日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘positie’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashimoto足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
tokoro處、所
(ところ) zn. (1) [場所] plaats v. (2) [住所] woonplaats v.; verblijfplaats v. (3) [位置] positie v. (4) [土地] streek v. (5) [] punt o. (6) [] ding o. (7) [] moment o. (8) [場合] gelegenheid v. ¶ hoewel. ¶ では voor zoover; in zooverre als. ¶ 僕の見るでは naar mijn oordeel; mijns inziens.
basho場所
zn. plaats v.; plek v.; ligging v.; positie v.
ichi位置
zn. (1) [所在] plaats v.; ligging v.; situatie v. (2) [身分] stand m.; rang m. (3) [] positie v.; betrekking v. ¶ 僕の位置に立てばどうするか wat zou jij in mijn plaats doen? ¶ 位置エネルギー arbeidsvermogen van plaats. ¶ 店の位置は上等だ de winkel is zeergunstig gelegen.
tateru立てる、樹てる
(建てる) t.w. (1) [立起す] laten staan; neerzetten; hijschen (旗を); overeind zetten (石を); spitsen (耳を). (2) [建造する] bouwen; oprichten. (3) [閉ぢる] sluiten; dichtdoen. (4) [設立する] stichten; (組織する) instellen; organiseeen. (5) [制定する] vaststellen. (6) [計畫を] beramen. (7) [議論を] opwerpen; aanvoeren. (8) [勳功を] tot stand brengen; presteeren. ¶ 忠義を立てる trouw zijn. ¶ 男を立てる zijn waardigheid als man handhaven. ¶ 腹を立てる boos worden. ¶ 噂を立てる gerucht verspreiden. ¶ を立てる zich een positie verovereren; carriere maken. ¶ 生計を立てる zijn brood verdienen. ¶ 聲を立てる geluid geven. ¶ を立てる zweren; gelofte doen. ¶ 使を立てる boodschap zenden. ¶ の目を立てる zaag scherpen. ¶ 棘を立てる zich aan doorn prikken.
bōkyaku忘却
zn. vergetelheid v. ¶ 忘却する vergeten; uit het geheugen bannen. ¶ 世間から忘却される in vergetelheid geraken; vergeten zijn. ¶ 自己の地位を忘却する zijn positie vergeten. ¶ 前後を忘却する zich vergeten.
urigoshi賣腰
zn. positie van de speculanten à la hausse. ¶ 賣腰が強い de markt is vast; de verkoopers kunnen goede prijzen maken.
SUPPLEMENT (trefwoord)
chōzai長座位
zn. postitie waarbij men met gestrekte benen zit; met gestrekte benen zitten.
zenkutsu前屈
zn., suru-ww. voorovergebogen; een voorovergebogen positie; vooroverbuigen. ¶ を開いて前屈のポーズ Ashi wo hiraite zenkutsu no pōzu Een voorovergebogen [positie, houding, pose] met de benen gespreid. ¶ そして膝を曲げずに前屈 Soshite hiza wo magezu ni zenkutsu. Vervolgens vooroverbuigen zonder de knieën te buigen. (blog) NB antoniem: kōkutsu 後屈
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus羨ましい
¶ 彼女はとてもうらやましい地位についている。 Kanojo wa totemo urayamashii ichi ni tsuite iru. Ze bekleed een buitengewoon benijdenswaardige positie. ¶ 彼は彼女の生き方がうらやましかったKare wa kanojo no ikikata ga urayamashikatta. Hij was jaloers op haar levensstijl. ¶ 私は彼がうらやましい。Watashi wa kare ga urayamashii. Ik benijd hem. Ik ben jaloers op hem. ¶ 不器用なその男は彼女の並外れた才能を羨ましく思った。 Bukiyō na sono otoko wa kanojo no namihazureta sainō wo urayamashiku omotta. De onbekwame man benijdde haar bovengemiddelde talenten.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <positie>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
向き muki (1) richting; ligging; oriëntatie; positie; gerichtheid; (2) bestemming; geschiktheid; aangewezenheid; bedoeling; (3) betrokkene; belanghebbende; mensen die ~; (4) opvliegendheid
i (1) plaats waar een persoon of een zaak zich bevindt; (2) rang; positie; maatschappelijke positie; (3) standaard; criterium; basis
位置 ichi (1) positie; ligging; plaats; situatie; context; (2) maatschappelijke positie; stand; rang; status; (3) positie; betrekking
kurai (1) […~] [partikel dat een hoeveelheid; mate bij benadering uitdrukt] ongeveer; circa; om en bij; omtrent; bij benadering; […~] hoeveel?; hoe lang?; hoeveel tijd?; (2) […~] [partikel dat een referentiepunt bij benadering uitdrukt] bijna; nagenoeg; haast; bijkans; zo … als; even … als; in die mate; genoeg om te …; (3) […~なら] [partikel dat een extreem voorbeeld geeft; of het belang van een voorbeeld nuanceert; overdrijft] tenminste; eerder … dan; liever … dan; ; (1) rang; stand; klasse; (2) graad; maat; mate; (3) waardigheid; (4) positie; plaats; ligging; (5) troon; kroon; het koningschap; (6) (in een getal) cijfer
keta [maatwoord voor cijfers]; ; (1) balk; bint; spant; gebint; draagbalk; dwarsbalk; [橋の] geheel van dwarsbalken; stel dwarsbalken; [船の] ra; loodrecht op de mast staand rondhout; (2) [そろばんの] riggel; regel; (3) eenheid; plaats (van een cijfer binnen een getal); positie; aantal cijfers (in een getal); kolom; (4) schaal; verhoudingsmaatstaf
hodo (1) mate; graad; grootte; omvang; maat; gematigdheid; (2) grens; limiet; perken; (3) positie; status; stand; (4) hoedanigheid; gesteldheid
方位 houi hoek; streek; richting; positie; hemelstreek; windstreek; [羅針盤の] kompasstreek; kompasrichting; [astron., landmeetk.] azimut
防備 boubi verdedigingsvoorbereiding; stelling; [gew.] afweer; verdedigingswerken; positie; fortificaties; versterkingen; vestingwerken
方角 hougaku (1) windstreek; windrichting; hemelstreek; hoek; (2) ligging; positie; oriëntatie; (3) richting; (4) middel; instrument
ポスト posuto post-; ; (1) brievenbus; bus; (2) postbus; postvak; postbox; (3) post; betrekking; positie; (4) [voetb.] doelpaal; paal
ポジション pojishon (1) positie; (2) betrekking; post
内証 naisho (1) geheimhouding; stilzwijgen; geslotenheid; geheimzinnigheid; verborgenheid; terughoudendheid; stilte; beslotenheid; (2) inwendig bewijs; (3) iems. (materiële) positie; situatie; omstandigheden
内証 naishou (1) geheimhouding; stilzwijgen; geslotenheid; geheimzinnigheid; verborgenheid; terughoudendheid; stilte; beslotenheid; (2) inwendig bewijs; (3) iems. (materiële) positie; situatie; omstandigheden
陣地 jinchi [mil.] stelling; positie
shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
姿勢 shisei (1) lichaamshouding; houding; pose; positie; postuur; opstelling; (2) houding; attitude; instelling; gezindheid
身分 mibun (1) positie; omstandigheden; (2) rang; stand; klasse; (sociale) status; (maatschappelijk) aanzien; (3) afkomst; [高い~] geboorte; identiteit
seki [maatwoord voor zitplaatsen, plaatsen]; ; (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat
同位 doui iso-; ; dezelfde rang; positie
tokoro (1) 11. [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (2) 12. een kwestie van …; in de orde van …; (3) 13. dat wat …; datgene wat …; (4) 14. waaraan; waarover; (5) 15. toen …; wanneer …; ; (1) [maatwoord voor plekken, stuks e.d.]; (2) 10. [maatwoord voor godheden, edellieden e.d.]; ; (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い; 強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid
立場 tachiba (1) positie; situatie; plaats; stelling; hoedanigheid; [fig.] iems. schoenen; [対等の] voet; [苦しい~] parket; (2) standpunt; stellingname; houding; opstelling; opvatting; [oneig.] gezichtspunt; [oneig.] oogpunt; [fig.] hoek
態度 taido (1) gedrag; manier van doen; handelen; houding; gedraging; optreden; handel en wandel; postuur; contenance; contenantie; [w.g.] tournure; (2) attitude; instelling; opstelling; positie
地位 chii status; stand; rang; positie; plaats; standing; stelling
za (1) zitplaats; plaats(je); zetel; troon; stoel; zitje; (2) (maatschappelijke) positie; (3) [verzameln.] gezelschap; aanwezigen; publiek; [Belg.N., spreekt.] compagnie
境遇 kyouguu (1) milieu; omgeving; leefwereld; (2) (materiële) positie; situatie; staat; conditie; omstandigheden; toestand; lot; (3) maatschappelijke positie; rang; stand
役柄 yakugara (1) ambtsstatus; ambtseer; (2) aard van een ambt; positie; rol; functie; ambtskarakter; (3) [ton.] roltype; rolpatroon
番手 bante (1) garennummer; (2) slotwachter; kasteelbewaker; schildwacht; (3) rotatie; toerbeurt; wisselbeurt; ; (1) [sportt.] positie; plaats; (2) [mil.] linie
布陣 fujin (1) [mil.] opstelling van troepen; positie; legerformatie; gevechtsformatie; gevechtsopstelling; slagorde; (2) [sportt.] opstelling; line-up; formatie; [honkb.] slagvolgorde
bun (1) 13. tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (2) 14. [oude lengtemaat] 0; 1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; ; (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; ; (1) a. verdeling; opdeling; scheiding; (2) b. verduidelijking; (3) c. aftakking; apart deel; (4) d. bestanddeel; element; (5) e. tijdsgewricht; (6) f. attributie; plicht; (7) g. kwalificatie; hoedanigheid; positie; (8) h. staat; toestand; mate; ; (1) portie; dosis; hoeveelheid; (2) 10. hoedanigheid; (3) 11. -gehalte; (4) 12. -tijd
恰好 kakkou passend bij; redelijk; billijk; matig; ; (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.44 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'positie', strategie: exact). 
2005-2019