日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘periode’
日蘭辭典 (trefwoord)
ki
zn. (1) [時代] tijdperk o.; periode v. (2) [期間] termijn m. (3) [段階] stadium o.
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
SUPPLEMENT (trefwoord)
zensō禅僧
(禪僧) zn. Zen priester; Zen monnik日本に伝わったのは奈良時代である。禅僧によって抹が伝えられるは、鎌倉時代に入ってからであった。 Cha ga Nihon ni tsutawatta no wa Nara jidai de aru. Zensō ni yotte matcha ga tsutaerareru wa, Kamakura jidai ni haitta kara de atta. Het was in de Nara periode dat thee in Japan werd geïntroduceerd. De introductie van de groene (poeder) thee door een Zen priester vond plaats in de Kamakura periode. (BCWK) ¶ 室町時代の学問の担い手はに禅僧や公家であるMuromachi jidai no gakumon no ninaite wa omo ni zensō ya kuge de aru. In de Muromachi periode was geleerdheid min of meer beperkt tot Zen monniken en de hof aristocratie. (BCWK)

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <periode>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
その頃sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
サイクルsaikuru (1) cyclus; periode; omlooptijd; tijdkring; keten; (2) [elektr.] trilling; (3) fiets; rijwiel
シーズンshiizun seizoen; periode; tijd; [i.h.b.] hoogseizoen; [i.h.b.] drukke tijd; [i.h.b.] geschikte tijd
yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
刻みkizami (1) het snijden; hakken; kerven; slijpen; (2) kerf; insnijding; inkeping; keep; snede; (3) kerftabak; gekorven tabak; (4) [kabuki] ritmisch geklepper met klaphoutjes; (5) moment; periode; (6) klasse; rang; (7) interval; eenheid; segment
周期shyuuki periode; cyclus
周波shyuuha (1) [elektr.] cyclus; periode; (2) [elektr.] frequentie; periodetal; periodiciteit; trillingsgetal
年代nendai (1) ouderdom; datering; datum [in de geschiedenis enz.]; jaartal; (2) periode; tijdvak; era; jaren [zeventig; tachtig enz.]; tijden; tijdperk; tijd; (3) generatie; jaargang
年間nenkan (1) jaar; jaarkring; (2) [Meiji-; Shōwa- enz.] periode; jaren; tijd; era; tijdperk
戦時senji oorlogstijd; periode; tijd van oorlog
時代jidai (1) de tijden; tijd; (2) tijdperk; periode; eeuw; tijdvak; era; epoque; (3) oude tijden; (4) [maatwoord voor tijdperken; periodes]
時分jibun (1) periode; tijd; (2) juist moment; geschikt ogenblik; opportuniteit; gelegenheid; kans
時期jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時 ; 秋toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
月経gekkei menstruatie; ongesteldheid; maandstonden; maandbloeding; maandvloed; regels; periode; menses; [geneesk.] menorroe; [euf.] emmetje; m’etje; [inform.; euf.] het goed; [veroud.] maandzuivering; [veroud.] maandelijkse zuivering; [volkst.] opoe; [gew.] bullen; [gew.] maanden; [vulg.] rommel; [vulg.] de rooie loop
期間kikan periode; duur; termijn; tijdvak; tijdsverloop
期限kigen periode; tijdslimiet; uiterste datum; deadline; uiterste termijn
ki (1) periode; (2) anticipatie; verwachting; (3) tijdperk; tijdvak; (4) tijdstip
生理seiri (1) levensfuncties; (2) menstruatie; ongesteldheid; maandstonden; regels; periode
ki (1) Ki; (a) regel; bepaling; (b) registreren; (c) jaar; tijdperk; (d) kroniek; (e) [geol.] periode; geologisch tijdperk; (f) Nihonshoki; (g) provincie Kii
過程katei proces; periode; verloop; koers
長時間choujikan lange tijd; periode; vele uren
kan (1) periode; tijdspanne; gedurende ~; in ~; (2) tussen ~ en ~; van ~ tot ~
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'periode', strategie: exact). 
2005-2022