日蘭辭典+

28 resultaten voor ‘schenken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ataeru與へる
(与える) t.w. (1) [贈與] ten geschenke geven; schenken. (2) [授與] geven; verleenen; toestaan. (3) [分與] uitdeelen. (4) [供給] verschaffen. (5) [蒙らす] bezorgen; geven;
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
ian慰安
(1) [慰めること] troost m.; vertroosting v. (2) [休養] verstrooiing v.; uitspanning v. ¶ 慰安與へる vertroosten; troosten; troost schenken. ¶ 慰安を求める troost zoeken. ¶ を以て慰安の料とする troost vinden in; zich troosten met.
renbo戀慕
(恋慕) zn. liefde v.; genegenheid v. ¶ 戀慕する verliefd worden; zijne liefde schenken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schenken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
儲ける moukeru (1) [winst] maken (op); [winst] behalen; opstrijken; er wat bij opsteken; verdienen; zijn voordeel doen (met); voordeel trekken (uit); [Barg.] bedissen; (2) [een kind] krijgen; [iem. een kind] schenken; (3) boffen; het treffen; zwijnen
勧める susumeru (1) aanraden; raden; de raad geven (te); adviseren; aanmoedigen; [i.c.m. 熱心に] aanmanen; aanbevelen; voorstellen; vragen; (2) bevorderen; stimuleren; in de hand werken; (3) aanbieden; geven; schenken
注ぐ tsugu (1) inschenken; uitschenken; ingieten; schenken; [de glazen enz.] vullen; [rijst; soep enz.] opdienen (in); serveren (in); [i.h.b.] bijgieten; bijschenken; (2) [steenkool enz.] bijvullen; toevoegen
移す utsusu (1) [in zijn geheel op een andere plaats] zetten; verplaatsen; verschuiven; (2) overgieten; overschenken; schenken; (3) [een gerechtszaak] overbrengen; overdragen; (4) een andere richting; wending geven; afleiden; (5) [病気を] overdragen; doen overgaan; infecteren met; aansteken
呉れる kureru (1) geven; schenken; aanbieden; cadeau doen; verlenen [aan een persoon die met de spreker samenvalt, tot de groep van de spreker behoort, of waarmee de spreker zich identificeert]; (2) zo vriendelijk zijn te ~; de moeite doen te ~ [na de て-form van een werkwoord; voor een persoon die met de spreker samenvalt, tot de groep van de spreker behoort, of waarmee de spreker zich identificeert]
下す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
下さる kudasaru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben om ~
下される kudasareru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben te ~
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒; 茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
進物にする shinmotsunisuru als cadeau bedoelen; cadeau doen; ten geschenke geven; schenken
進呈する shinteisuru aanbieden; schenken; presenteren
賜う tamau [humiliatieve variant van もらう] ontvangen; krijgen; [i.h.b.] te eten; drinken krijgen; nuttigen; ; (1) […~] [benadrukt de welwillendheid van het onderwerp (de schenker)]; (2) […~] [betoont eer aan het onderwerp]; (3) […(さ)せ~] [drukt buitengewoon respect uit]; (4) […~] [formuleert aan standgenoten of ondergeschikten een discreet bevel]; (5) 10. [聞き; 見~] [drukt het ontvangen van een gunst of toelating uit] mogen; (6) 11. [思い; 聞き; 見~] [drukt nederigheid uit t.o.v. de toegesprokene]; ; (1) [honoratieve variant van ataeru en kureru] zich verwaardigen te geven; schenken; verlenen; toestaan; toekennen; uitreiken; vereren met; (2) [honoratieve variant van yokosu] sturen; zenden; (3) [zelfverheerlijkende variant van ataeru] ± zo goed zijn te geven; (4) […たまえ] [drukt een bevel; uitnodiging uit]
賜る tamawaru (1) krijgen; ontvangen; vereerd worden met; (2) zich verwaardigen te geven; schenken; verlenen
奉る tatematsuru (1) laten aanbieden; doen geven; (2) sturen; afvaardigen; zenden; ; (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; ; […~] [hum. hulpwerkwoord]
参らせる mairaseru [hum.] […参らせる] doen; verrichten; ; (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken
注す sasu (1) gieten; schenken; uitschenken; inschenken; vullen; [m.b.t. oogdruppels e.d.] toedienen; (2) aanbrengen; opdoen; [m.b.t. olie] smeren
差す sasu (1) gieten; schenken; uitschenken; inschenken; vullen; [m.b.t. oogdruppels e.d.] toedienen; (2) aanbrengen; opdoen; [m.b.t. olie] smeren; (3) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (4) [m.b.t. paraplu e.d.] opsteken; omhoogbrengen; omhoog houden; (5) [m.b.t. zwaard] aangorden; aandoen; (6) [scheepv.] voortbomen; doen varen; doen voortbewegen; [w.g., lit.t.] doen reilen; (7) 10. [m.b.t. borrel] aanbieden; bieden; schenken; offreren; ; (1) schijnen; lichten; gloeien; stralen; (2) [m.b.t. blos enz.] te voorschijn komen; over zich krijgen; (3) [m.b.t. boze macht enz.] varen in; [form.] vaardig worden over
差し上げる sashiageru (1) opheffen; opsteken; omhoogbrengen; omhoog heffen; omhoog steken; omhoog houden; omhoog doen; ten hemel heffen; verheffen; (2) geven; aanbieden; schenken; [w.g.] reiken
寄進する kishinsuru [rel.] schenken; bijdragen; geven; doneren; offeren
付与する fuyosuru geven; schenken; toekennen; verlenen; bekleden met; begiftigen met; uitreiken
プレゼントする purezentosuru [iem. iets] present geven; cadeau geven; ten geschenke geven; aanbieden; schenken; begiftigen (met)
贈る okuru (1) schenken; ten geschenke geven; geven; aanbieden; (2) verlenen; [een prijs, onderscheiding, rang etc.] toekennen; uitreiken; uitdelen; decoreren
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) 10. overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) 11. ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) 12. klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) 13. [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) 14. [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) 15. [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) 16. verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) 17. [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) 18. aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) 19. [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) 20. frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) 21. [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
許す; 赦す; 聴す yurusu (1) door de vingers zien; dulden; vergeven; niet kwalijk nemen; pardonneren; verontschuldigen; (2) toelaten; vergunnen; erkennen; aanvaarden; toestaan; toestemming geven voor; verlenen; veroorloven; toestemmen in; inwilligen; verhoren; (3) [zijn aandacht] verslappen; zwichten voor; zich geven aan; [de tegenstander een winstpunt] gunnen; [iemand zijn vertrouwen] schenken; (4) erkennen [als uitmuntend]; accrediteren als
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'schenken', strategie: exact). 
2005-2019