日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘stap’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashi
zn. (1) [] voet m. (2) [脚] been o. (3) [動物の] poot m. (4) [器物の支へ] voet m.; poot m.; voetstuk. (5) [步調] stap m.; pas m. (6) [不金] tekort o. ¶ が出る het geld is niet voldoende. ¶ を出す tekort komen. ¶ を揃へる in den pas loopen;
ashibumi足踏
(足踏み) zn. stap m.; pas m. ¶ 足踏する den pas markeeren. ¶ 二度足踏するな ik wil je in mijn huis niet meer zien. ¶ 足踏 markeert den pas!
ashidori足取り
zn. gang m.; stap m.; loop m. ¶ 相場の足取り de loop van de markt.
ashimoto足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stap>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
措置 sochi maatregel; stap; zet; actie; ingrijpen
ステップ suteppu [maatwoord voor stappen, maatregelen]; ; (1) stap; [m.b.t. dans] pas; tred; schrede; (2) trede; traptrede; afstapje; (3) voetsteun; [m.b.t. brommer] stepje; (4) stap; maatregel; (5) steppe; steppeland
一挙 ikkyo (1) beweging; verroering; (2) tenuitvoerlegging; demarche; stap; (3) [鶴; 鸛の] vlucht; (4) vaart; schwung
ho [kwantor om het aantal stappen, passen, schreden enz. te tellen]; ; (1) stap; pas; schrede; [lit.t.] schred; tred; trede; (2) gang; loop; wandel; [i.h.b.] vooruitgang; stap vooruit; vordering; (3) infanterie; voetvolk [afkorting van hohei 歩兵]
方法 houhou [maatwoord voor methodes]; ; methode; wijze; weg; procedé; manier; [Lat.] modus; middel; het hoe; trant; maatregel; stap
手段 shudan middel; hulpmiddel; redmiddel; weg; maatregel; stap; instrument; medium; expediënt; [fig.] wapen
施策 shisaku (1) maatregel; beleid; stap; (2) beleidsuitvoering
michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
工作 kousaku (1) handwerk; handenarbeid; handvaardigheid; knutselwerk; (2) constructie; bouw; (3) zet; manoeuvre; maneuver; stap; kunstgreep; handgreep; gemanoeuvreer; gelobby
段階 dankai (1) niveau; rang; graad; trap; stap; (2) fase; stadium; (3) [comp.] level; speelniveau
dan (1) het feit (… te zijn); (2) fase; stadium; geval; moment; situatie; (3) 10. [~ではない; じゃない] mate; kwestie; ; (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte
対策 taisaku (1) maatregel; stap; (2) tegenmaatregel; [fig.] tegenzet
saku (1) plan; maatregel; koers; beleid; gedragslijn; politiek; policy; (2) stap; uitweg; uitkomst; hulpmiddel; redmiddel; expediënt; truc
足並み ashinami (1) pas; gang; stap; tred; maat; wandeltempo; (2) eendracht; eensgezindheid; eenstemmigheid; gelijkgestemdheid
足跡 ashiato (1) voetafdruk; voetstap; voetspoor; pootafdruk; spoor; [meton.] voet; [meton.] poot; [meton.] stap; [jachtt.] prent; [gew.] tred; (2) gangen; sporen; stappen; (3) prestaties; resultaten; wapenfeiten; [Belg.N.] palmares
ashi 31. circa …; ongeveer …; ; (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) 10. [scheepv.] vaart; snelheid; (11) 11. [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) 12. [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) 13. [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) 14. [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) 15. aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) 16. [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) 17. vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) 18. transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) 19. geld; geldmiddelen; middelen; (20) 20. [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) 21. rente; interest; intrest; (22) 22. verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) 23. [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) 24. [食べ物の] houdbaarheid; (25) 25. [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) 26. [酒の] kwaliteit; karakter; (27) 27. [網目の] maaswijdte; (28) 28. [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) 29. poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) 30. prostituee; liefje
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'stap', strategie: exact). 
2005-2020