterp; (4) mijn; kolenmijn; (5) hoop; stapel; tas; portie; [m.b.t. fruit] partij; [m.b.t. hooi] mijt; [m.b.t. steenslag] kits; [m.b.t. vlas] schelf; [m.b.t. slagroom] toef; zwelling (ten gevolge van een cauterisatiebehandeling); (6) top; bovendeel [bv. bol van een hoed; kop van een schroef; knop op een helm]; (7) hoogtepunt; climax; piek; uitschieter; spits; toppunt; apogeum; zenit; ontknoping [van een stuk]; apotheose; [m.b.t. vertoning] klapstuk; summum; culminatiepunt; keerpunt; uur van de waarheid; moment suprême; finest hour; momentum; beslissend ogenblik; het beste dat men kan doen; (8) wissel op de toekomst; speculatie; giswerk; gok [bv. op de gok blokken]; de sprong [wagen]; sprong in het duister; ongewisse; waagstuk; gissing; bluf; humbug; schijnvertoon; bombast; (9) hevigheid; intensiteit; ergheid; (10) massa; boel; bende; groot aantal; drom; menigte; (11) rots; toeverlaat; idool; voorbeeld; (12) praalwagen in de vorm van een berg; (13) valkuil om evers of herten te vangen; (14) lichtekooi; prostituee; (15) voorraadtekort [i.h.b. tekort aan levensmiddelen]; het uitverkocht zijn; het niet voorhanden zijn; (16) slangwoord voor "misdrijf"; (17) naam voor de Enryakuji 延暦寺 op de Hieizan 比叡山; [i.h.b.] de Hieizan; (18) [maatwoord voor bergen; en i.h.b. bergbossen en mijnen]; (19) [maatwoord voor een voorgeschotelde portie; stapeltje fruit enz.]; (a) berg-; wilde … [voorvoegsel aan een planten- of dierennaam dat aangeeft dat het de wilde variëteit of bergsoort van het grondwoord betreft]; (b) [schertsend; vrijwel betekenisloos achtervoegsel bij bepaalde werkwoorden en adjectieven; werd in de Edo-tijd onder bon-vivants gebruikt]
座敷zashiki (1) vertrek in Japanse stijl; ontvangkamer; salon in Japanse stijl; (2) feestje; partij; partijtje; (3) [geisha-jargon] klant
戦い ; 闘い ; 戦 ; 闘tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
政党seitou politieke partij; staatspartij; partij
yakara (1) geslacht; clan; familie; [Barg.; volkst.] troep; (2) kliek; clique; coterie; partij; bende; gang; [pej.] zootje; stelletje
ha (1) groep; kamp; groepering; club; (2) partij; fractie; (3) school; volgelingen; stroming; beweging; (4) gezindte; denominatie; (5) factie; coterie; [pej.] kliek; [pej.] clique
ban (1) volgorde; rangorde; orde; plaatsing (in een volgorde); plaats; (2) beurt; speelbeurt; (3) nummer; nr.; (4) wacht; het waken; het oppassen; bewaking; hoede; uitkijk; waak; [arch.] wake; (5) dienst; werkbeurt; (6) wacht; bewaker; hoeder; wachter; oppasser; (7) partij; spel; wedstrijd; rondje; potje
試合 ; 仕合shiai (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht; (3) [maatwoord voor wedstrijden]
連中renjuu (1) gezellen; metgezellen; maten; kameraden; groep; bende; volkje; partij; (2) [muz.; theat.] gezelschap; groep; formatie; [veroud.] troep; (3) [muz.; theat.] fan; vaste bezoeker; vast publiek
ren (1) [paardenloterij] quinella; (2) gezelschap; bende; coterie; partij; aanhang; [Belg.N.] compagnie; metgezellen; maten; kameraden; (3) [plantk.] tribus; (4) en cie.; en co.; cum suis; [afk.] c.s.; (5) riem; [i.h.b.] 1.000 vel papier; [i.h.b.] 100 stuks karton; (6) [handelsmaat voor cellofaan: 500 m²]; (7) [maatwoord voor rijgsels; strengen; snoeren]; (8) [maatwoord voor risten (gedroogde) eetwaar]; (9) [maatwoord voor vlechtwerk]; (10) [maatwoord voor haviken; valken]; (a) op rijen staan; plaatsen; rijgen; opeenvolgen; betrekking hebben; (b) blijven duren; telkens herhalen; voortzetten; (c) gezelschap; bende; (d) bond; verbond
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.16 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'partij', strategie: exact). 
2005-2020