日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘staan’
日蘭辭典 (trefwoord)
atto suruあっとする
i.w. verbaasd staan; verstomd zijn.
ji-suru持する
t.w. houden; handhaven; in acht nemen. ¶ 固く持する pal staan. ¶ 五戒を持する de vijf geboden in acht nemen.
akarisaki明り先
zn. licht o. ¶ 明り先きに立つ in het licht staan.
akireru呆れる
akke呆氣
(呆気) zn. verbazing v. ¶ 呆氣に取られる verstomd staan; verbluft staan; paf staan; staan te kijken alsof men het in Keulen hoort donderen.
hedateru隔てる
t.w. afscheiden; op een afstand houden; vervreemden. ¶ を隔てて聞く aan den anderen kant van de muur luisteren. ¶ 尺づつ隔ててが立って居る de palen staan drie voet van elkaar.
sakadatsu逆立つ
i.w. overeind gaan staan. ¶ が逆立った de haren rezen te berge.
shita

zn. tong v.; klepel (鐘等の) m. ¶ を揮ふ veel praten. ¶ 出す de tong uitsteken. ¶ よく廻るだね wat kun je kletsen! ¶ を捲かせる verstomd doen staan. ¶ を捲く verstomd staan; met stomheid geslagen zijn.

SUPPLEMENT (trefwoord)
pittariぴったり
(1) zonder tussenruimte; strak; nauw; naadloos; hermetisch. ¶ 全部ぴったり閉まってたのにどうやってそのに入ったんだろうMado wa zenbu pittari shimatte ta no ni, dō yatte sono neko wa ie no naka ni haittan darō. Dat ondanks dat alle ramen potdicht waren die kat toch is binnengekomen. Ik vraag me af hoe. ¶ はぴったりしたジーンズが好きですWatashi wa pittarishita jīnzu ga suki desu. Ik houd van strakke spijkerbroeken. (yamasv) (2) precies; exact. ¶ 2つの指紋がぴったり一致した。つまりが殺人犯だ。 Futatsu no simon ga pittari itchishita. Tsumari kare ga satsujinhan da. De twee vingerafdrukken zijn een exacte match. Dat betekent dat hij de moordenaar is. ¶ 日本電車いつもぴったりの時間来るNihon no densha wa itsu mo pittari no jikan ni kuru. Treinen in Japan zijn altijd precies op tijd. (yamasv) (3) past; past goed bij; geschikt [voor, om]. ¶ この料理はこのワインにぴったりだ。 Kono Ryōri wa kono wain ni pittari da. Dit gerecht past goed bij deze wijn. ¶ 温泉はリラックスするのにぴったりの場所だ。 Onsen wa rirakkususuru no ni pittari no basho da. Hete (natuur)baden zijn heel geschikte plaatsen om te ontspannen. (yamasv) ¶ その帽子彼女にぴったりだ。 Sono bōshi wa kanojo ni pittari da. Die hoed [muts, pet] staat haar precies goed. ¶ ぴったり合うどうか、この新調のを着てみなさいPittari au ka dō ka, kono shinchō no fuku wo kite minasai. Probeer eens of dit nieuwe pak goed past. (TTC) (4) opeens; plotsklaps (stoppen).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <staan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
相応する souousuru (1) passen; betamen; behoren; geschikt zijn (voor); staan; voegen; (2) overeenkomen met; corresponderen met; beantwoorden aan
勤める tsutomeru werken; werkzaam zijn; [i.h.b.] ambtenaar; functionaris zijn; in dienst zijn (bij); [een bep. functie] waarnemen; bekleden; een betrekking; aanstelling; functie hebben; [voor de klas enz.] staan; ; voorgaan in [een religieuze dienst]; leiden; voeren; verzorgen; [de mis enz.] dienen; [i.h.b.] bedienen
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) 10. erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) 11. populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
居る iru (1) zijn; zich bevinden; bestaan; staan; liggen; (2) wonen; verblijven; leven; resideren; zetelen; (3) aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; in de buurt zijn; thuis zijn; (4) [m.b.t. bloedverwanten, bv. broers of zusters] hebben; (5) [m.b.t. dieren] leven; voorkomen; aangetroffen worden [in een bepaalde habitat]
辟易する hekiekisuru (1) terugdeinzen; achteruitdeinzen; deinzen; terugschrikken; terugwijken; ineenkrimpen; versagen; zich uit het veld laten slaan; zich laten ontmoedigen; (2) beduusd zijn; staan; perplex staan; verbluft zijn; van zijn stuk zijn; (3) te veel vinden; het moeilijk hebben met; er niet tegenop kunnen; genoeg hebben van; niet kunnen verdragen; z'n bekomst hebben van; de buik vol hebben
閉口する heikousuru (1) geen raad weten met; beduusd zijn; staan; perplex staan; verbluft zijn; verlegen zitten met; niet weten wat te doen; niets weten te zeggen; met stomheid geslagen zijn; niet terug hebben van; geen repliek weten op; ten einde raad zijn; het niet meer weten; er niet tegenop kunnen; (2) zich ergeren over; omhoogzitten met; in ongelegenheid zijn; [Belg.N.] verveeld zitten met
名乗り出る nanorideru zich aanmelden; zich opgeven; zich voorstellen; zich aandienen; [犯人が] zich aangeven; [pol.] zich kandidaat stellen; kandidaat zijn; staan; [Belg.N.] opkomen
邪魔する jamasuru (1) storen; voor de voeten lopen; in de weg lopen; staan; [form.] impediëren; belemmeren; hinderen; [moeilijkheden] in de weg leggen; dwarsbomen; doorkruisen; tegenwerken; dwarszitten; iem. de voet dwars zetten; in iems. vaarwater komen; obstrueren; verstoren; ophouden; lastig vallen; bemoeilijken; beslag leggen op; [m.b.t. gesprek] onderbreken; in de rede vallen; interrumperen; (2) bezoek brengen; bezoeken; een bezoek afleggen; op bezoek; visite komen; op bezoek; visite gaan; opzoeken; langsgaan bij; langskomen; langslopen bij
ごんす gonsu (1) [hon. variant van kuru] komen; (2) [hon. variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (3) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; ; [hoff. variant van aru] zijn
御座る gozaru [hoffelijkheidsvariant van aru; iru] zijn; hebben; ; (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen
ごわす gowasu [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; ; [hoff. variant van aru] zijn
対する taisuru (1) staan; liggen tegenover; uitzien op; uitkijken op; zich gesteld; geplaatst zien voor; zich in tegenwoordigheid bevinden van; bejegenen; omgaan met; [m.b.t. klanten] bedienen; [i.h.b. meetk.] onderspannen; (2) daartegenover; daarentegen; vergeleken met; [i.h.b.] in tegenstelling tot; (3) jegens; tegen; tegenover; ten aanzien van; naar (~ toe); voor; tot; (4) het opnemen tegen; tegenstreven
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
面する mensuru (1) uitzien op; uitkijken op; staan; liggen tegenover; uitzicht hebben op; (2) onder ogen zien; tegemoet treden; zich gesteld zien; het hoofd bieden aan
狙う nerau (1) op de loer liggen; wachten [op prooi]; azen (op); 't gemunt hebben op; een oogje hebben op; op het oog hebben; uit zijn op; [zijn kans] afwachten; uitkijken naar; ogen (naar); vlassen op; [naar iem. leven] staan; [i.h.b.] onder schot nemen; in de gaten houden; (2) mikken (op); richten (op); aanleggen (op); doelen op; viseren; pointeren; (3) beogen; streven naar; nastreven; najagen; willen (bemachtigen); trachten te behalen; proberen te bereiken; bedoelen
似合う niau passen; betamen; voegen; sieren; [着物が] (goed) staan; (goed) zitten; (goed) kleden; [場合に] geschikt zijn; passend zijn; voegzaam zijn
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'staan', strategie: exact). 
2005-2019