日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘slaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
atehamaru當嵌まる
(当て嵌まる・当てはまる) i.w. toepasselijk zijn; slaan op; hetzelfde betekenen als .
yashin野心
zn. hebzucht v.; agressieve bedoelingen v.mv.; eerzuchtige plannen o.mv.; begeerigheid v. ¶ 蘭領印度に對して野心を懷く begeerige ogen slaan op Nederlandsch Indië; agressieve bedoelingen koesten [sic] ten aanzien van Nederlandsch Indië.
naru鳴る
i.w. klinken; slaan (時計が). ¶ が鳴る suizing in de ooren hebben. ¶ 雷が鳴る het dondert. ¶ がらがら鳴る ratelen; klapperen. ¶ 日本は風景を以て鳴る Japan is beroemd wegens zijn natuurschoon.
kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
daboku打撲
zn. klap m.; slag m. ¶ 打撲する ranselen; bont en blauw slaan; kneuzen.
hatakuはたく

(叩く) t.w. (1) [打つ] slaan; kloppen. (2) [拂ふ] stoffen. i.w. (3) [財布を] uitgeven tot den laatsten cent.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <slaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
突く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje; klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne; langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer; de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
造る tsukuru (1) maken; [m.b.t. huizen; schepen enz.] bouwen; construeren; [wijk; tuin enz.] aanleggen; (2) scheppen; creëren; [m.b.t. alcoholica] brouwen; [m.b.t. geld] slaan; aanmaken; [m.b.t. klokken; kanonnen] gieten; [m.b.t. neologismen] verzinnen; uitvinden; smeden
打つ utsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) 10. [een net; vangnet] werpen; [een net; vangnet] gooien; (11) 11. [een telegram] sturen
腕を組む udewokumu (1) de armen over elkaar leggen; slaan; de armen over de borst kruisen; (2) arm in arm leggen; slaan; de arm door andermans arm steken; bij elkaar insteken; inhaken
打ち鳴らす uchinarasu slaand geluid doen geven; slaan; roeren; aanslaan; trommelen
打ち合わせる uchiawaseru (1) [een ding] tegen [een ander ding] slaan; stoten tegen; [グラスを] klinken; aanstoten; (2) voorafgaande besprekingen houden; voorbereidingen doen
食わす kuwasu (1) voeden; eten geven; voeren; (2) onderhouden; in de levensbehoeften voorzien; (3) slaan; een klap toedienen; (4) bedotten; bedriegen; beetnemen; in de luren leggen
食わせる kuwaseru (1) voeden; eten geven; voeren; (2) in de mond steken; (3) samenbrengen; invoegen; (4) onderhouden; in de levensbehoeften voorzien; (5) opleggen; opdringen; berokkenen; doen slikken; (6) slaan; een klap toedienen; (7) een pijl aanleggen; (8) bedotten; bedriegen; beetnemen; in de luren leggen; (9) culinair verwennen; delicatessen voorschotelen
建設する kensetsusuru (1) bouwen; opbouwen; construeren; oprichten; (een brug) slaan; (2) oprichten; vestigen; stichten; instellen
鳴らす narasu (1) laten klinken; (laten) luiden; laten horen; laten weerklinken; [m.b.t. trompet, fluitje e.d.] blazen op; bespelen; spelen op; toeteren op; laten schallen; laten galmen; doen schetteren; kletteren met; [m.n. een sirene] doen loeien; [de trompet, klaroen enz.] steken; [m.n. de trommel] roeren; slaan; [m.b.t. bel] rinkelen met; doen rinkelen; doen tingelen; doen klingelen; [m.b.t. klok] kleppen; doen beieren; [m.b.t. glazen] klinken met; [m.n. vingers] laten kraken; [m.n. zweep] laten knallen; [met z'n vingers] knippen; [in de handen, met een zweep enz.] klappen; [met de lippen] smakken; [met de tong enz.] klakken; [de oren] doen tuiten; [m.b.t. blaren enz.] doen ruisen; doen suizen; (2) zich beroemd maken; zich bekend maken; naam maken; (3) uiten; uitspreken; uiting geven aan; ventileren; luchten
鳴る naru (1) klinken; luiden; [van bel, fluitje, telefoon enz.] gaan; galmen; schallen; weerklinken; [van wekker] aflopen; [i.h.b. van bel] rinkelen; klingelen; [i.h.b. van klok] beieren; slaan; kleppen; [van sirene] loeien; [van wind] ruisen; [van oren] suizen; tuiten; [van donderslag] rollen; rommelen; (2) [fig., van roem, faam] weerklinken; befaamd zijn; beroemd zijn; gevierd zijn; vermaard zijn; bekendstaan om
殴る naguru (1) (hard) slaan; meppen; een klap geven; slaag geven; een mep uitdelen; een dreun verkopen; ervan langs geven; afranselen; afrossen; aframmelen; knokken; [Barg.] gieren; (2) [van regen, sneeuw, wind] striemen; (3) [volgend op dōshi in de ren'yōkei] slordig -en; ruw [te werk gaan enz.]
決る shakuru (1) uitscheppen; [スプーンで] uitlepelen; (2) opscheppen; oplepelen; (3) [鞭を] slaan; (4) [あごを] de kin vooruitsteken; (5) [戸を] ophalen; (6) aansporen; aanmoedigen; ophitsen
鼓動する kodousuru kloppen; bonzen; slaan; bonken; pulseren; palpiteren
飛ばす tobasu (1) laten vliegen; afschieten; schieten; afvuren; lossen; [m.b.t. vlieger, ballon] oplaten; [honkbal; b.v. een tweehonkslag] slaan; [een beenveeg] lappen; [m.b.t. speeksel] uitwerpen; (2) spatten; laten spatten; [m.b.t. snippers enz.] rondstrooien; (3) wegblazen; afblazen; (4) [een auto enz.] doen wegscheuren; jagen; [m.b.t paard] in galop doen gaan; (5) [een manifest enz.] uitvaardigen; uitbrengen; in omloop brengen; in circulatie brengen; verspreiden; laten circuleren; [m.b.t. grappen] debiteren; [m.b.t. klappen] uitdelen; (6) [euf.] overplaatsen; (7) overslaan; overspringen; [comp.] skippen; weglaten; luchtig overheen gaan; achterwege laten
逃亡する toubousuru vluchten; vlieden; ontvluchten; ontvlieden; ervandoor gaan; op de vlucht gaan; slaan; de vlucht nemen; wegvluchten; weglopen; ontkomen; de plaat poetsen; z'n biezen pakken; de benen nemen; zich uit de voeten maken; 'm smeren; ertussenuit knijpen; in de steek laten; de wijk nemen; uitwijken; deserteren; decamperen
動悸 douki [geneesk.] hartklopping; palpitatie; klopping; pulsatie; hartslag; hartklop; hartenklop; hartgebons; het kloppen; slaan; bonzen; bonken van het hart; [oneig.] polsslag
高飛びする takatobisuru op de vlucht gaan; slaan; vluchten; ontvluchten; ontsnappen
高飛び takatobi het op de vlucht gaan; slaan; vlucht; ontvluchting; ontsnapping; voortvluchtigheid
叩く tataku (1) slaan; kloppen; meppen; [軽く] tikken; aantikken; [激しく] bonzen; beuken; hameren; [どんと] bonken; [手を] klappen; [ごつんと] stompen; [口を] roeren; [i.h.b.] bekloppen; [i.h.b.] aankloppen; [ピアノの鍵を] aanslaan; (2) aanvallen; attaqueren; bekritiseren; hekelen; de volle laag geven; de wind van voren geven; onder vuur nemen; ervan langs geven; (3) bestoken; aanvallen; (4) [意見を] polsen; peilen; (5) [肉を] fijnsnijden; hakken; (6) [値段を] drukken; doen zakken; naar beneden brengen; reduceren; afpingelen; beknibbelen
倒す taosu (1) doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; vellen; omstoten; omverstoten; omverduwen; neerleggen; omhalen; omwerpen; omduwen; omgooien; omwippen; omslaan; omstorten; omsmijten; neerslaan; neerduwen; neervellen; neerhalen; neertrekken; kiepen; tegen de grond werken; gooien; slaan; omkippen; [inform.] omkiep(er)en; [inform., scherts.] omkukelen; [i.h.b.] omverlopen; [i.h.b.] omverrennen; [i.h.b.] omverrijden; [m.b.t. kegelspel] omverkegelen; [i.c.m. 稲を] doen legeren; (2) omverwerpen; omvergooien; omverhalen; ten val brengen; wippen; te gronde richten; uit het zadel werpen; (3) doden; doen sneuvelen; neervellen; neerleggen; ombrengen; [inform.] omleggen; [arch.] vellen; (4) verslaan; slaan; kloppen; onderuithalen; overwinnen; neerwerpen; [fig.] vloeren; [uitdr.] in het zand; stof doen bijten; (5) [m.b.t. schulden] niet delgen; terugbetalen; (financieel) aderlaten; oplichten; afzetten
倒せる taoseru (1) kunnen doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; kunnen vellen; kunnen omstoten; kunnen omverstoten; kunnen omverduwen; kunnen neerleggen; kunnen omhalen; kunnen omwerpen; kunnen omduwen; kunnen omgooien; kunnen omwippen; kunnen omslaan; kunnen omstorten; kunnen omsmijten; kunnen neerslaan; kunnen neerduwen; kunnen neervellen; kunnen neerhalen; kunnen neertrekken; kunnen kiepen; tegen de grond kunnen werken; gooien; slaan; kunnen omkippen; [inform.] kunnen omkiep(er)en; [inform., scherts.] kunnen omkukelen; [i.h.b.] kunnen omverlopen; [i.h.b.] kunnen omverrennen; [i.h.b.] kunnen omverrijden; [m.b.t. kegelspel] kunnen omverkegelen; [i.c.m. 稲を] kunnen doen legeren; (2) kunnen omverwerpen; kunnen omvergooien; kunnen omverhalen; ten val kunnen brengen; kunnen wippen; te gronde kunnen richten; uit het zadel kunnen werpen; (3) kunnen doden; kunnen doen sneuvelen; kunnen neervellen; kunnen neerleggen; kunnen ombrengen; [inform.] kunnen omleggen; [arch.] kunnen vellen; (4) kunnen verslaan; kunnen slaan; kunnen kloppen; kunnen onderuithalen; kunnen overwinnen; kunnen neerwerpen; [fig.] kunnen vloeren; [uitdr.] in het zand; stof kunnen doen bijten; (5) (financieel) kunnen aderlaten; kunnen oplichten; kunnen afzetten
鋳造する chuuzousuru (1) gieten; (2) aanmunten; munten; [m.b.t. munt] slaan
打つ; 撃つ; 撲つ butsu (1) slaan; meppen; een klap geven; (2) [toespraken enz.] houden; afsteken
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に] vasthaken; [十字架に] slaan; [審議に] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に] op het vuur zetten; (4) [ケーブルを] leggen; [橋を] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を] in brand steken; [サラダにドレッシングを] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [ショールを] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ボタンを] dichtdoen; vastmaken; [錠を] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を] telegraferen; (10) 10. wegen; het gewicht vaststellen; (11) 11. vermenigvuldigen; (12) 12. [望みを] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを] richten; [思いを] verliefd worden op; [人に…の疑いを] aankijken op; (13) 13. [税を] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) 14. [機械を] aanzetten; [目覚し時計を] zetten; [ミシンを] met; op de machine naaien; [アイロンを] strijken; [レコード; CDを] opzetten; afdraaien; [時計のねじを] opwinden; (15) 15. [暇; 金を] besteden aan; (16) 16. [賞金を] uitloven; (17) 17. [診療に] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) 18. [雌牛を雄牛に] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) 19. [心に] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
足拍子を取る ashibyoushiwotoru de maat trappen; de maat met voetgestamp aangeven; slaan
当たる ataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光; 雨; 風が] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで] prijs hebben; in de prijzen vallen; [一等に] winnen; (6) [予測が] uitkomen; kloppen; (7) [批判が] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は] een succes zijn; (9) [果物が] goed vrucht dragen; (10) 10. [フグに] vergiftigd raken; (11) 11. [敵に] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) 12. [日曜日に] vallen op; overeenkomen met; [百円に] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に] liggen; (13) 13. [難局に] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) 14. uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) 15. [辞書; 出典に] raadplegen; naslaan; [本人に] aftoetsen; (16) 16. [課題が] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) 17. [任に] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) 18. [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) 19. [mahjong] promoveren; (20) 20. [ゴマを] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) 21. [ひげを] scheren; (22) 22. [魚が] in het aas bijten; aanbijten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'slaan', strategie: exact). 
2005-2020