日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘raken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ataru當る
(当たる・当る) i.w. (1) [接觸] aanraken; schaven (擦過). (2) [該當] overeenstemmen met; overeenkomen met. (3) [衝突] treffen; botsen; raken. (4) [的中] treffen. (想像等が) goed voorspellen; goed raden. (5) [當籤] winnen. (6) [成功] slagen. (7) [引受ける] ter hand nemen; aanvatten. (8) [探る] polsen. (9) [相當] slaan op; toepasselijk zijn op. (10) [中毒] vergiftigd zijn; ziek worden door. (11) [出會] ontmoeten. (12) [量る] meten. (13) [金額が] bedragen; komen op. (14) [日が當る] beschijnen; bestralen. (15) [火にあたる] zich warmen. (16) [方角] liggen in de buurt van. ¶ 一磅は約拾圓に當る een pond is ongeveer gelijk aan tien yen. ¶ 彈丸は當らなかった het schot raakte niet; het schot miste. ¶ 占が當る de voorspelling komt uit. ¶ 罸が當った het lot heeft gewonnen. ¶ 其の小説は當らなかった die roman had geen succes; het boek sloeg niet in. ¶ 事に當る hij neemt de zaak ter hand; hij bemoeit zich er mede. ¶ 先方の意向を當って見た ik heb hem eens gepolst. ¶ 各所で相場を當って見た方がよい het zou goed zijn op verschillende plaatsen naar den prijs te informeeren. ¶ 此の規則は右の場合に當る deze bepaling is in dit geval toepasselijk. ¶ 海老に中毒〔に當〕った de kreeft is mij slecht bekomen. ¶ 深さを當って見ると三尺あった de diepte bleek drie voet te bedragen. ¶ 此の窓に夕日があたる dit raam heeft de namiddagzon. ¶ 火に御あたりなさい warm u bij het vuur. ¶ 大阪は東京の西にあたる Osaka ligt westelijk van Tokio. ¶ 今や戦時に當り nu, dat het oorlog is. ¶ 局に當る者 autoriteiten, welke het aangaat; de betrokken autoriteiten. ¶ 何だか當てゝ御覧なさい raad eens wat het is.
aterareru當てられる
(当てられる) geraakt worden; onder den invloed zijn van; vergiftigd zijn door. ataru も見よ.
ateruあてる
(当てる・當てる) t.w. (1) [命中] raken; treffen. (2) [充當] toewijzen. (3) [曝す] blootstellen aan. (4) [宛に出す] richten tot; adresseeren aan. (5) [解く] raden; gissen. (6) [病氣にする] ziek maken; vergiftigen. (7) [火に當てる] warmen; verwarmen. (8) [成功する] i.w. slagen. (9) [適用する] toepassen; aanwenden. ¶ うまくあてられた goed geraden. ¶ 穴に補布をあてる een stuk inzetten; een scheur herstellen. ¶ 鑛脈に堀り當てる een ader treffen.
tekichū的中
zn. treffer m.; raak schot o. ¶ 的中する raken; raak schieten; treffen. ¶ 憶測が的中した de veronderstelling bleek juist te zijn.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <raken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
うらぶれるurabureru (1) kwijnen; wegkwijnen; verkwijnen; slecht gaan; verkommeren; achteruitgaan; verpieteren; [Belg.N.] slabakken; (2) aan lagerwal geraken; raken; bergaf gaan; z'n ondergang tegemoet gaan; te gronde gaan; verlopen; verarmen
ほろりとさせるhororitosaseru (1) ontroeren; roeren; raken; aangrijpen; op het gemoed werken; treffen; (2) aandoenlijk; ontroerend; roerend; treffend; touchant; aangrijpend
パンクするpankusuru (1) lek raken; gaan lekken; leeglopen; lekslaan; plat vallen; (2) knallen; barsten; springen; doorslaan; het begeven; op tilt springen; raken
出合う ; 出会う ; 出遭う ; 出逢うdeau (1) uitgaan om iem. te ontmoeten; rendez-vous geven; ergens met iem. afspreken; (2) toevallig tegenkomen; onverwachts ontmoeten; toevallig treffen; aantreffen; aanlopen tegen; oplopen (tegen); tegen het lijf lopen; [moeilijkheden e.d.] ondervinden; stuiten op; stoten op; (bij toeval) vinden; in de [problemen; moeilijkheden enz.] (verzeild) raken; (3) samenvloeien; samenvallen
及ぶoyobu (1) reiken; bereiken; leiden tot; voeren; zich uitstrekken; belopen; oplopen tot; bedragen; (2) treffen; overkomen; betrekking hebben op; raken; aangaan; betreffen; gelden; (3) opwegen tegen; opgewassen zijn tegen; kunnen tippen aan; van hetzelfde kaliber zijn als; niet onderdoen voor; het halen bij; (4) in staat zijn tot; berekend zijn voor; beantwoorden aan
外れるhazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid; de hengsels; de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek; de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
射るiru (1) [矢を] afschieten; schieten; (2) [鳥を] neerschieten; schieten; (3) [的を] schieten op; treffen; raken
届くtodoku (1) bereiken; aankomen; arriveren; terechtkomen; (2) bereiken; komen bij; halen; reiken tot; dragen tot; zich uitstrekken tot; raken; geraken tot; (3) overkomen; aanslaan; overslaan; gehoor vinden; raken; roeren; treffen; (4) (tot in de puntjes) zijn weg vinden tot
広まる ; 弘まるhiromaru (1) zich verspreiden; zich verbreiden; zich uitbreiden; (2) veld winnen; in zwang komen; in de mode komen; raken; in trek raken
座礁するzashyousuru [scheepv.] vastlopen; stranden; aan de grond lopen; raken; vastraken; geboeid raken; op een droogte verzeilen; omhooglopen
引火するinkasuru (1) ontbranden; in brand vliegen; raken; ontvlammen; vlam; vuur vatten; (2) aansteken; doen ontbranden; in brand steken
当たるataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光; 雨; 風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [一等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [フグに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書; 出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
当てるateru (1) [ガーゼを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
成るnaru (1) worden; raken; geraken; [i.h.b.] worden van; [i.h.b.] terechtkomen van; [i.h.b.] gebeuren met; [i.h.b.] aflopen met; (2) worden; beginnen te; [het warm enz.] krijgen; (3) [m.b.t. hoogte; lengte; gewicht enz.] worden; bedragen; uitmaken; komen op; bereiken; neerkomen op; (4) worden; veranderen (in); overgaan (in); [m.b.t. positie; status; toestand enz.] bereiken; uitlopen op; zich ontwikkelen tot; (5) verwezenlijkt worden; volbracht worden; voltooid worden; bereikt worden; (ten slotte ~) blijken; uitlopen op; (6) bestaan uit; omvatten; samengesteld zijn uit; opgebouwd zijn uit; [x leden enz.] tellen; [deel enz.] uitmaken; vormen; (7) kunnen; mogen [vaak i.c.m. ontkenning of retorische vraag]; (8) dienen als; [de rol van ~] vertolken; (9) promoveren (tot) [m.b.t. shōgipion]; (10) zich verwaardigen te ~ [Tangconstructie waarbij tussen het beleefdheidsprefix (o お of go ご) en de combinatie ni naru になる een dōshi in de ren'yōkei of een deverbatief meishi staat. Drukt respect voor het onderwerp van het gezegde uit.]
打つutsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) [een net; vangnet] werpen; [een net; vangnet] gooien; (11) [een telegram] sturen
捕らえるtoraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
接触するsesshyokusuru raken; komen tegen; in contact komen; in aanraking komen; contact maken met; te maken krijgen met
構うkamau (1) letten op; betrokken zijn; zorgen voor; bekommerd zijn om; te maken hebben met; (2) zich bemoeien met; storen; belemmeren; hinderen; raken; kunnen schelen; (3) zorgen voor [iemand]; onderhouden; steunen; (4) plagen; lastig vallen
流行るhayaru (1) opkomen; in de mode komen; opgang maken; in (zwang) raken; in trek raken; in de lift zitten; populair worden; mode worden; [fig.] ingang vinden; opgeld doen; furore maken; een rage worden; (2) [van ziekten enz.] woeden; om zich heen grijpen; woekeren; heersen; grasseren; rondwaren; (3) lekker draaien; goedlopend zijn; bloeien; welvaren; vooruitgaan; [veroud.] opnemen; veel klandizie hebben; goed beklant zijn; [i.h.b.] een drukke praktijk hebben; goeie zaken doen; het gaat [de zaak enz.] voor de wind; het gaat goed met [de onderneming enz.]; het gaat iem. naar den vleze
為るnaru (1) worden; raken; geraken; [i.h.b.] worden van; [i.h.b.] terechtkomen van; [i.h.b.] gebeuren met; [i.h.b.] aflopen met; (2) worden; beginnen te; [het warm enz.] krijgen; (3) [m.b.t. hoogte; lengte; gewicht enz.] worden; bedragen; uitmaken; komen op; bereiken; neerkomen op; (4) worden; veranderen (in); overgaan (in); [m.b.t. positie; status; toestand enz.] bereiken; uitlopen op; zich ontwikkelen tot; (5) zich verwaardigen te ~ [tangconstructie waarbij tussen het beleefdheidsprefix (o お of go ご) en de combinatie ni naru になる een dōshi in de ren'yōkei of een deverbatief meishi staat. Drukt respect voor het onderwerp van het gezegde uit.]
痺れるshibireru (1) gevoelloos worden; raken; [m.b.t. ledematen] aan het slapen gaan; een tintelend gevoel krijgen; het gevoel in ~ kwijtraken; [i.c.m. 寒さで] verkleumen; [i.c.m. 寒さで; inform.] vernikkelen; (2) in vervoering; verrukking raken; opgaan (in); opgewonden geraken; uitzinnig worden; uit zijn bol gaan; uit zijn dak gaan; freaken
発効するhakkousuru [条約; 法令が] van kracht worden; in werking treden; in voege treden; komen; raken; gaan gelden; vigeren
着くtsuku (1) arriveren; aankomen (in); [zijn bestemming enz.] bereiken; [scheepv.] binnenlopen; aanlanden; [m.b.t. trein] binnenkomen; (2) [席に] plaatsnemen; (op z'n plaats) gaan zitten; z'n plaats innemen; (3) [食卓に] zich aan tafel zetten; aanschikken; aan tafel gaan; aan de tafel gaan zitten; [Belg.N.] z'n benen onder tafel steken; (4) raken; aanraken; komen tegen
知れるshireru bekend worden; raken; kenbaar worden; ter kennis komen; uitkomen; uitlekken; aan het licht komen; blijken; duidelijk worden
突く ; 衝く ; 撞くtsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje; klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne; langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer; de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
脱するdassuru (1) ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten; (2) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (3) [m.b.t. stop; kurk e.d.] uittrekken; uitdoen
行き悩むikinayamu stilvallen; vastlopen; in een impasse raken; blijven steken; stokken; hokken; in het slop raken; tot staan komen; tot stilstand komen; stagneren; niet meer vooruitgaan; helemaal niet opschieten; op een dood spoor komen; raken; in een patstelling; deadlock terechtkomen; op een dood punt aanbelanden
行き悩むyukinayamu stilvallen; vastlopen; in een impasse raken; blijven steken; stokken; hokken; in het slop raken; tot staan komen; tot stilstand komen; stagneren; niet meer vooruitgaan; helemaal niet opschieten; op een dood spoor komen; raken; in een patstelling; deadlock terechtkomen; op een dood punt aanbelanden
触るsawaru raken; aanraken; aanroeren; beroeren; betasten; bevoelen; voelen (aan); aanvoelen; aankomen; er; ergens aanzitten
触れるfureru (1) raken; beroeren; bevoelen; betasten; aanvoelen; [i.h.b.] treffen; [i.h.b.] lopen op; [i.h.b.] schampen; (2) aanraken; aanroeren; vermelden; spreken over; ingaan op; [簡単に] aanstippen; (3) gewaarworden; merken; ondervinden; te maken krijgen met; te maken hebben met; betreffen; (4) in aanraking komen met; in strijd zijn met ~; [een wet; recht e.d.] schenden; (5) rondvertellen; rondstrooien; verspreiden; te koop lopen met; rondbazuinen
詰まるtsumaru (1) vol(gepakt) raken; vollopen; (afgestampt) vol raken; afgeladen raken; (2) verstoppen; verstopt raken; dichtzitten; proppen; opproppen; vastlopen; vastraken; [i.c.m. 息が] stokken; blijven steken; (3) verlegen zitten om; in het nauw zitten; (4) korter worden; [i.c.m. 日が] korten; inkorten; verkorten; kleiner worden; inlopen; slinken; samentrekken; [i.c.m. 丈が] krimpen
走るhashiru (1) rennen; lopen; hollen; snellen; vliegen; stormen; stuiven; [arch.; door het gebeente; de leden enz.] varen; [w.g.; lit.t.] reilen; [Barg.] dinkelen; (2) zich snel voortbewegen; rijden [bv. van voertuigen]; karren; lopen [bv. van vaartuigen]; [Barg.] poken; (3) weglopen; wegrennen; wegvluchten; vluchten; op de loop gaan; op de vlucht gaan; het hazenpad kiezen; (4) overlopen; overgaan; deserteren; (5) [geëmotioneerd enz.] raken; worden; [tot uitersten enz.] vervallen; gaan doen aan; zich overgeven aan; [het dievenpad enz.] opgaan; (6) vlotten; lopen; (7) lopen; zich uitstrekken; gelegen zijn; (8) schieten [bv. pijn]; flitsen
赴くomomuku (1) gaan naar; zich bewegen naar; zich begeven naar; zich verplaatsen naar; vertrekken naar; op weg gaan naar; koers zetten naar; koersen naar; stevenen naar; z'n schreden wenden naar; (2) worden; raken
響くhibiku (1) klinken; luiden; galmen; doorklinken; schallen; opklinken; (2) naklinken; nagalmen; weerklinken; weergalmen; resoneren; (3) van zich doen spreken; (4) aan iemands gevoelens appelleren; werken op [het gemoed; de zenuwen enz.]; (5) wegen op; weerslag hebben op; weerklank vinden (bij); treffen; raken; invloed hebben op
黒まるkuromaru zwart worden; raken; zwarten
黒付くkurozuku zwart worden; raken; zwarten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'raken', strategie: exact). 
2005-2021