日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘spelen’
日蘭辭典 (trefwoord)
asobu遊ぶ
i.w. (1) [遊ぶ] spelen; zich vermaken met. (2) [遊山] wandelen; een uitstapje maken; een wandeling doen. (3) [訪問] op bezoek gaan. (4) [遊惰] luieren. (5) [遊蕩] doordraaien; aan den zwabber zijn; zwabberen. (6) [失業] geen werk hebben; buiten betrekking zijn; leegloopen. ¶ 外國に遊ぶ een reisje maken naar het buitenland. ¶ お隣で遊んで來た ik heb hier naast een praatje gemaakt. ¶ 遊んで居る金はない ik heb geen geld vrij; ik heb geen geld beschikbaar.
aruji主人
() zn. meester m.; baas m.; heer des huizes; gastheer (客に對して) m. ¶ 主人顏をする den baas spelen. ¶ 主人を出せ roep je baas;
fuzakeru巫山戯る
i.w. (1) [跳廻る] stoeien; grapjes maken. (2) [いちゃつく] koketteeren; flirten. ¶ ふざけて voor de grap; uit gekheid.
hana
zn. (1) [植物の] bloem v.; bloesem v. (2) [骨牌] speelkaarten v.mv. (3) [儀] fooi v.; gratificatie v. (4) [精華] bloem v.; de trots v.; de keur v. ¶ が咲く bloeien; bloesems dragen. ¶ を摘む bloemen plukken. ¶ を手折る bloem afplukken; een vrouw bezitten (女を). ¶ 引く kaart spelen. ¶ 軍隊中の keur der troepen. ¶ 國民の de bloem van de natie. ¶ を咲かす furore maken; opgang maken. ¶ 言はぬが het is beter er niet over te spreken. ¶ ある言葉 bloemrijke taal.
itazuraいたづら
(いたずら, 悪戯, 惡戲, 徒, 徒ら) zn. (1) [惡戲] ondeugendheid v.; kwajongensstreek m. (2) [徒爲] nutteloosheid v. (3) [淫蕩] geiligheid v.; gemeenigheid v.; wulpschheid v. ¶ いたづらな (惡戲な) ondeugend; kwajongensachtig; (徒爲な) nutteloos; noodeloos; (淫蕩な) geil; onzedelijk. ¶ いたづらに (面白半分に) voor de grap; uit gekheid; zoo maar; (徒爲に) vergeefs; nutteloos. ¶ いたづらをする (わるさする) gekheid maken; kwajongensstreek uithalen; stoeien; spelen. ¶ いたづら者 ondeugd; vrouw van losse zeden (不品行な) ¶ 徒になる op niets uitloopen. ¶ いたづら盛り de ondeugende leeftijd. ¶ いたづら兒 ondeugd; kwajongen.
onigokko鬼ごっこ
zn. krijgertje o.; blindemannetje (目隱し) o.; 鬼ごっこする krijgertje spelen.
jarasuじゃらす

i.w. flirten; stoeien. ¶ をじゃらす spelen met een kat. ¶ じゃらつく flirten; koketteeren; ¶ じゃれる stoeien; spelen; dartelen. ¶ よくじゃれる een speelsche kat.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpusふざけ
¶ こんなおふざけはいかにもベーカー氏らしい。 Konna ofuzake wa ika ni mo Bēkāshi rashii. Dat soort gekheid is typisch voor Meneer Baker. ¶ はふざけた調子でそう言った。 Kare wa fuzaketa chōshi de sō itta. Hij zei het op gekscherende toon. ¶ わたしたちは、さんざんふざけていたから、そろそろ仕事にとりかかる時だ。 Watashitachi wa, sanzan fuzakete ita kara, sorosoro shigoto ni torikakaru toki da. Aangezien we al een tijd hebben rondgedold wordt het zoetjesaan tijd om aan het werk te gaan.
bron:youtubeさん
¶ 遊びたいねこさん:初めての発情期も終わって、今度は、たくさん遊んで欲しいみたい !!Asobitai nekosan: hajimete no hatsujōki mo owatte, kondo wa, takusan asonde hoshii mitai !! Speelse kat: ook al is ze nu al voor de eerste keer krols geweest, ze wil voortdurend spelen !!

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <spelen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
戻す modosu (1) terugbrengen; terugbezorgen; teruggeven; terugplaatsen; retourneren; terugzetten; terugzenden; terugstellen; terugsturen; terugleggen; achteruitzetten; achteruitstellen; weer in zijn oude staat brengen; (2) overgeven; braken; opgeven; vomeren; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
奏する sousuru (1) [muz.] bespelen; spelen; ten gehore brengen; uitvoeren; (2) behalen; verwerven; [効を] effect sorteren; uitwerking hebben; (3) de keizer(-emeritus) petitioneren
通ずる tsuuzuru (1) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (2) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (3) [一年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (4) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (5) 10. inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前; 名刺を] geven; (6) 11. [ラジオを] als medium gebruiken; ; (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met
務める tsutomeru (1) dienen als; werken als; werkzaam zijn als [parlementslid enz.]; fungeren (als); optreden (als); zich kwijten [van zijn opdracht enz.]; [zijn ambt; mil. dienst enz.] vervullen; uitoefenen; bekleden; (2) [een rol] spelen; voor zijn rekening nemen; vertolken; neerzetten; [pej.; de held enz.] uithangen
打つ utsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) 10. [een net; vangnet] werpen; [een net; vangnet] gooien; (11) 11. [een telegram] sturen
上演する jouensuru opvoeren; vertonen; voorstellen; uitvoeren; vertolken; spelen; (ten tonele) brengen; presenteren; tonen; een voorstelling geven van; op de planken brengen
試合する shiaisuru spelen; een wedstrijd; partij enz. spelen; een spel doen
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
takenoko (1) [plantk.] bamboescheut; bamboeloot; bamboespruit; (2) opvallende verstellapjes in een oud kledingstuk; (3) kwakzalver; charlatan; boerenbedrieger; [inform.] wonderdokter; lapzalver; kakadoris; kakkedoris; [gew.] heggendokter; [gew.] tandentrekker; (4) uitverkoop van persoonlijke bezittingen om rond te komen; (5) [Barg.] samenwerking; samenspanning; geheul; het onder één hoedje spelen; het handjeklap doen; spelen
指す sasu (1) richten; wijzen; aanwijzen; aanduiden; aangeven; (2) bedoelen; refereren aan; (3) zich op weg begeven naar; koers zetten naar; gaan naar; gericht zijn naar; aanhouden op; (4) [m.b.t. schaakspel] spelen; [m.b.t. schaakstuk] een zet doen; (ver)zetten; (5) verklikken; aangeven; aanbrengen; [inform.] klikken; [Barg.] baldoveren
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
吐く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr., volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr., volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg., uitdr.] poep van zeike gaan
巫山戯る fuzakeru (1) grappen; grollen; grapjassen; gekscheren; railleren; schertsen; geinen; gekheid; grappen maken; gekken; gekheden uithalen; gebbetjes maken; [arch.] kortswijlen; boerten; onzin vertellen; [Belg.N., spreekt.] zwanzen; niet serieus zijn; (2) stoeien; spelen; ravotten; robbedoezen; dartelen; (3) flirten; sjansen; het aanleggen met; (4) voor de gek houden; gekscheren met; lachen met; dollen met; gekken met; de draak steken met; de spot drijven met; een loopje nemen met; voor de mal houden; op de hak nemen
嘔吐する outosuru braken; vomeren; overgeven; spuwen; kotsen; over z'n nek gaan; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
奏でる kanaderu spelen; bespelen
掻く kaku (1) (zich) krabben; (2) [sneeuw] scheppen; [熊手で] harken; aanharken; bijeen schrapen; (3) peddelen; (4) afsnijden; afhakken; (5) zweten; (6) [op een snaarinstrument] spelen; (7) [in kleermakerszit] gaan zitten
弾く hiku [muz.] spelen; bespelen; tokkelen op; betokkelen; aanslaan
遊ぶ asobu (1) spelen; zich vermaken; pret maken; plezier maken; zich amuseren; zich bezighouden; (2) niets uitvoeren; nietsdoen; niksen; niets te doen hebben; er z'n gemak van nemen; z'n tijd verdoen; werkeloos blijven; luieren; rondhangen; lummelen; lanterfanten; [gew.] wepele armen hebben; (3) werkloos zijn; inactief zijn; (4) het ervan nemen; de bloemetjes buitenzetten; fuiven; uitgaan; stappen; cafés bezoeken; aan de boemel gaan; boemelen; aan de zwier gaan; pierewaaien; zwierbollen; (5) [土地が] braak liggen; [機械が] ongebruikt liggen; onbenut blijven; stilliggen; buiten bedrijf zijn; buiten werking zijn; sluimeren; [手が] niets omhanden hebben; [資本が] slapen; renteloos liggen; op stok liggen; (6) […に~] reizen; een tocht maken; een uitstapje maken; een bezoek afleggen; (7) […に~] studeren; (8) [honkb.] opzettelijk wijd gooien; ; (1) een spel drijven; sollen; dollen; gekscheren; de draak steken met; (2) 10. verzen maken; muziek maken
演じる enjiru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
演奏する ensousuru [muz.] spelen; brengen; ten gehore brengen
演ずる enzuru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'spelen', strategie: exact). 
2005-2019