日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘smaak’
日蘭辭典 (trefwoord)
amami甘味
zn. zoetheid v.; zoete smaak m. ¶ 甘味ある zoetachtig; zoetig. ¶ 甘味が薄い het is niet zoet genoeg.
anbai鹽梅
(塩梅) zn. (1) [調味] smaak m. (2) [狀態] toestand m. (3) [手段] manier v.; wijze v. (4) [配列] orde v. ¶ 鹽梅する (配列) arrangeeren; groepeeren; sorteeren. ¶ 味を附ける kruiden. ¶ の鹽梅 temperatuur van het bad. ¶ 鹽梅は如何ですか hoe gaat het er mee? hoe staat het er mee?
hito
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ een zekere Ito. ¶ de ouden. ¶ 好き好き ieder zijn smaak. ¶ 惡い iemand met onaangenaam karakter. ¶ なる een man worden; volwassen zijn. ¶ と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 中で in het publiek. ¶ がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
aji
zn. (1) [食物の] smaak v. ¶ の惡い onsmakelijk. (俗) naar. ¶ の良い smakelijk; lekker. ¶ 味を見る proeven. (2) [趣] smaak v. ¶ のある smaakvol; interessant. ¶ 無き flauw. ¶ 趣のない flauw; geesteloos. ¶ のがする smaken naar.
omomuki
(き) zn. (1) [旨] bedoeling v.; beteekenis v.; inhoud van een brief (手紙の).(2) [雅] smaak m.
suki
(好き) zn. behagen o.; smaak m.; liefhebber (人) m. ¶ 好き iemand, die veel van katten houdt. ¶ 好きな geneigd tot; houden; geliefd; -zuchtig. ¶ 戰爭好きな oorlogzuchtig. ¶ 好きな人 geliefde; iemand van wien men veel houdt. ¶ 好きな樣に zoals men wil; naar verkiezen. ¶ 好き不好きは人の勝手 over smaak valt niet te twisten. ¶ 好きになる zich aangetrokken voelen tot; gaan houden van. ¶ 讀書が好き veel van lezen houden.
fūryū風流
zn. smaak m.; kunstzin m. ¶ 風流な smaakvol; elegant; artistiek.
yo
zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 厭ふ levensmoede zijn. ¶ に知られぬ onbekend. ¶ に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ を早くする jong sterven. ¶ 惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川のに onder de regeering der Tokugawa’s ¶ を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 合ふ in de smaak vallen van het publiek.
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
fūmi風味
zn. smaak m.; geur m. ¶ 結構な風味 lekkere smaak. ¶ 薄荷の風味がする het smaakt naar pepermunt; het ruikt naar pepermunt. ¶ に風味を附ける kruiden; een smaak geven aan. ¶ 風味よき smakelijk; lekker; pittig. ¶ 風味なき smakeloos; flauw; laf.
tashinami
(嗜み) zn. (1) [嗜好] smaak m. (2) [心掛] bezonnenheid v. (3) [愼み] zelfbeheersching v. (4) [技藝] ontwikkelde gave v. ¶ 嗜よき zedig; wel opgevoed; beschaafd.
tashinamu嗜む
i.w. (1) [好む] houden van; smaak hebben voor; gevoel hebben voor. (2) [愼み] zich weten te beheerschen; zich beschaafd gedragen; bescheiden zijn; zedig zijn.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <smaak>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
伊達date (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date; (5) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (6) dandyachtig; fatterig
kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) deur; poort; ingang; uitgang; (12) soort; artikel; merk; (13) begin; (14) gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) aandeel; actie; effect; portie; (16) opening van een zweer
味わいajiwai (1) smaak; (2) [fig.] smaak; karakter; charme
味覚mikaku smaakzin; smaakzintuig; smaak; gevoel van smaak
aji (1) smaak; (2) charme; karakter; flair; jeu; (3) ervaring; ondervinding; nagevoel; genot; (4) [beurst.] stemming; (5) [囲碁; 将棋で] effect; (6) chic; fris; blits; vlot; hip; koket; (7) slim; gevat; geestig; (8) vreemd; curieus; apart; bizar; (9) [maatwoord voor smaken]
嗜好shikou smaak; voorkeur; genoegen; meug; [Belg.N.; spreekt.] goesting
塩梅anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
塩梅enbai (1) zout en azijn; (2) smaak; kruiding; (3) regeling; bestuur
奥床しさokuyukashisa (1) elegantie; élégance; bevalligheid; gratie; sierlijkheid; stijl; charme; zwier; zwierigheid; (2) verfijning; verfijndheid; smaak; raffinement
好み ; 好konomi (1) smaak; persoonlijke voorkeur; voorliefde; neiging; zwakheid; (2) neiging; drang; tendens; inclinatie; geneigdheid; (3) keuze; het kiezen; optie; voorkeur; preferentie; pré; (4) hoop; verwachting; wens; verlangen; (5) mode; trend; vogue; (6) [ton.] stijl in navolging van bepaald acteur
当たりatari (1) treffer; raakschot; hit; succes; (2) [光; 風の] werking; (3) [honkb.] slagprestatie; (4) gok; berekening; voorspelling; verwachtingspatroon; (5) houding; manier; inschikkelijkheid; omgang; (6) [ワインの] gevoel op de tong; smaak; (7) kneuzing (van vruchten); gekneusde plek; kneus; (8) [viss.] beet; (9) per …; (10) -vergiftiging; -aandoening; -affect
思し召しoboshimeshi (1) uw mening; idee; inzicht; opinie; gedachte; (2) uw oordeel; discretie; beschikking; (3) uw goeddunken; believen; verlangen; wens; verwachting; wil; bedoeling; (4) goedheid; vriendelijkheid; welwillendheid; gunst; (5) voorliefde; genegenheid; voorkeur; smaak; neiging; interesse
jou (1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
i (1) gevoel; gevoelen; betuiging; mening; gedachte; opinie; (2) voornemen; wil; zin; plan; [Belg.N.] gedacht; intentie; wens; (3) aandacht; attentie; zorg; behartiging; (4) voorkeur; zin; smaak; (5) zin; betekenis; bedoeling; teneur; strekking; inhoud; (6) goede gezindheid; genegenheid; (7) [boeddh.] geest; ziel
捻りhineri (1) draai; draaiing; omdraaiing; verdraaiing; verwringing; [m.b.t. biljart] effect; [m.b.t. schoonspringen] schroef; [sportt.] spin; spineffect; (2) cachet; smaak; wending; (3) snuifje
yue (1) reden; oorzaak; (2) aanzienlijke afkomst; goede komaf; (3) smaak; charme; (4) band; betrekking; relatie; (5) ongeval; ongeluk; (6) […ゆえ] door; wegens; vanwege; (7) […ゆえ] hoewel; ofschoon; schoon; terwijl
旨み ; 旨味umami (1) smaak; (2) smaakmaker; umami; natriumglutamaat; glutamaat; ve-tsin; (3) smakelijkheid; charme; pit; aantrekkelijkheid; het boeiende ervan; (4) flair; handigheid; kunstigheid; (5) voordeel; profijt; baat; winst; iets lucratiefs; percentje
気が抜けるkiganukeru (1) zin verliezen; de moed verliezen; ontmoedigd raken; genoeg hebben van; (2) verschalen; geur; pit; smaak; kracht verliezen; verslappen; verflauwen; vervlakken; (3) versuft raken; bewustzijn verliezen
流行ryuukou (1) mode; het in zijn; trend; smaak; (in) zwang; (in) trek; (en) train; populariteit; modeverschijnsel; rage; hype; [inform.; veroud.] snuf; [veroud.] zwier; (2) [m.b.t. een ziekte] het wijd verspreid raken; epidemiciteit
shita (1) tong; [Barg.; kindert.] lap; (2) tongvormig iets; [鐘の] klepel; bengel; (3) [fig.] tong; spraak; (4) [fig.] tong; smaak; (5) [muz.] tong; riet
薫 ; 香kaori geur; lucht; geurigheid; parfum; luchtje; geurtje; aroma; bouquet; [lit.t.] aroom; [fig.] smaak
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
趣味shyumi (1) smaak; schoonheidszin; (2) gading; meug; [Belg.N.; spreekt.] goesting; hobby; liefhebberij; [i.h.b.] stokpaardje; [veroud.] marot; [i.h.b.] interesse; [i.h.b.] belangstelling
shyu (1) [boeddh.] gati; ± bestaanswereld; (a) zich begeven; (b) gedachte; zin; (c) smaak; gevoel; voorkomen; (d) [boeddh.] gati
風味fuumi smaak; aroma
風情fuujou (1) smaak; charme; elegantie; (2) aanblik; voorkomen; sfeer; indruk
風流fuuryuu smaak; elegantie; élégance; verfijning; verfijndheid; schoonheidszin; raffinement
風雅fuuga (1) elegantie; élégance; verfijndheid; verfijning; chic; stijl; smaak; raffinement; (2) [Bashō-school] haiku-esthetiek; (3) [Chin.lit.] fēngyǎ [= wijzen en lofliederen in de Shījīng 詩経]; (4) voornaam; chic; verfijnd; stijlvol; smaakvol; elegant; fraai; gedistingeerd; geraffineerd; (5) gecultiveerd; kunstzinnig; artistiek
飲み口nomikuchi (1) smaak; aroma; smaakindruk; (2) sakeliefhebber; (3) gelegenheid; aanleiding om een dronk uit te brengen; (4) lip van een sake-kommetje; sake-kopje; (5) manier van sake drinken; drinkstijl; (6) [キセルの] mondstuk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.83 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'smaak', strategie: exact). 
2005-2021