日蘭辭典+

21 resultaten voor ‘richting’
日蘭辭典 (trefwoord)
hōkō方向
zn. (1) [方面] richting v. (2) [進路] koers m. (3) [目的] doel o.; bestemming
hōmen方面
zn. (1) [方向、側] richting v.; zijde v.; kant m. (2) [見地] oogpunt o. ¶ 各方面より van alle kanten. ¶ 問題のすべての方面硏究する een kwestie van alle zijden bezien. ¶ 東京方面へ in de richting van Tokyo. ¶ 教育方面より見れば uit een opvoedkundig oogpunt. ¶ 此の方面は不案内でず ik ben in deze buurt niet bekend.
omomuku赴く
i.w. (1) [行く] gaan; zich begeven naar. (2) [なる、傾く] worden; neiging hebben. ¶ 快方に赴く aan de beterende hand zijn; herstellende zijn; beter worden. ¶ 援助赴く gaan helpen; te hulp komen. ¶ 風潮の赴く de richting van den stroom; de geest des tijds.
gyaku
bn. (1) [反對] tegengesteld; omgekeerd. (2) [叛逆] oproerig. ¶ 逆壓 tegen-druk. ¶ 逆潮 tegenstroom. ¶ 逆動する achteruitgaan. ¶ 逆緣 ongeluk; noodlot; omgekeerde volgorde van overlijden; dood van de kinderenvoor de ouders. ¶ 逆風 tegenwind. ¶ 逆擊 tegenaanval. ¶ 逆比 omgekeerdereden. ¶ 逆比例の omgekeerd evenredig. ¶ 逆意 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆上 stijgen van bloed naar de hersenen; duizeligheid (眩暈). ¶ 逆上する gek worden. ¶ 逆戾りする teruggaan. ¶ 逆に in tegengestelde richting; den anderen kant uit; verkeerd. ¶ 逆流 tegenstroom. ¶ 逆算する terugrekenen. 逆説 paradox. ¶ 逆心 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆臣 verrader. ¶ 逆進 achterwaartsche beweging; achteruitgaan. ¶ 逆襲 tegenaanval. ¶ 逆提供 contra-offerte. ¶ 逆轉 omzetting. ¶ 逆轉する terugdraaien; omzetten. ¶ 逆徒 verrader. ¶ 逆睹 voorspelling. ¶ 逆運 tegenspoed; tegenslag; ongeluk. ¶ 逆運動 teruggang; acherwaartsche beweging. ¶ 逆産 omgekeerde geboorte; geboorte met de voeten vooruit.
hōgaku方角

zn. richting v.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <richting>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
向き muki (1) richting; ligging; oriëntatie; positie; gerichtheid; (2) bestemming; geschiktheid; aangewezenheid; bedoeling; (3) betrokkene; belanghebbende; mensen die ~; (4) opvliegendheid
見当 kentou circa ~; ongeveer ~; om en bij de ~; rond de ~; in de buurt van ~; bij benadering ~; ; (1) doel; doelwit; doeleinde; mikpunt; (2) richting; (3) verwachting; vooruitzicht; perspectief; (4) schatting; raming; begroting; taxatie; (5) veronderstelling; onderstelling; vermoeden; hypothese; presumptie
本家 honke (1) hoofdlinie van een familie; hoofdfamilie; (2) hoofdwinkel; hoofdvestiging; (3) hoofd van een stroming; richting; school; (4) grondlegger; initiator; initiatiefnemer; geestelijke vader
方向 houkou (1) richting; oriëntatie; koers; loop; (2) weg; koers; [i.h.b.] loopbaan
方位 houi hoek; streek; richting; positie; hemelstreek; windstreek; [羅針盤の] kompasstreek; kompasrichting; [astron., landmeetk.] azimut
方面 houmen (1) richting; streek; [ter] hoogte [van]; [in de] buurt [van]; ~ en daaromtrent; ~ en omgeving; ~ en omstreken; (2) gebied; terrein; vlak; facet; domein; kring; kant; aspect
方角 hougaku (1) windstreek; windrichting; hemelstreek; hoek; (2) ligging; positie; oriëntatie; (3) richting; (4) middel; instrument
hou (1) richting; kant; zijde; ~ heen; -waarts; [mijner-, jouwer-, enz] -zijds; (2) vlak; (competentie)gebied; terrein; domein; (3) veeleer ~; aan de ~ kant; eerder ~ (dan ~); wat beter; verkieslijker enz. is [verwijst vaak naar het voorkeursalternatief]; (4) kwadraat; tweede macht; vierkant; (5) methode; manier; wijze
針路 shinro (1) koers; (2) [fig.] koers; richting
宗派 shuuha (1) [rel.] religieuze groepering; denominatie; gezindte; kerkgenootschap; (2) [boeddh.] boeddhistische stroming; kerk; sekte; (3) [i.h.a.] gezindte; gemeente; stroming; groepering; school; richting
動向 doukou (1) [psych.] conatie; streving; (2) stroming; stroom; tendens; trend; richting; ontwikkeling; tendentie
流派 ryuuha school; richting
ryuu [maatwoord voor vlaggen en vaandels]; ; (1) a. op de wijze van …; in de stijl van …; op de manier van …; naar …; à la …; (2) b. school [van denkers]; richting; (3) c. -(st)e klas; -(st)e rang; -(st)e orde
寄り yori (uit) ~ richting; neigend tot ~; ; (1) bijeenkomst; vergadering; samenkomst; treffen; verzameling; opkomst; (2) [m.b.t. puist, huiduitslag enz.] het zich op één plek voordoen; (3) [sumō-jargon] techniek waarbij men de tegenstander wegduwt terwijl men diens band vasthoudt
狙い nerai (1) aanleg [van het geweer enz.]; richting; mik; het mikken; het richten; het aanleggen; (2) doel; streven; oogmerk; bedoeling; doelstelling; doeleinde
kata (1) -wijze; manier van ~; (2) per adres; p; a; ; (1) richting; directie; (2) mijnheer; mevrouw
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'richting', strategie: exact). 
2005-2019