日蘭辭典+

39 resultaten voor ‘slag’
日蘭辭典 (trefwoord)
atogai後撓
zn. slag m.
ichigeki一擊
(一撃) zn. een slag m.
tatakai
(戦い、闘い、鬪ひ) zn. strijd m.; (合戰) gevecht o.; slag m.; (戰役) oorlog m.; krijg m.; (競爭) wedkamp m.; wedstrijd m. ¶ 戰を始める strijd beginnen; vijandelijkheden openen. ¶ 戰を宣する oorlog verklaren. ¶ 戰をする oorlog voeren. ¶ 戰好きの oorlogzuchtig; strijdlustig. ¶ 戰利あり overwinning behalen. ¶ 戰ふ vechten; strijden; kampen. ¶ 自由に戰ふ strijden voor de vrijheid. ¶ 誘惑と戰ふ strijden tegen de verleiding. ¶ 困難と戰ふ moeilijkheden bestrijden. ¶ 鬪はす laten vechten. ¶ 論を鬪はす argumenteeren; argumenten aanvoeren.
katsu勝つ
t.w. (1) [勝利] overwinnen; i.w. overwining behalen. t.w. (2) [優る] overtreffen. ¶ 戰に勝つ den slag winnen. ¶ 困難に克つ moeilijkheden te boven komen. ¶ にはが勝ち過ぎる het is te zwaar voor mij.
sensō戰爭
(戦争) zn. (1) [戰亂] oorlog m.; strijd m. (2) [戰鬪] slag m.; gevecht o. ¶ 戰爭する oorlog voeren; strijden; vechten; slag leveren. ¶ 戰爭中に in den oorlog; gedurende den strijd; al vechtende. ¶ 戰爭準備 toerusting tot den strijd; bewapening; voorbereiding tot den oorlog. ¶ 戰爭利益 oorlogswinst. ¶ 戰爭出る ten strijde trekken. ¶ 戰爭狂 oorlogspsychose. ¶ 戰爭好き oorlogszuchtig; krijgslustig.
daboku打撲
zn. klap m.; slag m. ¶ 打撲する ranselen; bont en blauw slaan; kneuzen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
ichida一打
zn. (de) slag; (de) klap; (de) tik. ¶ の一打は伸びなかった。Kare no ichida wa nobinakatta. Zijn slag kwam niet ver. [TTC]
hitouchi一打ち
zn. (de) slag; (de) klap; (de) tik. ¶ この初太刀の一打ちで小次郎はすでに十分な致命傷を受けていた。 Kono shodachi no hitouchi de, Kojirō wa sude ni jūbun na chimeishō wo ukete ita. Met die enkele eerste zwaardslag werd Kojirō al dodelijk verwond. [blog]
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <slag>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
te 22. [maatwoord voor shogi-; schaakzetten]; ; (1) 16. hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (2) 17. hand-; meeneem-; (3) 18. [~keiyōshi; keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; ; (1) 19. in de richting van …; -waarts; (2) 20. [noemt een zekere kwaliteit]; (3) 21. [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; ; (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) 10. [将棋の] zet; (11) 11. [トランプの] hand; kaarten; (12) 12. richting; kant; zijde; (13) 13. soort; slag; merk; (14) 14. vaardigheid; bekwaamheid; (15) 15. betrekking; band
ストローク sutorooku [golf] [maatwoord voor slagen]; ; (1) [roeisport] slag; (2) [roeisport] slagroeier; achterste roeier; (3) [zwemsport] slag; (4) [(tafel)tennis; golf] slag; (5) [techn.] slag; slaglengte; slaghoogte; tact; (6) [typemachine] aanslag
一撃 ichigeki slag; klap; aanval; dreun; stoot; oplawaai; opduvel
一石二鳥 issekinichou twee vliegen in één klap; slag; dubbel voordeel
一石二鳥 issekinichou twee vliegen in één klap; slag; dubbel voordeel
区間 kukan [maatwoord voor zones, etappes]; ; (1) ruimte tussen twee zones; districten; (2) [道路の] zone; [鉄道の] traject; sectie; (3) gebied; district; territorium; (4) [wisk.] interval; (5) [sportt.] etappe; manche; [駅伝の] estafetteonderdeel; [scheepv.] slag; rak
仲間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
種類 shurui soort; aard; variëteit; slag; type; categorie; [biol.] species; [w.g.] specie; [w.g.] gading; [inform.] soortement
myaku (1) pols; polsslag; [verk.] slag; (2) [木の葉; 昆虫の羽の] ader; nerf; (3) [鉱の] ader
呼吸 kokyuu (1) adem; ademhaling; ademtocht; [inform.] asem; (2) handigheidje; truc; foefje; slag; handigheid in iets; tact; kunstgreep; diplomatie
こつ kotsu truc; handigheidje; kneepje; kunstje; maniertje; weet; slag
鼓動 kodou slag; klop; geklop; klopping; bons; gebons; pulsatie; palpitatie
戦闘 sentou slag; veldslag; strijd; gevecht; vijandelijkheden; actie; [veroud.] kamp
戦い tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
タイプ taipu [maatwoord voor types, soorten]; ; -type; -achtig; ; (1) schrijfmachine; tikmachine; typemachine; [w.g.] typewriter; (2) type; soort; model; patroon; slag; genre
打撃 dageki (1) slag; klap; dreun; pets; opstopper; stoot; [gew.] bonk; (2) [sportt.] het slaan; slag; het batten; slagwerk; [テニスの] drive; volley; [ボクシングの] punch; (3) [fig.] klap; schok; knak; knauw
打球 dakyuu (1) [honkb.] het slaan; het batten; slag; (2) [honkb.] geslagen bal; gebatte bal
回り mawari (1) [maatwoord voor ronden, toertjes]; (2) [maatwoord voor een cyclus van 12 jaar]; (3) [maatwoord voor een termijn van 7 dagen]; (4) [maatwoord voor maten, slagen]; ; (1) draai; draaiing; slag; omwenteling; rotatie; omgang; toer; wenteling; wending; zwenking; (2) ronde; rondgang; verspreiding; (3) [毒; アルコールの] uitwerking; effect; (4) [交通機関の] traject; route; via; (5) omweg; omrit; omlegging; omleiding; wegomlegging
鳩舎 kyuusha duivenhok; duiventil; duivenkot; til; kijker; [meton.] slag; [gew.] duifhuis; [gew.] keet; [gew.] pier
野戦 yasen (1) veldslag; strijd in het open veld; slag; krijgsverrichtingen te velde; (2) slagveld
要領 youryou (1) hoofdpunt; kern; kernpunt; hoofdzaak; hoofdgedachte; punt; hoofdinhoud; allerbelangrijkste; essentie; pointe; waar het om gaat; (2) kneepje; het fijne; truc; handigheidje; slag
敗戦する haisensuru (1) een oorlog; slag; strijd verliezen; verslagen worden; (2) een wedstrijd; spel verliezen; het onderspit delven
鳩小屋 hatogoya duivenhok; duiventil; duivenkot; til; kijker; [meton.] slag; [gew.] duifhuis; [gew.] keet; [gew.] pier
バトル batoru (1) slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; (2) Battle
hada (1) huid; vel; [volkst.] bast; (2) oppervlak; [i.h.b.] textuur; (3) aard; natuur; karakter; inborst; geaardheid; type; slag; een ~ soort mens
パンチ panchi (1) pons; ponsmachine; ponstang; drevel; doorslag; perforator; kniptang; (2) vuistslag; slag; stoot; klap; (3) slagvaardigheid; doortastendheid; pit; energie; kracht; fut; [bokssp.] punch; jab; (4) [cul.] punch; bowldrank; bowl; krambamboeli
会戦する kaisensuru slag; strijd leveren; vechten; strijden
会戦 kaisen slag; strijd; gevecht; treffen; vijandelijke ontmoeting; rencontre; vijandelijkheden; schermutseling
がちゃん gachan met een klap; smak; slag; dreun
ヒット hitto (1) slag; klap; dreun; mep; (2) [honkb.] hit; goede slag; (3) treffer; raakschot; (4) hit; succes; (5) [comp.] hit; treffer; resultaat van een zoekopdracht
平手打ち hirateuchi klap; mep; slag; klets
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 31 treffers (zoekopdracht: 'slag', strategie: exact). 
2005-2019