日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘stap’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashi
zn. (1) [] voet m. (2) [脚] been o. (3) [動物の] poot m. (4) [器物の支へ] voet m.; poot m.; voetstuk. (5) [步調] stap m.; pas m. (6) [不金] tekort o. ¶ が出る het geld is niet voldoende. ¶ を出す tekort komen. ¶ を揃へる in den pas loopen;
ashibumi足踏
(足踏み) zn. stap m.; pas m. ¶ 足踏する den pas markeeren. ¶ 二度足踏するな ik wil je in mijn huis niet meer zien. ¶ 足踏 markeert den pas!
ashidori足取り
zn. gang m.; stap m.; loop m. ¶ 相場の足取り de loop van de markt.
ashimoto足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stap>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
どたどたdotadota (1) rumoerig; kabaal; lawaai; herrie makend; (2) met zware tred; stap; met stampende voet; stampvoetend; stampvoets; bolderend; denderend
イニシアチブinishiachibu initiatief; eerste aanzet; stap; stoot
ステップsuteppu (1) stap; [m.b.t. dans] pas; tred; schrede; (2) trede; traptrede; afstapje; (3) voetsteun; [m.b.t. brommer] stepje; (4) stap; maatregel; (5) steppe; steppeland; (6) [maatwoord voor stappen; maatregelen]
一挙ikkyo (1) beweging; verroering; (2) tenuitvoerlegging; demarche; stap; (3) [鶴; 鸛の] vlucht; (4) vaart; schwung
対策taisaku (1) maatregel; stap; (2) tegenmaatregel; [fig.] tegenzet
工作kousaku (1) handwerk; handenarbeid; handvaardigheid; knutselwerk; (2) constructie; bouw; (3) zet; manoeuvre; maneuver; stap; kunstgreep; handgreep; gemanoeuvreer; gelobby
手段shyudan middel; hulpmiddel; redmiddel; weg; maatregel; stap; instrument; medium; expediënt; [fig.] wapen
kyo (1) gedrag; stap; maatregel; move; daad; poging; onderneming; (2) aanbeveling; (a) opsteken; (b) voorleggen; aanbrengen; (c) opsommen; oplijsten; (d) bevorderen; in rang verhogen; (e) arresteren; (f) houden; verrichten; (g) bewegingen; houding; (h) allen; gezamenlijk
措置sochi maatregel; stap; zet; actie; ingrijpen
方法houhou (1) methode; wijze; weg; procedé; manier; [Lat.] modus; middel; het hoe; trant; maatregel; beleid; stap; (2) [maatwoord voor methodes]
施策shisaku (1) maatregel; beleid; stap; (2) beleidsuitvoering
歩き振りarukiburi manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩き方arukikata manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
ho (1) stap; pas; schrede; [lit.t.] schred; tred; trede; (2) gang; loop; wandel; [i.h.b.] vooruitgang; stap vooruit; vordering; (3) infanterie; voetvolk [afkorting van hohei 歩兵]; (4) [kwantor om het aantal stappen; passen; schreden enz. te tellen]
段階dankai (1) niveau; rang; graad; trap; stap; (2) fase; stadium; (3) [comp.] level; speelniveau
dan (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte; (8) het feit (… te zijn); (9) fase; stadium; geval; moment; situatie; (10) [~ではない; じゃない] mate; kwestie
saku (1) plan; maatregel; koers; beleid; gedragslijn; politiek; policy; (2) stap; uitweg; uitkomst; hulpmiddel; redmiddel; expediënt; truc
足並みashinami (1) pas; gang; stap; tred; maat; wandeltempo; (2) eendracht; eensgezindheid; eenstemmigheid; gelijkgestemdheid
足跡ashiato (1) voetafdruk; voetstap; voetspoor; pootafdruk; spoor; [meton.] voet; [meton.] poot; [meton.] stap; [jachtt.] voetprent; [jachtt.] prent; [gew.] tred; (2) gangen; sporen; stappen; (3) prestaties; resultaten; wapenfeiten; [Belg.N.] palmares
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
道 ; 路 ; 途 ; 径michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'stap', strategie: exact). 
2005-2022