日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘spel’
日蘭辭典 (trefwoord)
abunaku危く
(危なく) bw. (1) [危險] gevaarlijk. (2) [殆ど] bijna; op het punt van. ¶ 危くなる gevaar loopen. ¶ 危くする op het spel zetten; wagen. ¶ 命を危くして met gevaar voor zijn leven; met levensgevaar.
asobi
(遊び) zn. (1) [遊] spel o. (2) [慰安] tijdverdrijf o.; uitspanning. (3) [遊蕩] uitspatting v. (4) [遊山] uitstapje o.; tochtje o. (5) [訪問] bezoek o.
ichiban一番
telw. eerst; bn. best; zn. spel (勝負) o.; bw. (一度試みに) om te probeeren; bij wijze van proef. ¶ 一番の de voorste. ¶ 一番の de achterste. ¶ 一番汽車 de eerste trein. ¶ 級中の一番 de eerste van de klasse. ¶ 一番弟子 de beste leerling; de primus; nummer een. ¶ 此れが一番好きだ dit bevalt mij het best. ¶ 一番良くて op zijn best; hoogstens. 一番やらうか zullen we een spelletje doen? ¶ 一番やって御覽 probeer het eens.
seimei生命
zn. leven o.; hart o.; kern v. ¶ 生命保險 levensverzekering. ¶ 生命を賭する zijn leven op het spel zetten.
kakeru賭ける
i.w. wedden; t.w. opzetten; wagen. ¶ を賭ける zijn leven op het spel zetten.
shōbu勝負
zn. (1) [勝敗] overwinning of nederlaag; beslissing v. (2) [競技] wedkamp v.; wedstrijd m. ¶ 面白い勝負 spannende strijd. ¶ 勝負する zich met elkaar meten; wedstrijd houden. ¶ 勝負表 het aantal punten; de score (英語). ¶ 勝負なし onbesliste strijd. ¶ 勝負spel; wedstrijd; weddenschap.
kyōgi競技
zn. wedstrijd m.; match (英語) m.
igo圍碁
(囲碁) zn. go (het Japansche damspel) o. ¶ 圍碁指南 „hier wordt les gegeven in het go spel.”
SUPPLEMENT (trefwoord)
kansō感想
(znw, suru-ww) Iets over een bepaald onderwerp voelen en denken; een indruk hebben; gedachten hebben; gevoel hebben; reactie; ¶ …という感想抱く ...to iu kansō wo idaku denken dat; het gevoel hebben dat ¶ それの感想は? Sore no kansō wa? Wat denk je ervan? (TTC) ¶ ゲームについてのご感想は? Gāmu ni tsuite no go-kansō wa? Wat vindt u van het spel? (TTC) ¶ はその感想を述べた。 Kare wa sono shi no kansō wo nobeta. Hij vertelde wat voor indruk het gedicht op hem maakte. (TTC)
jankenponじゃん拳ぽん

(ジャンケンポン) zn. steen-papier-schaar spel.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <spel>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ゲーム geemu [maatwoord voor spelletjes]; ; spel
芝居 shibai (1) toneelspel; toneelstuk; toneeluitvoering; toneel; drama; stuk; spel; vertoning; voorstelling; theatervoorstelling; toneelvoorstelling; opvoering; toneelopvoering; theater; (2) [fig.] komedie; komediespel; aanstellerij; veinzerij; theater; toneel; toneelspel; theatraal gedoe; [scherts.] aanstelleritis; verlakkerij; doorgestoken kaart; ingestudeerd nummertje poppenkast; poppenkasterij
勝負 shoubu (1) overwinning of nederlaag; zege of nederlaag; winst of verlies; (2) wedstrijd; partij; spel; kamp; match; strijd; wedkamp
試合 shiai [maatwoord voor wedstrijden]; ; (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht
ドラマ dorama (1) drama; toneel; (2) toneelstuk; toneelspel; drama; stuk; spel
戯れ tawamure (1) spel; (2) pret; lol; fun; vermaak; amusement; plezier; grap; scherts; gekheid; aardigheid; geestigheid; spielerei; (3) geflirt; gestoei; flirt; caprice
戯曲 gikyoku (1) drama; toneel; (2) toneelstuk; toneelspel; drama; stuk; spel
狂言 kyougen (1) tussen no-stukken opgevoerde klucht; komisch tussenspel; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew., w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
競技 kyougi (1) wedstrijd; competitie; (2) spel; sport; (3) sportevenement
博打 bakuchi (1) het gokken; gokkerij; gokspel; [pregn.] spel; het spelen; (2) risico; waagstuk; gok; gevaarlijke onderneming; [i.h.b.] speculatie
ban (1) volgorde; rangorde; orde; plaatsing (in een volgorde); plaats; (2) beurt; speelbeurt; (3) nummer; nr.; (4) wacht; het waken; het oppassen; bewaking; hoede; uitkijk; waak; [arch.] wake; (5) dienst; werkbeurt; (6) wacht; bewaker; hoeder; wachter; oppasser; (7) partij; spel; wedstrijd; rondje; potje
踊り場 odoriba (1) plek waar men kan dansen; dancing; dansgelegenheid; danshuis; danstent; [Barg.] denderkit; [gew.] spel; dansvloer; (2) overloop; trapportaal; portaal; tussenbordes
賭け kake (1) weddenschap; gok(je); [w.g.] weddingschap; [spreekt.] wedje; [veroud.] wedspel; spel; (2) gok; riskante zaak
一組 hitokumi set; pakket; ploeg; [m.b.t. kaarten] spel; pak; [i.h.b.] servies; [m.b.t. 2 stuks] paar; span; stel
遊び事 asobigoto spel; spelletje; tijdverdrijf; ontspanning; vermaak; hobby; verzetje
遊び asobi (1) spel; (2) hobby; recreatie; tijdverdrijf; passe-temps; ontspanning; (3) vermaak; vertier; amusement; plezier; fun; lol; entertainment; (4) boemel; boemelarij; braspartij; uitspattingen; (5) bezoekje; uitstapje; trip; tochtje; uitje; excursie; (6) [hand.] rust; inactiviteit; slapte; (7) speling; speelruimte; (8) [lit.] toeschouwershouding; onpartijdigheid; afstandelijkheid; (9) [drukw.] schutblad; dekblad; respectblad; (10) 10. animatrice; animeermeisje; hostess; (11) 11. [shintoïsme] liturgisch zangspel; dansspel
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.71 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'spel', strategie: exact). 
2005-2019