日蘭辭典+

31 resultaten voor ‘sluiten’
日蘭辭典 (trefwoord)
amado雨戸
zn. luik o.; buitenluik o. ¶ 雨戸を閉める de luiken sluiten.
tateru立てる、樹てる
(建てる) t.w. (1) [立起す] laten staan; neerzetten; hijschen (旗を); overeind zetten (石を); spitsen (耳を). (2) [建造する] bouwen; oprichten. (3) [閉ぢる] sluiten; dichtdoen. (4) [設立する] stichten; (組織する) instellen; organiseeen. (5) [制定する] vaststellen. (6) [計畫を] beramen. (7) [議論を] opwerpen; aanvoeren. (8) [勳功を] tot stand brengen; presteeren. ¶ 忠義を立てる trouw zijn. ¶ 男を立てる zijn waardigheid als man handhaven. ¶ 腹を立てる boos worden. ¶ 噂を立てる gerucht verspreiden. ¶ を立てる zich een positie verovereren; carriere maken. ¶ 生計を立てる zijn brood verdienen. ¶ 聲を立てる geluid geven. ¶ を立てる zweren; gelofte doen. ¶ 使を立てる boodschap zenden. ¶ の目を立てる zaag scherpen. ¶ 棘を立てる zich aan doorn prikken.
fusagu塞ぐ
t.w. sluiten; versperren; verstoppen; dichtstoppen; barrikadeeren. ¶ 塞ぐ gat stoppen. ¶ 場所を塞ぐ ruimte innemen. ¶ 往來を塞ぐ weg versperren. ¶ 口を塞ぐ den mond houden. ¶ 道を塞いではいけない sta mij niet in den weg.
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <sluiten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
締結する teiketsusuru [条約を] sluiten; aangaan
結ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen
閉館する heikansuru [図書館; 映画館が] sluiten; dichtgaan
閉会する heikaisuru [een vergadering, bijeenkomst enz.] sluiten; beëindigen; besluiten; een eind maken aan; [een zitting enz.] opheffen; ; eindigen; sluiten; aflopen; over zijn; ten einde lopen
閉鎖する heisasuru sluiten; afsluiten; afgrendelen; [工場を] stopzetten; opheffen; dichtdoen; opdoeken
しくる shikuru (1) [barg.] verknoeien; mislukken in; falen in; (2) [barg.] [目を] toedoen; sluiten
閉まる shimaru (zich) sluiten; dichtgaan; toegaan; [i.h.b.] dichtvallen
仕舞う (bet. 1-3) shimau uit-; af-; ten einde (toe) …; geheel en al … [aangesloten op de constructie RYK + て; duidt aan dat de in het grondwoord genoemde handeling ten einde gevoerd, voltooid, tot het einde toe verricht wordt; signaleert vaak spijt of onwenselijkheid van het eindresultaat]; ; (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている ; ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
締まる shimaru (1) sluiten; dichtgaan; toegaan; dichtvallen; [form.] luiken; [form.] toeluiken; [w.g.] dichten; (2) tot bezinning komen; nuchter; realistisch worden; (3) besparen; zuiniger zijn; de buikriem aanhalen
締め切る shimekiru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) afsluiten; beëindigen; besluiten; [meton.] uiterlijk; niet later dan; op zijn laatst ~ aanvaarden
締める (bet. 1, 3-5) shimeru (1) [帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid, fig., euf.] ombuigen; (6) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
閉める shimeru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) [m.b.t. winkel, zaak] voorgoed sluiten; opdoeken; opheffen; stopzetten; beëindigen
絞る (alle bet.) shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳; 乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段; 方法; 対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
取り決める torikimeru beslissen; vastleggen; afspreken; overeenkomen; [日時を] bepalen; [約束を] afsluiten; sluiten
閉じる tojiru (1) sluiten; dichtgaan; toegaan; zich sluiten; [m.b.t. de ogen] luiken; [w.g.] dichten; (2) [m.b.t. winkel, vergadering enz.] sluiten; aflopen; eindigen; ten einde lopen; ; (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; [een boek enz.] dichtklappen; [m.b.t. de ogen] luiken; [w.g.] dichten; (2) sluiten; [een vergadering enz.] eindigen; ten einde brengen; [een vergadering enz.] afsluiten
畳む tatamu (1) opvouwen; vouwen; samenvouwen; opklappen; [i.c.m. 旗; 帆を] opdoeken; [i.c.m. 旗; 帆を] bergen; [i.c.m. 扇; 翼を] dichtvouwen; [i.c.m. テントを] opbreken; [i.c.m. 本を] sluiten; [i.c.m. 本を] dichtdoen; [i.c.m. 石; 煉瓦 enz.] opstapelen; (2) opdoeken; opheffen; voorgoed sluiten; [uitdr.] zijn matten oprollen; er een einde aan maken; [een zaak enz.] aan de kant doen; zetten; stopzetten; liquideren; (3) [in zijn hart enz.] wegsluiten; [in gedachten enz.] houden; niet uiten; oppotten; [oneig.] opkroppen; (4) afmaken; van kant maken; uit de weg ruimen; opruimen; liquideren; [Barg.] mollen
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画; 規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気; 煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門; 戸; 雨戸; 障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; ; enthousiast ~; geestdriftig ~ [aangesloten op de ren'yōkei]
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
休場する kyuujousuru (1) [場所が] gesloten zijn; sluiten; (2) [選手が] afwezig; absent zijn; verstek laten gaan
跳ねる haneru spatten; laten spatten; bespatten; doen opspatten; ; (1) springen; opspringen; wippen; huppen; hippen; stuiten; opstuiten; (2) spatten; opspatten; spetten; spetteren; (3) [ton.] aflopen; sluiten; eindigen; uitgaan; voorbij zijn; (4) [markt, koers] omhoogspringen; plots stijgen; de hoogte ingaan; omhoogschieten
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen, oren, mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd, plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; ; versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に] vasthaken; [十字架に] slaan; [審議に] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に] op het vuur zetten; (4) [ケーブルを] leggen; [橋を] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を] in brand steken; [サラダにドレッシングを] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [ショールを] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ボタンを] dichtdoen; vastmaken; [錠を] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を] telegraferen; (10) 10. wegen; het gewicht vaststellen; (11) 11. vermenigvuldigen; (12) 12. [望みを] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを] richten; [思いを] verliefd worden op; [人に…の疑いを] aankijken op; (13) 13. [税を] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) 14. [機械を] aanzetten; [目覚し時計を] zetten; [ミシンを] met; op de machine naaien; [アイロンを] strijken; [レコード; CDを] opzetten; afdraaien; [時計のねじを] opwinden; (15) 15. [暇; 金を] besteden aan; (16) 16. [賞金を] uitloven; (17) 17. [診療に] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) 18. [雌牛を雄牛に] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) 19. [心に] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
引ける hikeru (1) [van school, kerk enz.] uitgaan; verlaten worden; [van bedrijf] dichtgaan; sluiten; (2) verlegen worden; zich niet op z'n gemak gaan voelen; plankenkoorts krijgen; zich gegeneerd voelen; de moed verliezen; zich opgelaten voelen; (3) [wat van de prijs] kunnen afdoen; korting kunnen geven; in mindering kunnen brengen; kunnen afnemen; kunnen verlagen; kunnen reduceren
合う au (1) passen; gepast zijn; passend zijn; geschikt zijn; zitten; (2) goed staan; passen; betamen; behoren; voegen; sieren; (3) overeenstemmen; overeenkomen; stroken; matchen; beantwoorden aan; in overeenstemming zijn; harmoniëren; samengaan; samenvallen; coïncideren; (4) kloppen; juist zijn; correct zijn; [帳尻が] sluiten; gelijk uitkomen; (5) [時計が] gelijklopen; (6) renderen; lonend zijn; de moeite lonen
合わさる awasaru opeensluiten; op elkaar passen; sluiten; fitten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'sluiten', strategie: exact). 
2005-2019