日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘scheppen’
日蘭辭典 (trefwoord)
tanoshimi
(楽しみ) zn. (1) [愉快] vreugde v.; genot.; genoegen o. (2) [娯樂] vermaak o.; pleizier o.; pret v. (3) [幸福] geluk o. ¶ genieten van; vreugde scheppen in; zich vermaken met; zich verheugen over.
sōzō創造
zn. schepping v. ¶ 創造する scheppen. ¶ 創造物 schepsel; geschapene; schepping. ¶ 創造性 scheppend vermogen. ¶ 創造者 schepper.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <scheppen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
創造する souzousuru scheppen; creëren; in het leven roepen; maken; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; tot aanzijn roepen
創始する soushisuru doen ontstaan; scheppen; in het leven roepen; creëren; tot stand brengen; oprichten; stichten; instellen; opstellen; grondvesten; vestigen
創作する sousakusuru (1) creëren; scheppen; maken; voortbrengen; [i.h.b.] schrijven; (2) fabriceren; verzinnen; verdichten; uit zijn duim zuigen; uit zijn mouw schudden
掬う sukuu (1) scheppen; opscheppen; [しゃくしで] lepelen; oplepelen; (2) [足を] een beentje lichten; een beentje zetten; doen struikelen; [gew.] pootje lappen
据える sueru (1) plaatsen; installeren; zetten; leggen; stellen; (2) bevestigen; monteren; vastzetten; (3) een functie doen innemen; plaats doen nemen; installeren; bevestigen; aanstellen als; benoemen tot; (4) [目を] vestigen op; fixeren op; concentreren op; [度胸を] vatten; verzamelen; scheppen; [腰を] toeleggen; [腹を] bepalen; besluiten
作る tsukuru (1) maken; vervaardigen; aanmaken; aanbrengen; vormen; [巣; 機会; 船を] bouwen; assembleren; fabriceren; in elkaar zetten; [区; 庭を] aanleggen; [料理を] bereiden; klaarmaken; (2) [田を] bebouwen; cultiveren; [学生; 教員を] opleiden; [性格を] ontwikkelen; vormen; opbouwen; (3) telen; kweken; verbouwen; (4) produceren; voortbrengen; [予算を] opstellen; opmaken; [文書を] schrijven; [計画; 詩歌を] smeden; [楽曲を] componeren; (5) scheppen; [先例を] creëren; vormen; formeren; samenstellen; [新政府を] constitueren; [会社を] stichten; oprichten; vestigen; [時間; 資金を] vrijmaken; [しわ; にきび; たこを] krijgen; (6) [口実を] verzinnen; fabriceren; kunstmatig vormen; construeren; [笑顔を] forceren; affecteren; faken; (7) [雄鶏が時を] kraaien
造る tsukuru (1) maken; [m.b.t. huizen; schepen enz.] bouwen; construeren; [wijk; tuin enz.] aanleggen; (2) scheppen; creëren; [m.b.t. alcoholica] brouwen; [m.b.t. geld] slaan; aanmaken; [m.b.t. klokken; kanonnen] gieten; [m.b.t. neologismen] verzinnen; uitvinden; smeden
結ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen
生み出す umidasu (1) [子を] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; [卵を] leggen; (2) scheppen; voortbrengen; (3) opleveren; produceren; genereren; leveren; [利益を] geven; dragen
生む umu (1) [赤ちゃんを] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; krijgen; bevallen van; [動物が子供を] jongen; werpen; [牛; 象; 鯨が子を] afkalven; [卵を] leggen; (2) voortbrengen; produceren; scheppen; doen bestaan; opleveren; opbrengen; teweegbrengen; in het leven roepen; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; [lit.t.] tot aanzijn roepen; [疑惑を] wekken; [利子を] geven; dragen
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒; 茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
仕出す shidasu (1) beginnen te doen; aanvangen; aan de slag gaan met; starten met; (2) [料理を] cateren; maaltijden verzorgen; leveren; verschaffen; aan huis bezorgen; diners uitzenden; (3) vervaardigen; uitvinden; scheppen; creëren; in het leven roepen; instellen; (4) [身代を] verwerven; opbouwen; maken; (5) klaarspelen; voor elkaar krijgen; klaarkrijgen; gedaan krijgen; bewerkstelligen; tot stand brengen; uitvoeren
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
鼓す kosu (1) [muz.] roffelen; [gew.] roefelen; slaan (op); roeren; (2) [勇気を] verzamelen; bij elkaar rapen; scheppen; vatten; zich vermannen
鼓する kosuru (1) [muz.] roffelen; [gew.] roefelen; slaan (op); roeren; (2) [勇気を] verzamelen; bij elkaar rapen; scheppen; vatten; zich vermannen
振う furuu (1) [暴力を] plegen; gebruiken; aanwenden; laten gelden; [権力を] uitoefenen; hanteren; voeren; [刀を] zwaaien; wuiven; schudden; [手腕を] tentoonspreiden; demonstreren; aan de dag leggen; (2) [勇気を] scheppen; vatten; verzamelen; bij elkaar schrapen; ; gedijen; tieren; welvaren; bloeien; floreren; welvarend zijn; voorspoedig zijn; succes hebben; het goed doen
掻く kaku (1) (zich) krabben; (2) [sneeuw] scheppen; [熊手で] harken; aanharken; bijeen schrapen; (3) peddelen; (4) afsnijden; afhakken; (5) zweten; (6) [op een snaarinstrument] spelen; (7) [in kleermakerszit] gaan zitten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.45 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'scheppen', strategie: exact). 
2005-2020