日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘schijn’
日蘭辭典 (trefwoord)
seken世間
zn. de wereld v.; het publiek o.; de menschen m.mv.; gezelschap o. ¶ 世間通 man van de wereld. ¶ 世間竝の gewoon; gebruikelijk; conventioneel. ¶ 世間話 babbeltje; praatje over koetjes en kalfjes. ¶ 世間の人が言ふ men zegt. ¶ 世間に voor de wereld; in het publiek. ¶ 世間嫌ひ walg van de wereld; menschenhaat. ¶ 世間竝 ’swerelds loop; gewone gang van zaken. ¶ 世間schijn; aanzien voor de wereld. ¶ 世間體を飾る den schijn ophouden. ¶ 渡る世間overal. ¶ 世間世間 laat de menschen toch praten!
hyōmen表面
zn. oppervlakte v.; buitenkant (側面) m.; voorkant (前側) m.; bovenkant (上面) m. ¶ 表面oppervlakkig; schijnbaar; blijkbaar. ¶ 表面上 voor den vorm; voor den schijn; oppervlakkig beschouwd.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schijn>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
申し分け; 申し訳; 申分; 申訳 moushiwake (1) excuus; excuses; verontschuldiging; rechtvaardiging; verschoning; (2) aftreksel; surrogaat; pro forma-; schijn-
sora (1) onjuist …; verkeerd …; ten onrechte …; mis-; waan-; (2) geveinsd(e) …; gemaakt(e) …; voorgewend(e) …; gesimuleerd(e) …; quasi-; schijn-; pseudo-; nep-; (3) [~形容詞] danig …; behoorlijk …; zeer …; ; (1) lucht; luchtruim; (2) hemel; hemelruim; [form., lit.t.] firmament; [lit.t.] hemelen; (3) [meton.] streek; oord; (4) stemming; gevoel; geest; (5) [~で] van buiten; uit het hoofd; (6) leugen; onwaarheid; valsheid
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
気配 kehai (1) teken (dat een persoon gewaarwordt in zijn omgeving); indicatie; symptoom; (2) blijk; schijn; uiterlijk; (3) voorteken; omen; (4) gedrag; optreden; houding
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
jou (1) -brief; (2) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~; ; (1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見栄 mie vertoon; show; schijn; uiterlijk; sier; ostentatie; ijdelheid
光沢 koutaku glans; schijn; weerschijn; glazuur; lustre; gloed; [w.g.] polijst
伊達 date (1) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (2) dandyachtig; fatterig; ; (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date
chiri (1) stof; (2) vuil; vuilnis; afval; rommel; troep; prullen; rotzooi; (3) onzuiverheid; onreinheid; vuilheid; smet; bederf; ontaarding; (4) zeer geringe hoeveelheid; greintje; schijn; morzel
sama (1) -elings; -waarts [drukt een richting, oriëntatie uit]; (2) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix; voorafgegaan door een naam; titel; status e.d.]; (3) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (4) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]; ; voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden
狂言 kyougen (1) tussen no-stukken opgevoerde klucht; komisch tussenspel; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew., w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
hana (1) bloem; bloesem; [fig.] blom; [uitdr.] Flora's kinderen; (2) kersenbloesem; (3) fleur; het beste (in zijn soort); keur; puik; crème de la crème; het neusje van de zalm; je van het; [fig.] koningin [bv. van het bal enz.]; (4) [fig.] ziel; wezen; essentie; kwintessens; (5) [fig.] (vergankelijke) schoonheid; schijn; (6) fooi (voor geisha); douceur; (7) ikebana; bloemsierkunst; (8) speelkaart (met bloemmotief); figuurkaart; [meton.] plaatje
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
仮面 kamen (1) masker; mom; gezichtsmasker; mombakkes; [veroud.] momaanzicht; [veroud.] grijns; [Barg.] schiebaart; (2) [fig.] schijn; mom; bedrieglijk voorkomen
kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
仮象 kashou (1) schijnbeeld; bedrieglijk beeld; (2) schijn
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
明かり akari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg., volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.82 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'schijn', strategie: exact). 
2005-2019