日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘schenden’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
ansoku安息
zn. rust v. ¶ 安息日 sabbat; rustdag; dag des Heeren. ¶ 安息日を破る den sabbat schenden.
yaku
zn. belofte v.; verbintenis v. ¶ 背く belofte schenden. ¶ 守る woord houden.
yaburu破る
t.w. (1) [裂く] scheuren. (2) [破壞] breken. i.w. (3) [犯す] zich vergrijpen tegen; t.w. breken. t.w. (4) [負かす] verslaan. (5) [計畫を] beletten; verhinderen. (6) [産を] verkwisten. ¶ 破り難き onbreekbaar; onoverwinnelijk. ¶ 約束を破る belofte schenden. ¶ 手紙を破る brief verscheuren.
tennō天皇
zn. de keizer m. ¶ 天皇陛下 Zijne Majesteit de Keizer. ¶ 天皇 keizerlijke standaard. ¶ 天皇は神聖にして侵すべからず de keizer is heilig en onschendbaar.
kan-suru姦する
t.w. bezoedelen; schenden; (強姦) verkrachten; schoffeeren.
hazukashimeru辱める
t.w. beleedigen; vernederen; (婦人を) verkrachten; schoffeeren; schenden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schenden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
侵すokasu (1) [国を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [国境; 領域を] schenden; (2) [権利を] inbreuk plegen; doen; maken op; krenken; schenden; aantasten; in z'n rechten benadelen; een aanslag doen op
侵入するshinnyuusuru invallen; binnenvallen; binnendringen; indringen; penetreren in; infiltreren; inbreken; een inval doen (in); een raid plegen; wederrechtelijk betreden; schenden; [comp.] hacken; kraken
侵害するshingaisuru overtreden; aantasten; schenden; inbreuk maken (op); met voeten treden
侵犯するshinpansuru [領土を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [権利を] schenden; inbreuk maken; plegen; doen op; geweld aandoen; met voeten treden
冒すokasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud.; lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
冒涜する ; 冒瀆するboutokusuru ontheiligen; schenden; ontwijden; profaneren; desacraliseren; belasteren; lasterlijk spreken (over); [i.h.b.] godslasterlijk spreken (over); blasfemeren; lasteren; lasteringen uiten (over); [i.h.b.] godslasteringen uiten (over); onteren; [fig.] ontadelen; spotten (met)
加害するkagaisuru schade berokkenen; toebrengen; aantasten; schenden; schennen; kwetsen; krenken
反する ; 叛するhansuru (1) ingaan tegen; botsen met; strijdig zijn met; in strijd zijn met; indruisen tegen; onverenigbaar zijn met; (2) overtreden; inbreuk maken op; schenden; contraveniëren; verbreken; aan zijn laars lappen; braveren; (3) de rug toekeren; verraden; afvallen; revolteren tegen; in opstand komen tegen; insubordineren
害するgaisuru schaden; kwaad doen; schenden; benadelen; deren; beschadigen; bederven; krenken; afbreuk doen aan; schade berokkenen; letsel toebrengen; aantasten; geen goed doen
bou (1) hoed; pet; hoofddeksel; (a) hoofddeksel; (b) begin; (c) trotseren; (d) schenden; (e) bij naam noemen
抵触するteishyokusuru (1) overtreden; schenden; inbreuk maken op; indruisen tegen; strijdig; in strijd zijn met; contraveniëren; (2) conflicteren; confligeren; in conflict komen; tegenstrijdig zijn; elkaar tegenspreken; in tegenspraak zijn; (3) aanvaren; botsen; in botsing; aanvaring komen
損ねるsokoneru (1) schaden; schade berokkenen; beschadigen; kwaad doen; afbreuk doen aan; letsel toebrengen; deren; schenden; krenken; (2) stukgaan; kapotgaan; (3) verslechteren; slechter worden
暴くabaku onthullen; openbaren; bekendmaken; aan het licht brengen; blootleggen; [墓を] openen; openbreken; schenden
汚すkegasu (1) bevuilen; vuilmaken; smerig maken; bezoedelen; bevlekken; besmeuren; besmeren; smetten; (2) onteren; te schande maken; schande aandoen; schande brengen over; in ongenade doen vallen; een slechte naam bezorgen; de naam bezoedelen van; zijn eer doen verliezen; bezwalken; bezwadderen; zwart maken; bekladden; (3) onteren; schenden; aanranden; verkrachten; misbruiken; schofferen; zich vergrijpen aan; te na komen; [Sur.N.] rossen; (4) [末席を] de eer hebben aanwezig te zijn bij; te zetelen in; zitting te hebben in; lid te zijn van
犯すokasu (1) [m.b.t. zonde; ondeugd; misdrijf; wandaad etc.] begaan; plegen; [iets slechts of nadeligs] doen; (2) schenden; verbreken; overtreden; inbreuk maken op; zich niet houden aan; met voeten treden; (3) trotseren; uitdagen; in de wind slaan; negeren; zich niets aantrekken van; (4) aanranden; aanvallen; verkrachten; onteren; te na komen
破るyaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
背くsomuku (1) [命令に] ingaan tegen; in strijd zijn met; zich verzetten tegen; (2) [規則に] overtreden; [約束に] breken; schenden; negeren; in de wind slaan; (3) beschamen; geweld aandoen; verloochenen; de rug toekeren; toedraaien; [i.h.b.] verraden
荒らすarasu (1) grondig in de war sturen; een puinhoop maken van; in puin leggen; helemaal overhoop halen; zwaar toetakelen; schade aanrichten; toebrengen; berokkenen; beschadigen; in de vernieling helpen; verwoestingen; vernielingen aanrichten; havenen; aantasten; teisteren; vernielen; verwoesten; ruïneren; [inform.] naar de verdommenis helpen; te gronde richten; (2) schenden; overvallen; onder de voet lopen; een overval uitvoeren; plunderen; beplunderen; brandschatten; afstropen; beroven; (3) [手を] ruw maken
触れるfureru (1) raken; beroeren; bevoelen; betasten; aanvoelen; [i.h.b.] treffen; [i.h.b.] lopen op; [i.h.b.] schampen; (2) aanraken; aanroeren; vermelden; spreken over; ingaan op; [簡単に] aanstippen; (3) gewaarworden; merken; ondervinden; te maken krijgen met; te maken hebben met; betreffen; (4) in aanraking komen met; in strijd zijn met ~; [een wet; recht e.d.] schenden; (5) rondvertellen; rondstrooien; verspreiden; te koop lopen met; rondbazuinen
蹂躙するjuurinsuru (1) onder de voet lopen; (2) inbreuk plegen; doen; maken op; schenden; geweld aandoen; [fig.] met voeten treden; [fig.] vertrappen
辱めるhazukashimeru (1) vernederen; in verlegenheid brengen; generen; (2) te schande maken; onteren; een slechte naam bezorgen; van zijn eer beroven; schande brengen over; schofferen; aantasten in; (3) [女を] onteren; schenden; aanranden; zich vergrijpen aan; te na komen; misbruiken; verkrachten; [Sur.N.] rossen; [veroud.; lit.t.] schennen; [gew.] verprossen
違反するihansuru overtreden; zich niet houden aan; geweld aandoen; inbreuk maken op; met voeten treden; [een belofte] breken; schenden; zich vergrijpen aan; [jur.] violeren
陵辱するryoujokusuru (1) beledigen; vernederen; krenken; beschimpen; te schande maken; schofferen; smaad aandoen; brutaliseren; bruuskeren; (2) aanranden; misbruiken; molesteren; molest aandoen; onteren; verkrachten; schenden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.59 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'schenden', strategie: exact). 
2005-2021