日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘schenden’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
ansoku安息
zn. rust v. ¶ 安息日 sabbat; rustdag; dag des Heeren. ¶ 安息日を破る den sabbat schenden.
yaku
zn. belofte v.; verbintenis v. ¶ 背く belofte schenden. ¶ 守る woord houden.
yaburu破る
t.w. (1) [裂く] scheuren. (2) [破壞] breken. i.w. (3) [犯す] zich vergrijpen tegen; t.w. breken. t.w. (4) [負かす] verslaan. (5) [計畫を] beletten; verhinderen. (6) [産を] verkwisten. ¶ 破り難き onbreekbaar; onoverwinnelijk. ¶ 約束を破る belofte schenden. ¶ 手紙を破る brief verscheuren.
tennō天皇
zn. de keizer m. ¶ 天皇陛下 Zijne Majesteit de Keizer. ¶ 天皇 keizerlijke standaard. ¶ 天皇は神聖にして侵すべからず de keizer is heilig en onschendbaar.
kan-suru姦する
t.w. bezoedelen; schenden; (強姦) verkrachten; schoffeeren.
hazukashimeru辱める
t.w. beleedigen; vernederen; (婦人を) verkrachten; schoffeeren; schenden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schenden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
冒涜する boutokusuru ontheiligen; schenden; ontwijden; profaneren; desacraliseren; belasteren; lasterlijk spreken (over); [i.h.b.] godslasterlijk spreken (over); blasfemeren; lasteren; lasteringen uiten (over); [i.h.b.] godslasteringen uiten (over); onteren; [fig.] ontadelen; spotten (met)
侵入する shinnyuusuru invallen; binnenvallen; binnendringen; indringen; penetreren in; infiltreren; inbreken; een inval doen (in); een raid plegen; wederrechtelijk betreden; schenden; [comp.] hacken; kraken
侵犯する shinpansuru [領土を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [権利を] schenden; inbreuk maken; plegen; doen op; geweld aandoen; met voeten treden
陵辱する ryoujokusuru (1) beledigen; vernederen; krenken; beschimpen; te schande maken; schofferen; smaad aandoen; brutaliseren; bruuskeren; (2) aanranden; misbruiken; molesteren; molest aandoen; onteren; verkrachten; schenden
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
反する hansuru (1) ingaan tegen; botsen met; strijdig zijn met; in strijd zijn met; indruisen tegen; onverenigbaar zijn met; (2) overtreden; inbreuk maken op; schenden; contraveniëren; verbreken; aan zijn laars lappen; braveren; (3) de rug toekeren; verraden; afvallen; revolteren tegen; in opstand komen tegen; insubordineren
触れる fureru (1) raken; beroeren; bevoelen; betasten; aanvoelen; [i.h.b.] treffen; [i.h.b.] lopen op; [i.h.b.] schampen; (2) aanraken; aanroeren; vermelden; spreken over; ingaan op; [簡単に] aanstippen; (3) gewaarworden; merken; ondervinden; te maken krijgen met; te maken hebben met; betreffen; (4) in aanraking komen met; in strijd zijn met ~; [een wet, recht e.d.] schenden; ; rondvertellen; rondstrooien; verspreiden; te koop lopen met; rondbazuinen
侵す okasu (1) [国を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [国境; 領域を] schenden; (2) [権利を] inbreuk plegen; doen; maken op; krenken; schenden; aantasten; in z'n rechten benadelen; een aanslag doen op
犯す okasu (1) [m.b.t. zonde, ondeugd, misdrijf, wandaad etc.] begaan; plegen; [iets slechts of nadeligs] doen; (2) schenden; verbreken; overtreden; inbreuk maken op; zich niet houden aan; met voeten treden; (3) trotseren; uitdagen; in de wind slaan; negeren; zich niets aantrekken van; (4) aanranden; aanvallen; verkrachten; onteren; te na komen
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud., lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
害する gaisuru schaden; kwaad doen; schenden; benadelen; deren; beschadigen; bederven; krenken; afbreuk doen aan; schade berokkenen; letsel toebrengen; aantasten; geen goed doen
暴く abaku onthullen; openbaren; bekendmaken; aan het licht brengen; blootleggen; [墓を] openen; openbreken; schenden
荒らす arasu (1) grondig in de war sturen; een puinhoop maken van; helemaal overhoop halen; zwaar toetakelen; schade aanrichten; toebrengen; berokkenen; in de vernieling helpen; verwoestingen; vernielingen aanrichten; aantasten; teisteren; vernielen; verwoesten; ruïneren; [inform.] naar de verdommenis helpen; te gronde richten; (2) schenden; overvallen; onder de voet lopen; een overval uitvoeren; plunderen; brandschatten; afstropen; beroven
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.52 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'schenden', strategie: exact). 
2005-2019